Gepost op

Toespraken en gedicht “Waarom schrijf je me niet” in Aalten

Onze PR-functionaris was aanwezig bij de opening van de tentoonstelling “Waarom schrijf je met niet?” in het Nationaal Onderduik Museum in Aalten.

Tijdens de opening werd een indrukwekkende toespraak gedaan en een gedicht voorgedragen door een overlevende. Deze willen we graag met u delen.

 

Gedicht door Lotty Veffer:

EEN TREIN VERTROK
Een trein vertrok van hier en ging…
En rijdt door mijn herinnering.
Die trein gaat weg en komt niet aan
En zal door heel mijn leven gaan.
Ik sta op ’t stil perron en wacht;
Er komt geen einde aan de nacht.
Ik wacht – en hoor – en zie altijd
De trein die door mijn hersens rijdt
En blijf het kind, dat elke nacht aan ’t einde van de spoorlijn wacht.
De trein uit mijn herinnering,
Die regelrecht de hel in ging.
Weer sta ‘k op het perron en zacht vertrekt de trein, ook deze nacht.
En eind’lijk stap ik in en rijd
Ik mee tot in de eeuwigheid.
De trein die door mijn hersens rijdt,
Op weg naar de vergetelheid.
Anneke Hemrika-Verheul

Over Lotty Huffener-Veffer
Zij zat in Kamp Vught en ging met het laatste Jodentransport naar Auschwitz. Vandaar kwam zij met een groep vrouwen die voor Philips in Vught hadden gewerkt, het
zogenaamde Philipscommando, in een werkkamp waar ze voor Telefunken aan de slag gingen, zeg maar. Ze overleefde de dodenmarsen, werd uitgewisseld met krijgsgevangenen keerde via Zweden in augustus 1945 terug naar Amsterdam. Waar niets meer was.

Ze stond met haar vriendinnen, verzetsvrouwen, aan de wieg van de Vriendenkring Vught. Zonder hen was er daar nu niet zo’n mooi herinneringscentrum. Ook initieerde ze het
monument voor de weggevoerde Joodse kinderen. Juni 1943 werden bijna 1300 kinderen tot 16 jaar al dan niet met hun ouders, afgevoerd naar Sobibor. Onder hen haar zusje en haar ouders.

Ze leeft met de oorlog, want de oorlog bepaalde haar leven. Al jarenlang vertelt ze erover. Er zijn weinigen die dat kunnen, en ze vindt dat het gehoord moet worden.

Zij is de naamgever en inspirator van de Lotty Veffer Foundation. 27 januari is het Holocaust Memorial Day, 27 januari is de dag waarop in 1945 Auschwitz werd bevrijd. 28 januari is de jaarlijkse Auschwitzherdenking.

In dit kader droeg zij dit prachtige gedicht voor bij de opening van de expositie:

WAAROM SCHRIJF JE ME NIET / WARUM SCHREIBST DU MIR NICHT

Nationaal Onderduikmuseum
26.01/ 21.05.2018

De Nederlands-Duitse uitbreiding van de tentoonstelling is gerealiseerd door de Lotty
Veffer Foundation in samenwerking met het Nationaal Onderduikmuseum en het Zentrum
für Niederlande-Studien Münster en is mogelijk gemaakt door bijdragen van Interreg,
Provincie Gelderland, het vfonds en het Mondriaan Fonds.

 

 

 

 

Vluchtelingen toen en nu – Arie van Dalen

In het programma voor deze bijeenkomst staat dat ik een introductie geef op onze tentoonstelling. Dat is niet helemaal waar. Ik ga het vooral over één thema uit de
tentoonstelling hebben, een thema dat raakt aan de actualiteit en aan de centrale vraag van deze bijeenkomst: Kun je leren van de oorlog?

