Gepost op

Wapenopslag in het riool

Voor de expositie, die het twintigjarig bestaan van het museum markeert, zijn tal van mensen geïnterviewd en is op brede schaal naar materiaal gezocht.

Bij dat laatste was het bereiken van evenwicht moeilijk, want veel spullen herinneren toch vooral aan de kampperiode. Maar er kwam meer boven water. Zoals briefjes van een verzetsstrijder aan zijn vrouw; ze negeerde zijn opdracht om ze te vernietigen, waar ze blij om was toen ze hoorde dat hij gefusilleerd was.

Leden van het Korps Insulinde gingen vanuit Ceylon met een duikboot naar Sumatra. Daar verzamelden ze informatie en legden contact met de bevolking. Het korps voerde zeven grote operaties uit. Commandant Scheepens schreef voor elke operatie een afscheidsbrief aan zijn vrouw. „Mijn lief vrouwtje, Hedenavond ga ik weer op stap met een duikboot naar Atjeh en schrijf ik je voor het geval dat ik niet terugkom. De vorige tocht is goed afgelopen.” De brieven werden nooit verzonden. Ze worden nu tentoongesteld.

De Nederlanders uit Nederlands-Indië hebben vaak gezegd dat hun verhaal over de oorlog nauwelijks aan bod komt in de musea over de Tweede Wereldoorlog. Dat is nu veranderd. In een afzonderlijke ruimte van het Verzetsmuseum kreeg Insulinde een permanente plaats.

Op een vrij beperkte oppervlakte passeert een groot aantal onderwerpen de revue. Films laten het vooroorlogse dagelijkse bestaan, maar ook het kampleven pal na de bevrijding in 1945 zien. Er zijn verhalen mensen uit de verschillende bevolkingsgroepen te beluisteren: blanke Nederlanders, Indische Nederlanders, Indonesiërs en Chinezen.

De verovering door de Japanners zette de maatschappij op zijn kop. De blanke machthebbers verloren in korte tijd nagenoeg alles. Een deel van de Indonesiërs waande zich bevrijd, maar kwam er al gauw achter dat het onder het nieuwe bewind ook niet alles was. De Japanners ruïneerden de landbouw en de logistiek, de bevolking verpauperde en leed honger.

Verzetsmensen die dachten dat de Japanse tijd van korte duur was, verzamelden informatie en wapens om de geallieerde bevrijders van dienst te kunnen zijn. Die lieten echter lang op zich wachten.

De Japanners arresteerden duizenden verzetsstrijders. „We onthoofden iemand die we schuldig bevinden liever meteen ter plekke met het samoeraizwaard, dan weken of maanden militaire tijd te verkwanselen en energie te verspillen”, zei een Japanse officier openlijk. Aan dat schuldig bevinden kwam men soms niet eens toe: een vaag vermoeden dat iemand iets met het verzet te maken had, kon al voldoende zijn om zonder pardon onthoofd te worden.

De bezetter maakte gebruik van Indonesische spionnen, maar ook van de structuur die de Nederlandse politieke inlichtingendienst voor de oorlog had opgezet. In Nederland was het overgrote deel van de bevolking de bezettende macht slecht gezind. In Indië lag dat zeker in de begintijd gecompliceerder.

Via rioolbuizen werden medicijnen de kampen in gesmokkeld, maar de buizen dienden soms ook een ander doel. Enkele christen-Ambonezen verzamelden wapens in petroleumblikken en verstopten die in het riool onder hun huis.

Filmbeelden tonen de soevereiniteitsoverdracht, zowel in Amsterdam als in Batavia, dat voortaan Djakarta heette. Ook de bersiapperiode, toen vrijheidsstrijders de confrontatie aangingen met de nauwelijks op adem gekomen Nederlandse bewindhebbers, krijgt aandacht.

De tentoonstelling werd geopend door twee vertegenwoordigers van het Indische verzet.