Gepost op

Oorlogsdagboek uit Amsterdamse kelder

Met een potloodje schreef zijn vader, die vijf jaar geleden overleed, een schrift vol met zijn belevenissen in en rond de vliegtuigfabriek in Frankfurt waar hij tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter te werk was gesteld.

De winkel met huishoudartikelen van Bruins met bijbehorend woonhuis aan de Amsterdamse Kinkerstraat is familiebezit sinds 1889. De zaak gaat binnenkort sluiten en tijdens een grote opruiming kwam het dagboek tevoorschijn. Ook werden griffeltjes en aluminium speelgoed aangetroffen.

„We wisten wel dat mijn vader in een vliegtuigfabriek heeft gewerkt, maar hij praatte er nooit veel over. Nou ja,” grinnikt Bruins, „op verjaardagen vertelde hij regelmatig dat hij in die fabrieken wel eens belangrijke onderdelen van die vliegtuigen onklaar maakte, zodat er minstens enkele vliegtuigen moeten zijn neergestort. En in de winkel sprak hij soms een paar woorden Russisch met Russische klanten. Maar wat ik nu lees, is een heel ander verhaal.” De Amsterdamse winkelier moet er naar eigen zeggen nog eens een paar avonden voor gaan zitten, want het lezen van zijn vaders handschrift is niet eenvoudig. Maar het beeld dat hij na vluchtige bestudering krijgt, is dat het werk in Frankfurt erg gevaarlijk was. „De kogels en bommen vlogen hem regelmatig om de oren”, zegt Peter Bruins.

„Mijn vader zat altijd vol grappen. Hij was een vrolijke man. Maar aan het einde van zijn leven was hij erg emotioneel en bang voor de dood.” Bruins vraagt zich nu af of de gebeurtenissen uit het dagboek hierop invloed hadden.

Met moeite ontcijfert de Amsterdammer iets van het schrift van zijn vader. Het is maart 1944 als die schrijft over de geallieerde bombardementen op de vliegtuigfabriek. „Ze schieten voortdurend op ons, soms op vijftig meter boven ons hoofd. We duiken zo diep mogelijk met onze neuzen in de aarde. De Amerikanen zitten niet meer ver van ons.”

Het dagboek beschrijft ook de terugkeer naar Nederland. In een auto van de Russen probeert pa Bruins met wat kameraden de rivier de Main over te steken. In de plaats Mainz constateert hij dat „alles is platgeschoten.”

Het gerucht dat Hitler niet meer leeft, doet al snel de ronde. Het dagboek wijdt er enkele passages aan. Tegelijkertijd merkt Bruins dat de Duitsers beginnen te heulen met de Amerikanen, die opmars hebben gemaakt. Hij beschrijft dat er een beeld van Hitler is opgesteld waarop een gasmasker prijkt. „De Duitsers gooien er met stenen naar, terwijl ze er even geleden nog bij salueerden.”

Het winkelpand aan de Kinkerstraat herbergt meer historie. Het is ook de plaats waar Bruins’ grootmoeder lange tijd iedere dag een Joodse vrouw verstopte. Deze ruimte is nog steeds te zien, vertelt Bruins.

Inmiddels heeft het Amsterdamse Verzetsmuseum belangstelling getoond voor het dagboekje. „Ze vroegen of ik het af wilde staan. Daar moet ik nog even over nadenken. Eerst wil ik het zelf helemaal doorlezen en op schrift stellen.”

Bron: www.refdag.nl