Op die vraag zeg ik als medesamensteller van de tentoonstelling natuurlijk ‘ja’. Daarom hebben we de tentoonstelling gemaakt. We hopen de bezoekers te raken door aan de hand
van brieven, kaarten en dagboeken een beeld te schetsen van een aantal mensen, een aantal individuen en hoe zij slachtoffer werden van uitsluiting, vervolging en oorlog.
Zoals van Wanda Verduin. Haar brieven en dagboeken laten zien hoe zij in korte tijd van een jong, vrolijk meisje verandert in een sombere, angstige, veel te snel volwassen jonge
vrouw… wat de opeenstapeling van anti-Joodse maatregelen werkelijk betekende voor haar en haar familie… en hoe zij uiteindelijk vermorzelt wordt door de nazi’s.

We hopen dat mensen geraakt worden door dat verhaal en de andere persoonlijke geschiedenissen in de tentoonstelling, maar vooral dat deze verhalen bezoekers ertoe
aanzetten na te denken over hun standpunten, over de keuzes die ze nu maken als het gaat om zaken als vrijheid en medemenselijkheid.

Enkele van die persoonlijke verhalen betreffen vluchtelingen, die naar Nederland kwamen:
zoals die van de Joodse jongen Wolfgang Maas die vanuit Gelsenkirchen naar Winterswijk vluchtte, en die van broer en zusje Lion en Hannie Salomonson, die vanuit Nordhorn in
Almelo en later Hardenberg belandden, eerst zonder, later met hun ouders. Hoe gingen we toen met de vluchtelingenstroom om? Welke gevolgen had dat? En welke betekenis kennen
we aan die geschiedenis toe voor nu?

Vrijwel meteen na de machtsgreep van Hitler in januari 1933 komt een vluchtelingenstroom op gang. Binnen een paar maanden zijn de nazi’s al begonnen mensen op te sluiten in
concentratiekampen, in Oranienburg en Dachau. In ’33 vluchten circa 25.000 Joden en 12.000 kunstenaars, wetenschappers, vakbondsmensen, socialisten en communisten uit
Duitsland. Daarna neemt de stroom iets af. Het naziregime voert nog een, relatief, gematigd beleid. Dat neemt niet weg dat Nederland in mei 1934 besluit de immigratie
tegen te gaan. Duitse Joden worden alleen nog tijdelijk toegelaten. Dat wil zeggen dat er vanuit wordt gegaan dat ze op een gegeven moment naar Duitsland zullen terugkeren, of
dat ze zullen doorreizen naar andere landen. Poolse en stateloze vluchtelingen wil Nederland helemaal niet meer toelaten, tenzij ze kunnen aantonen in acuut levensgevaar te zijn. Dreigende opsluiting in een concentratiekamp wordt niet als voldoende grond beschouwd. Joden met de Poolse nationaliteit moeten zoveel mogelijk terug naar Polen.

Hierbij dient men zich te realiseren dat ongeveer de helft van de ruim 500.000 Joden in Duitsland behoorden tot families die in voorgaande decennia uit Oost-Europa naar
Duitsland waren gevlucht. Velen van hen hadden niet de Duitse nationaliteit, maar waren Pools of stateloos. Veel andere landen nemen soortgelijke maatregelen. Dat is ook een
soort kettingreactie. Landen redeneren: als andere landen hun grenzen sluiten en wij doen dat niet, dan komen al die vluchtelingen naar ons toe.
Eind 1935 worden de Neurenberger rassenwetten ingevoerd. Nu komt de nazipolitiek van uitsluiting en vervolging van Joden en Sinti en Roma op stoom. Joden worden van allerlei
beroepen uitgesloten, Sinti en Roma worden in gemeentelijke concentratiekampen opgesloten. En de nazi’s openen nu volop de jacht op politieke tegenstanders. De vluchtelingenstroom zwelt aan, en dat eens te meer na de annexering in maart 1938 van Oostenrijk, waar Adolf Eichmann meteen een golf van grof geweld tegen de Joden ontketent. Vanaf 1939 worden in Oostenrijk ook Sinti en Roma doelwit. In de tentoonstelling hebben we een verhaal opgenomen over het Roma-gezin Stojka, dat – zonder succes – probeert in Wenen onder te duiken. Zes leden van dit gezin overleven wel de nazi- kampen, als enigen van de ongeveer 200 leden van hun familie. Twee maanden na de Anschluss, in mei ’38, verscherpt Nederland zijn maatregelen. Alleen Duitse Joden uit het grensgebied die in acuut levensgevaar zijn en Duitse Joden met familie in Nederland worden nog toegelaten.

