Gepost op

Weduwe Rost overleden

Ze was de weduwe van Meinoud Rost van Tonningen, de NSB-topman die tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de Duitse bezetter president was van De Nederlandsche Bank.
 

Florentine (Florrie) Rost van Tonningen-Heubel, jongste kind van een Duitse immigrant, zag Adolf Hitler voor het eerst op 26 maart 1936.
Ze was diep onder de indruk: „Hij gaf iedereen weer hoop. Hij was geen dictator, maar een volksvertegenwoordiger.”
Ze zou haar leven lang het nationaalsocialisme openlijk en nadrukkelijk blijven belijden.

Florrie Heubel leerde haar man kort na het uitbreken van de oorlog kennen bij de SS, waarvan Meinoud tweede plaatsvervangend leider was.
Ze was betrokken bij de oprichting van de Jeugdstorm: kinderen die trouw, discipline, orde en tucht waarderen.

Florrie Rost was op het moment van Meinouds dood in Duitsland, waar ze na de bevrijding naartoe was gevlucht.
Pas in 1948 keerde ze terug.
In Nederland werd ze meerdere keren veroordeeld wegens het verspreiden van nazilectuur en het organiseren van nationaalsocialistische bijeenkomsten.
Intussen kreeg haar overleden man in haar brein het postuur van een heilige, wiens gedachtegoed bewaard moest blijven.

Vijfendertig jaar na de oorlog richtte ze het Consortium De Levensboom op, bestuurd vanuit haar villa aan de Kluizenaarsweg in Velp.
Tot op zeer hoge leeftijd reisde zij door Europa om toespraken te houden.
Via het consortium verspreidde ze dubieuze lectuur als ”Het Auschwitz-bedrog”, ”De Auschwitz-leugen” en ”Zes miljoen?”

Haar drie zoons deden publiekelijk afstand van het gedachtegoed van hun moeder. Grimbert Rost van Tonningen schreef op zijn website een in memoriam over zijn moeder waarin hij aangeeft dat zijn moeder haar familie veel leed heeft berokkend.
Eerder gaf hij in een interview met deze krant aan dat hij als kind een soort overlevingsmechanisme ontwikkelde.
Omstanders zagen hem als de zoon van.

Elke keer kreeg ik te horen hoe dankbaar ik wel niet mocht zijn dat mijn pleegouders bereid waren om addergebroed op te vangen.”
Los van haar visie beschrijft hij zijn moeder als een liefdevol, gastvrij en hartelijk persoon die met grote persoonlijke opofferingen „mijn broers en mij als oudste zoon heeft opgevoed onder soms vrij benarde omstandigheden, zeker de eerste tien jaar na de Oorlog.”

Grimbert ziet het voor de overlevende familieleden als taak „om het blazoen weer te zuiveren en terug te keren tot het fatsoen van veel van onze voorvaderen, die het land met soms grote verdiensten hebben gediend.”

bron: www.reformatorischdagblad.nl