Gepost op

Overleven op mengsel van bloem en zaagsel

Vera Ljoedino was een van degenen die in de tijd na het beleg aan den lijve de onmenselijkheid van Stalins regime ondervonden. Omdat zij een dagboek had bijgehouden waarin zij niet alleen verslag deed van het heroïsche verzet, maar ook van de gruwelen van het beleg, werd zij naar een werkkamp gestuurd waar haar nieuwe kwellingen wachtten.
 
„In dat dagboek beschreef ik alles wat ik zag: beangstigende honger, bombardementen, de bevroren lichamen van dode mensen die tegen gebouwen waren geplaatst om de indruk te wekken dat de stad werd verdedigd, vrachtwagens vol doden die door de stad reden”, zegt Ljoedino.
 
De stad, die inmiddels Sint-Petersburg heet, herdacht dinsdag het einde van het beleg. Ongetwijfeld doen opnieuw verhalen de ronde over heroïsche verzetsdaden en opofferingen. Maar geleidelijk komt er ook ruimte voor verhalen als die van Ljoedino, over ontberingen en onmenselijkheid.
 
Ljoedino was zeventien toen de Duitse legers de stad in september 1941 omsingelden. Leningrad werd afgesneden van de rest van het land. Het grootste voedselpakhuis, Badajevski, werd gebombardeerd. De hongersnood die volgde zou ongeveer een half miljoen mensen het leven kosten.
 
Het dagelijkse rantsoen bedroeg 125 tot 250 gram brood, een zwart mengsel van bloem en zaagsel. De bevolking verzon van alles om in leven te blijven. Er werd soep gekookt van lijm, leren riemen en aardappelschillen. Thee trok men van dennennaalden, in de hoop enige vitaminen binnen te krijgen. De grond onder het pakhuis Badajevski werd opgegraven omdat er suikerresten in de modder zaten.
 .
Ondertussen deden de militaire censors hun werk. Er mochten geen foto’s van meer dan drie doden worden genomen om de Russen buiten Leningrad niet te ontmoedigen.
 
Ljoedino werd geboren met vergroeide ledematen. Door vooroorlogse operaties zaten haar benen in het gips. Daardoor kon ze weinig anders doen dan uit het raam kijken en opschrijven wat ze zag.
 
Een van haar buren, een zanger, placht zijn hele rantsoen van 200 gram in ??n keer op te eten uit angst dat het gestolen zou worden. Een buurvrouw droeg een zakje op haar borst waarin zij haar rantsoen verborg, uit vrees dat haar dochter of kleinkinderen het zouden stelen. „Die vrouw stierf met het zakje nog op haar borst”, aldus Ljoedino.
 
Er deden zich plunderingen en kannibalisme voor. Van een groot gezin in haar flatgebouw verdwenen een voor een de kinderen. Hun kleren en beenderen werden later gevonden in het appartement van een vioolspelende buurman. Ook het 5-jarige zoontje van de violist verdween.
 
Het gezin van Ljoedino overleefde deels op soep van gelatine, die werd getrokken van leren riemen. „Als je het had gegeten, stond je maag in vuur en vlam en kreeg je grote dorst”, aldus Ljoedino. „Maar de truc was om niets te drinken teneinde het gevoel van bevrediging zo lang mogelijk te laten duren.”
 
Vanwege haar handicap en het gips kon Ljoedino bij luchtalarm niet naar de schuilkelder. Haar vader bleef bij haar en ze verdreven de tijd met schaken. Haar vader stierf in 1942 door voedselgebrek.
 
In februari 1944, een maand na het einde van het beleg, werd zij gearresteerd. Het eerste wat haar ondervragers vroegen was: „Waar is het dagboek?” Ljoedino is ervan overtuigd dat het dagboek, dat enkele dagen daarvoor was verdwenen, de reden was van haar arrestatie. Zij werd veroordeeld wegens anti-Sovjetpropaganda. Zij zou Duitse pamfletten hebben opgepikt, Hitlers ”Mein Kampf” hebben gelezen en hebben gezegd dat zij niet op een kolchoz, een collectieve boerderij, wilde werken. Zij bekende dat zij wellicht ooit had gezegd dat zij niet op een boerderij wilde werken omdat zij dat door haar handicap niet kon. Zij kreeg zes jaar werkkamp in Kazachstan.
 
Ljoedino noemt de gevangenis- en werkkampervaringen zwaarder dan het beleg. „Als je ziet hoe de geheime politie iemand doodschopt, is dat toch iets anders dan mensen zien sterven van de honger.”