Nu zeg ik wel dat de grenzen gesloten werden, maar er was wel een verschil tussen het beleid en de praktijk. De grenzen waren niet hermetisch, er stond geen muur om Nederland
of om andere landen. Bovendien waren Duitse zakenlui en toeristen wel welkom, en Joden deden zich dan ook als toerist of zakenman voor. Grenswachters klaagden erover dat ze vaak niet konden zien of iemand al dan niet Joods was. Zo konden toch nog tienduizenden Joden naar Nederland komen, en naar België̈ en Frankrijk.
De golf van vluchtelingen bereikt een hoogtepunt na de Kristallnacht van november 1938. Nu willen ook steeds meer Joden uit Duitslands buurlanden vluchten. Het geweld van de Kristallnacht leidt in Nederland even tot erbarmen. Het laat 9.000 Joodse vluchtelingen toe en besluit anderen die illegaal het land zijn binnengekomen te laten blijven, al is het wel de bedoeling dat ze snel naar een ander land emigreren. Maar waarheen dan wel? Ook andere landen hebben hun grenzen gesloten of ze laten maar een beperkt aantal mensen toe.
Wolfgang Maas hoopte met zijn Nederlandse vriendin Thea Windmuller zijn ouders te kunnen volgen die naar Brazilië̈ waren gevlucht, het gezin Salomonson wilde met hun kinderen naar Amerika. Het kwam er niet van…

In december 1938 besluit Nederland ook illegale vluchtelingen die al een tijdje in het land zijn terug te gaan sturen. Met Kerstmis 1938 worden de eerste zeventig met een bus naar Duitsland teruggebracht. Nog steeds stokt de vluchtelingenstroom overigens niet volledig. Nog meer dan voorheen ontstaan er groepen die Joodse vluchtelingen helpen de grens over te komen. En er zijn functionarissen die illegale vluchtelingen aan verblijfspapieren helpen, zoals de burgemeester van de grensgemeente Dinxperlo.

***
Zoals gezegd stond Nederland bepaald niet alleen in zijn pogingen vluchtelingen buiten de deur te houden. Zwitserland doet tot ver in de oorlog zijn uiterste best Joodse vluchtelingen en Sinti en Roma tegen te houden of terug te sturen. De Scandinavische landen laten voor de oorlog samen nog geen 5.000 Joodse vluchtelingen toe en sturen ook mensen terug naar Duitsland. Zwitserland en Zweden vragen Duitsland in 1938 zelfs om de paspoorten van Joden van een ‘J’ te voorzien, zodat ze gemakkelijker aan de grens kunnen worden tegengehouden. In november 1938 willigt Duitsland dat verzoek in. Met tegenzin, overigens, want het ziet zijn Joden graag vertrekken. Het stemt toe om het reizen van niet-Joodse Duitsers niet te bemoeilijken. En het ziet er ook wel een propagandistische kans in: zie je wel, andere landen moeten ook niets van de Joden hebben. Pas ver in de oorlog worden Zweden en Zwitserland ruimhartiger; Zweden in 1942, Zwitserland najaar ’43. Canada laat maar zo’n 5.000 Joodse vluchtelingen toe, en alleen nadat de Joodse gemeenschap in Canada heeft toegezegd voor de kosten te zullen opdraaien. Zuid- Afrika laat zo’n 7.000 Joodse vluchtelingen toe, maar sluit zijn grenzen voor hen in 1936.
De meeste landen in Latijns-Amerika laten tussen het einde van de Eerste Wereldoorlog en 1933 vele immigranten toe, onder wie ook zo’n 175.000 Joden. Als de vluchtelingstroom
zich uitbreidt, wordt het toelatingsbeleid strenger. Tussen 1933 en 1945 worden in totaal nog 84.000 Joden toegelaten.
Uiteindelijk gaan tussen 1933 en 1945 circa één en een kwart miljoen Europese Joden op de vlucht: 450.000 uit Duitsland en Oostenrijk (naast zo’n 100.000 anderen), 300.000 uit Polen – zij vluchten vooral naar de Sovjet-Unie – en 500.000 uit andere landen.

