Gepost op

„Verzet was oorlog met demonische dictator”

Van Weerden, zoon van een mulo-docent in de stad Groningen, was 18 jaar toen hij eind 1940 het verzetswerk inrolde. Tot het eind van de oorlog wist hij uit handen van de bezetter te blijven. Tal van anderen die zich bezighielden met gewapend verzet, kwamen om.

Van Weerdens eerste actie was niet gepland: hij stal het pistool van een Duitser die in een café de holster aan de kapstok had gehangen. Al snel kwam Van Weerden tot gewelddadiger acties. Toen de grond hem in Groningen te heet onder de voeten werd, verliet hij de stad.

De vluchtroute naar Engeland werd afgesneden. Van Weerden zette zich vervolgens in Zuid-Drenthe en Noord-Overijssel in voor het verzetswerk. Zonder opsmuk verhaalt hij over zijn acties, waarvan er opvallend veel slaagden. Het was „oorlog met oom Adolf, de meest demonische dictator die ooit geleefd had.”

Van Weerdens hts-studie kwam stil te liggen; zijn familie ontmoette hij zelden. Drieëneenhalf jaar was hij vluchteling, altijd op stap voor het verzetswerk, voortdurend op zijn hoede voor de Duitsers en hun handlangers. Hij gebruikte tal van schuilnamen en onderduikadressen en sliep vaak in ongezonde schuilplaatsen.

Meermalen ontsnapte hij ternauwernood aan de dood. Makkers kwamen om; hij ontkwam steeds weer en verbaasde zich er wel eens over dat hij nog in leven en op vrije voeten was. Daarin ervoer hij Gods bewarende hand.

Soms werd de voortdurende spanning Van Weerden bijna te veel. Maar hij gaf niet op. „Ik verachtte de nazi’s, die al deze ellende veroorzaakten. Al wat wij wensten was een prettig leven in een vrij Nederland.”

Er ontstonden nauwe vriendschappen in het verzet, maar er waren ook bittere teleurstellingen. Steeds weer dringt zich de vraag op: wat bezielde zo veel Nederlanders verraad te plegen en de dood van landgenoten op hun geweten te laden?

Van Weerden heeft nogal wat gevaarlijke landverraders geliquideerd. Hij noemt ze in het boek ”De Oorlogsvlag” -een uitgave van Heijink in Hardenberg- soms onder een schuilnaam, „om veiligheidsredenen die ook nu nog van kracht zijn.” Ze moesten worden gedood, zodat ze niet nog meer onschuldige mensen zouden kunnen verraden. „Nederland had geen gerechtshoven meer die zulke misdadigers konden veroordelen. We moesten de schuldigen zelf uit de weg ruimen. Dit was geen sluipmoord, dit was gerechtigheid in naam van de koningin. Of eigenlijk, dit was gerechtigheid in naam van God.”

In Van Weerdens boek is een waardevol stuk verzetsgeschiedenis vastgelegd. De memoires, mede geschreven om de gezinnen te eren die de verzetsmensen gastvrij onderdak boden, zijn met vaart geschreven.

De gevoelens van angst of spanning die er rond gevaarlijke acties geweest zullen zijn, blijven aanvankelijk wat bedekt. Naarmate het boek vordert, komt de schrijver er meer mee voor de dag. „Aan het eind van de oorlog waren we doodop; geestelijk uitgemergeld door de grote spanning, het voortdurende gevaar en het omkomen van vele vrienden”, zegt de 85-jarige Van Weerden, die in 1953 emigreerde en nu in de Canadese provincie Alberta woont.

Hij beleefde de bevrijding. Daar eindigt zijn boek. Een deel van de verzetsmensen had na de bevrijding moeite zijn draai te vinden in het gewone burgerleven en was soms ook teleurgesteld over de naoorlogse samenleving.

Van Weerden lijkt dat al voorzien te hebben. Hij had met een makker plannen gemaakt naar Zuid-Amerika te gaan, want „we hadden besloten dat vanaf de dag dat we bevrijd zouden worden, de Nederlandse regering alles over ons zou vergeten en praktisch geen interesse zou tonen in het voormalige verzet.” En: „Voor ons soort idealisten zou heel weinig plaats zijn in naoorlogs Nederland.”

„Dat voelden we al aankomen en het is wel gebleken ook”, zegt Van Weerden nu. „Hier in St. Albert (Alberta) bladerde ik in een boekhandel eens in een encyclopedie en daar zag ik een rake zinsnede staan: de Nederlandse regering vreesde in 1945 een herhaling van ’1918’, toen Troelstra na de vorige wereldoorlog een rode revolutie probeerde te ontketenen. Veel verzetslieden waren links en daarom heeft de regering ons links laten liggen.”

Na vier jaar vol zelfstandigheid en verantwoordelijkheid en met tal van wapenfeiten op zijn naam kwam Van Weerden in de schoolbankjes terecht. Als 23-jarige zat hij tussen de 18-jarigen, voltooide zijn hbs en haalde het kandidaatsexamen medicijnen. Niet omdat hij er zin in had, maar er zat niets anders op. „We waren ontnuchterd. De regering had totaal geen belangstelling voor ons. We moesten het zelf maar uitzoeken. Het is een grote schande.”

Ontgoocheld was hij ook door de breuk die er door de vrijmaking in zijn kerk, de Gereformeerde Kerken, was ontstaan, nota bene tijdens de oorlog. „Ik was Nederland spuugzat. Mijn broer in Canada zei: Kom hier naartoe. Ik zei: Ik bid om een christelijke vrouw, maar die heb ik nog steeds niet. Toen ontmoette ik Gerda van der Hoek uit Arnhem. Ze wilde met me mee naar Canada. ’k Heb een heel gelukkig huwelijk gehad.”

Van Weerden emigreerde in 1953. „Ondanks alles heb ik altijd heimwee naar Nederland gehad. Mijn vrouw niet; ze leefde voor haar kinderen. Vorig jaar is ze overleden.”

Van Weerden werkte in de chemische en de farmaceutische industrie. Toen hij even in de vijftig was, stuurde een arts hem met pensioen: als nasleep van de oorlog leefde Van Weerden onder te grote spanning. „Verlate gevolgen, noemen ze dat. De arts vroeg daarom bij de Nederlandse regering buitengewoon pensioen voor me aan. Dat was toen nog maar pas voor het verzet geregeld. Zelf wilde ik er niet om vragen.

Ik ben toen gaan wielrennen. Dat bleek heel goed voor me te zijn. Aan wedstrijden moest ik maar niet deelnemen, zei de dokter. Dat zou weer te veel spanning opleveren.”

Van Weerden behoorde in Ottawa tot de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, was later ouderling in de Gereformeerde Kerk, voltooide een theologiestudie en werd voorganger in een pinkstergemeente. De helft van zijn tijd is hij nu onbezoldigd ziekenhuispastor.

Vanwege de presentatie van zijn boek hoopt hij eind mei met zijn zoon naar Nederland te komen. „De vorige keer, een jaar of elf geleden, ben ik alle oude bekenden die er nog waren uit de verzetstijd langsgeweest.”