Honderdduizenden anderen proberen vergeefs te vluchten. Één miljoen Joden ontsnappen daadwerkelijk aan de nazi’s. Een kwart miljoen, onder wie zo’n 100.000 uit Duitsland en Oostenrijk, kwam niet verder dan landen die vervolgens door de nazi’s onder de voet werden gelopen, in heel veel gevallen omdat Groot-Brittannië̈, de Verenigde Staten en andere landen hen een visum weigerden. Bijvoorbeeld omdat het quotum bereikt was dat de VS hanteerde, of omdat ze minvermogend waren. En veel Joden die niet arm wáren, waren door de nazi’s van nagenoeg al hun bezittingen beroofd. Vanaf 1938 mochten ze niet meer dan 10 mark en wat persoonlijke bezittingen meenemen als ze ’emigreerden’.
Opmerkelijk is dat Spanje en Portugal, landen met fascistische dictaturen die vriendschappelijke betrekkingen met Hitler-Duitsland onderhielden, Joodse vluchtelingen in de praktijk – het officiële beleid was anders – nog het minste in de weg legden, evenals Turkije. Wat ook opvalt is dat de maatregelen zich specifiek tegen Joodse vluchtelingen keerden. In de meeste landen waren politieke vluchtelingen, met uitzondering van communisten, lange tijd wel welkom. Antisemitisme was geen Duitse uitvinding.
Het verhaal van Wolfgang Maas wordt in een filmpje in de tentoonstelling verteld door acteur Rauand Taleb, die zelf als 5-jarige met zijn ouders vanuit Irak naar Duitsland kwam.
Zijn ouders zijn inmiddels teruggekeerd naar Koerdisch gebied in Irak. Rauand reflecteert in het filmpje op de tragische geschiedenis van Wolfgang Maas en zijn Joodse vriendin uit Winterswijk, Thea Windmuller, en op de actuele discussies over vluchtelingen. Hij zegt: “Mensen zouden vrij moeten zijn te gaan waar zij willen”. Het is ook een van de stellingen in het ‘stemhokje’ in de tentoonstelling. Ik ben het ermee eens, maar ik weet dat het een illusie is. Althans: dat het tegenwóórdig een illusie is. Althans: dat het tegenwoordig voor sómmigen een illusie is. In de negentiende en begin twintigste eeuw was het geen illusie. Tot de Eerste Wereldoorlog konden mensen zich in grote delen van de wereld vrij bewegen. Soms werd wel mensen die er erg armoedig uitzagen toegang tot een land geweigerd, en in tijden van oorlog lag het ook anders, maar meestal konden mensen zich zonder problemen in een ander land vestigen.
Zo konden miljoenen Schotten, Ieren, Italianen, Grieken, enzovoort, enzovoort, naar Amerika emigreren. En zo konden tussen 1880 en de Eerste Wereldoorlog meer dan drie miljoen Joden uit Oost-Europa naar het Westen trekken, op de vlucht voor het antisemitisme. Meer dan 2 miljoen van die Joodse vluchtelingen vonden een heenkomen in de Verenigde Staten. Kort na de Eerste Wereldoorlog wordt een internationaal paspoorten- en visasysteem ontwikkeld. Nu kunnen landen daadwerkelijk een immigratiebeleid gaan voeren. Dat komt na 1933 vele Joden duur te staan. Groot-Brittannië̈ liet in totaal tussen 1933 en 1938 – toen het uit vrees voor saboteurs en spionnen onder de immigranten zijn deuren volledig sloot – zo’n 80.000 vluchtelingen toe (ook hier moest de Joodse gemeenschap de kosten dragen, zoals trouwens in Nederland de Joodse gemeenschap de bouw in 1939 van kamp Westerbork als vluchtelingenkamp à raison van 1 miljoen gulden moest bekostigen), maar Groot-Brittannië̈ wees zo’n 400.000 visumaanvragen af.

De Verenigde Staten hadden een jaarlijks quotum voor Duitsland en Oostenrijk samen van 31.000 immigranten, maar maakte dat tot 1938 niet eens vol. Vanaf 1938 wel. Dat was het enige positieve gevolg van een conferentie in het Franse Évian, van 32 landen en zo’n zestig particuliere hulporganisaties, die tot doel had tot een verdeelsleutel te komen voor de opvang van Joodse vluchtelingen. Verder leidde die conferentie tot niets.

De parallellen tussen toen en nu liggen voor het oprapen:
– de achtergrond van een economische crisis en daarmee gepaard gaande armoede, met de aantekening dat de crisis en armoede van de jaren dertig nog een stuk ernstiger waren dan die van de afgelopen jaren;
– het argument van de hoge kosten en dat van de werkgelegenheidsproblematiek;
– het onvermogen van landen om tot een verdeelsleutel te komen voor de opvang van vluchtelingen en de vrees dat grotere ruimhartigheid dan andere landen een aanzuigende werking zal hebben;
– het terugsturen van mensen omdat ze in hun land van herkomst niet in acuut gevaar zouden zijn;
– het onderliggende racisme: toen tegen Joden gericht (het beleid jegens politieke vluchtelingen was immers anders), nu tegen moslims en Afrikanen;
– de angst indertijd in Groot-Brittannië̈ voor saboteurs en spionnen onder de vluchtelingen en nu in Europa voor terroristen.

Is het probleem dat er nu zo veel vluchtelingen zijn? In historisch perspectief valt dat wel mee. Hoeveel Zuid-Europese Joden kwamen er eeuwen geleden niet naar Nederland, hoeveel hugenoten?
In 1914 vluchtten een miljoen Belgen naar Nederland, de grote meerderheid ging ook weer terug, maar vele tienduizenden bleven hier. Recenter: in de jaren vijftig werden meer dan 300.000 mensen uit Indonesië̈ gerepatrieerd, in de jaren negentig nam Nederland meer dan 300.000 vluchtelingen op uit Afghanistan, Somalië̈ en de landen van voormalig Joegoslavië̈. Ja, we zouden iets van de geschiedenis kunnen leren, maar dat blijkt toch heel moeilijk, zeker in de politiek, waar met krachtige statements, oneliners, Soundbites, naar de gunst van de kiezers wordt gedongen, en niet met afgewogen, genuanceerde analyses. We hebben niet de illusie dat we daaraan met onze tentoonstelling iets veranderen. We hopen – en uit reacties van bezoekers en ook leerkrachten maken we op dat dit ook lukt – dat we door te laten zien wat, wat toen gebeurde voor individuen betekende, door de mensen te laten zien achter het verhaal van de grote getallen – we hopen dat we daardoor compassie oproepen, bijvoorbeeld met de vluchtelingen van toen, met Wolfgang en Thea, met Lion Salomonson – en vervolgens ook met de vluchtelingen van nu.

Ik wil, tot slot, nog ingaan op een parallel die ik in ieder geval positief vindt: toen verstrekte de burgemeester van Dinxperlo (en niet alleen hij) verblijfspapieren aan ‘illegale’ vluchtelingen, toen verstrekte de Portugese consul in Bordeaux visa aan enkele tienduizenden Joden in weerwil van het officiële Portugese beleid, nu begroet bijvoorbeeld – in weerwil van het Europese beleid – burgemeester Orlando van Palermo op Sicilië̈ op de kade de vluchtelingen, die hun reis over de Middellandse Zee hebben overleefd. Dit onder
het motto: Iedereen mag overal geluk zoeken. Dat brengt mij terug bij wat Rauand Taleb in het filmpje over Wolfgang Maas zegt: “Iedereen moet vrij zijn te gaan waar hij of zij wil”. Dat vindt bepaald niet iedereen. Het blijkt dat je ‘gelukszoeker’ kunt uitspreken als een heel vies woord. Gelukszoekers, dat zijn mensen die komen profiteren van onze welvaart. Maar bestaat niet de hele mensheid uit gelukszoekers en afstammelingen van gelukszoekers? Als wij mensen geen gelukszoekers waren, zouden we allemaal nog op Oost-Afrikaanse savannen vertoeven. Maar nee: mensen trokken naar Europa, langs de kusten van Azië̈, over de Beringstraat naar Amerika. Zo tussen 200 en 800 trokken hele volksstammen door Europa. Europeanen namen bezit van Noord-Amerika, Australië̈ en ga zo maar door.

Dat is lang geleden, dat is waar. En ik weet ook dat het idee dat mensen vrij moeten zijn te gaan waar zij willen een illusie is… voor sommigen. Je kunt je best in een ander land vestigen… als je rijk bent of hoogopgeleid… én blank, of althans westers, Japans inbegrepen. We vinden dat normaal. We vinden het ook normaal dat iemand uit Groningen z’n geluk gaat zoeken in Amsterdam, of iemand uit Amsterdam juist op het platteland. Wie woont er nog in dezelfde stad of hetzelfde dorp als zijn grootouders? Zelfs de voorouders van Herman Finkers, zo bleek in het tv-programma Verborgen Verleden, kwamen tot zijn lichtelijke ontzetting niet allemaal van de veilige kant van de IJssel. Er zat ook een
Amsterdammer tussen, en een Duitser. We vonden het ook normaal dat tienduizenden Nederlanders na de oorlog naar Canada, Australië̈ en Nieuw-Zeeland trokken. We vinden het normaal als iemand in de VS gaat werken en/of wonen, of een eerste dan wel tweede huis in Frankrijk of Portugal koopt. In Amsterdam reizen de huizenprijzen de pan uit, onder andere doordat er zoveel Amerikanen, Britten en Japanners komen wonen. Dat is niet erg,want dat is goed voor onze economie, onze welvaart… Onze welvaart.

We koesteren een geromantiseerde voorstelling van onze vaderlandse geschiedenis, de Disney-versie ervan. We zijn een natie van zee- en verzetshelden, nietwaar? We vergeten liever dat ‘onze’ welvaart gefundeerd is op onder andere de roof van grondstoffen en de slavenhandel in die goeie, ouwe VOC-tijd. Op de exploitatie van ‘ons’ Indië̈. Maar we hoeven niet eens zover terug te kijken. Het Westen haalt nog steeds landbouwproducten en grondstoffen voor spotprijzen binnen. Over de hele wereld zijn bedrijven te vinden van Westerse multinationals, die er alles aan doen om ter plekke zo min mogelijk en liefst geen belasting te betalen. Nee, maar die economische vluchtelingen, die gelukszoekers, die willen we hier niet hebben. Mensen uit oorlogsgebieden, vooruit, mondjesmaat. Ik snap het nog wel, om praktische redenen: mensen uit oorlogsgebieden verdienen voorrang. Maar ook die ‘economische vluchtelingen’ vluchten niet zomaar. Mensen zijn gehecht aan waar ze zijn opgegroeid, aan hun familie, hun vrienden, hun sociale leven. De ouders van Rauand Taleb gingen toen het maar enigszins kon terug naar Irak. Als wij naar andere oorden trekken, dan is dat uit luxe, en we doen het in de luxe wetenschap dat we terug kunnen, voor even, om familie en bekenden weer te zien, of voor altijd.

Arie van Dalen 26.1.2018. Aalten – introductie bij gesprek ‘Kunnen we leren van de oorlog’.

WAAROM SCHRIJF JE ME NIET / WARUM SCHREIBST DU MIR NICHT
Nationaal Onderduikmuseum 26.01/ 21.05.2018
De Nederlands-Duitse uitbreiding van de tentoonstelling is gerealiseerd door de Lotty
Veffer Foundation in samenwerking met het Nationaal Onderduikmuseum en het Zentrum
für Niederlande-Studien Münster en is mogelijk gemaakt door bijdragen van Interreg,
Provincie Gelderland, het vfonds en het Mondriaan Fonds. Zie ook www.pudv.nl.
Voor meer informatie:
www.nationaalonderduikmuseum.nl
Markt 12-14-16 7121 CS Aalten