Gepost op

Oorlog kan je je hachje kosten

Bij de ingang van het museum van de Prinses Irenebrigade op het
kazerneterrein van legerplaats Oirschot staat Hemmes te praten met een paar
militairen. Vriendelijk schudt hij bekenden de hand. Sommigen omhelst hij zelfs.
?Je zou nog steeds een keer bij ons thuis in Den Haag langskomen.? Het excuus
van de jonge officier dat hij het zo druk heeft, hoort Hemmes glimlachend aan.
Door zijn rustige en spontane voorkomen stelt hij anderen snel op hun gemak.
Hemmes ziet er vitaal uit en aan hem is niet te zien dat hij al 81 jaar is.
?Ach, mijn vrouw zorgt goed voor mij. Ik zal haar de complimenten overbrengen?,
zegt hij ad rem.
Officier Hemmes komt niet over als iemand die snel op zijn strepen staat. Hij is
open en heeft oog voor de maatschappelijke veranderingen. Een gepensioneerde
onderofficier die ge?rriteerd en luidkeels vertelt dat soldaten tegenwoordig toe
staan te kijken terwijl een sergeant materiaal sjouwt, hoort hij glimlachend
aan. ?Nederlanders behoren op het gebied van militaire protocollen niet tot de
besten, maar het zijn wel erg goede soldaten?, stelt hij nuchter en zakelijk.

 
Zonder opsmuk vertelt Hemmes over zijn militaire loopbaan. Dat geldt ook voor
zijn huidige bezigheden. Bijna terloops deelt Hemmes mee dat hij onder anderen
voorzitter is van de Vereniging van Oud-Strijders van de Prinses Irenebrigade,
voorzitter van de Stichting Genootschap Engelandvaarders, voorzitter van de
Stichting Samenwerkend Verzet 1940-1945, maar ook vrijwilliger in een manege om
lichamelijk gehandicapten te helpen bij het paardrijden. Wie is Rudi Hemmes?
 
?Ik ben in 1923 in Harderwijk geboren. Mijn vader was officier en mijn moeder de
dochter van een arts. Drie jaar later zijn ze gescheiden. Ik denk omdat ze niet
bij elkaar pasten. In zo?n geval is dat, denk ik, verstandiger. Mijn moeder nam
mijn zusje en mij mee naar Den Haag, waar ze in 1929 hertrouwde met een
gepensioneerde ambtenaar die in Indi? had gewerkt. In Den Haag groeide ik op en
daar ben ik ook naar de hbs gegaan. Ik was een brave en verlegen jongen.
 
Over het gevaar van Hitler is bij ons op school nooit gesproken, maar al vanaf
de inval in mei 1940 had ik een grote hekel aan de Duitsers. Ik vond het een
schoftenstreek. Ik haatte de Duitsers. Nu, tientallen jaren later, besef ik dat
ik de Duitsers zelf niet haatte, maar het onrecht dat zij anderen aandeden.
Toen de Duitsers in 1940 ons land binnenvielen, ging ik naar de Duitse leraar en
zei hem dat ik niets meer voor zijn vak wilde doen. Hij zei: ?Dan heb je een nul
en krijg je geen diploma. Het is verstandiger om te antwoorden als ik je iets
vraag.? Op het examen zei hij alles voor en kreeg ik een zes.
 
Al van jongs af wilde ik naar de Koninklijke Militaire Academie om officier te
worden, maar door de oorlog kon dat niet. Toen adviseerde mijn moeder me om te
gaan leren voor arts. Ik ging in Utrecht medicijnen studeren. Hier raakte ik ook
wat betrokken bij illegale activiteiten tegen de bezetters. Papiertjes met
leuzen als ?Weg met de Duitsers? en ?Leve de Koningin? op lantaarnpalen plakken,
en dergelijke. Maar dat stelde niet zo veel voor. Het zinde mij niet. Ik wilde
meer doen om de Duitsers het leven zuur te maken.
Samen met mijn vriend Bob, die al van jongs af mijn kameraad was, gingen we
nadenken hoe we in Engeland konden komen, want daar gebeurde het. We hadden in
feite drie mogelijkheden: vliegen, varen of lopen via Zuid-Europa. De eerste
twee opties vielen voor ons af. Daarom maakten we een plan om via Spanje naar
Engeland over te steken.
Wij kenden via onze voetbalclub een maatje in Brussel en een in Parijs. Via hen
hoopten we verder te komen. Ik zei tegen mijn moeder dat we weg zouden gaan. Ik
was toen negentien jaar. Ze deed helemaal niet moeilijk, want ook zij had een
hekel aan de Duitsers. Ze benadrukte dat we voorzichtig moesten zijn en toen
gingen we in mei 1943 op pad.
 
Met de trein reisden we via Breda en Brussel naar Parijs. Wij hadden geen
geldige papieren en daarom gingen we lopend de grenzen over. Van bewoners
hoorden we waar er niet werd gecontroleerd. Je moest geluk hebben, maar
eigenlijk ging het simpel.
 
In Parijs hoorden we dat je naar Zuid-Frankrijk kon als je je daar ging melden
bij Organisation Todt. Dat was een Duitse organisatie die autowegen en
verdedigingswerken aanlegde. Op het Parijse treinstation Gare du Nord werden
daar mensen voor geronseld. We zouden op zich nooit voor de Duitsers willen
werken, maar nu was het nodig om ons doel te bereiken.
In juni 1943 gingen we zuidwaarts naar Nimes. Verschillende keren wilden de
Duitsers onze papieren zien, maar we bluften ze af. Van een Nederlander in
Parijs hadden we de tip gekregen om de moffen brutaal te benaderen. Als ze je
wat vroegen, moest je gewoon een grote mond geven, zodat ze niet door zouden
vragen. Dat lukte.
 
In Zuid-Frankrijk lukte het helaas niet om richting Spanje te komen. Toen
hoorden we van ons vriendje in Parijs dat hij contact had met mensen die ons
over de Pyrenee?n konden brengen. We moesten dan over veertien dagen naar hem
toe komen. Nu het toch nog twee weken zou duren, besloten we om eerst nog even
naar onze familie in Nederland te gaan. We pakten stiekem wat papieren en
stempels en in september 1943 stonden we weer in Den Haag.
 
Na ruim een week gingen we met de trein terug. Vanuit Parijs gingen we naar de
Pyrenee?n. Met een man of twintig trokken we enkele dagen onder leiding van een
gids door de bergen. In Spanje werden we geconfronteerd met een enorme
tegenvaller, want we werden eerst een paar maanden opgesloten. De Spaanse
dictator Franco wilde Hitler niet tegen zich in het harnas jagen en daarom hield
hij mensen uit de door de Duitsers bezette gebieden tegen. Maar in januari 1944
konden we eindelijk naar Engeland.?
?In Londen meldde ik me bij het Nederlandse leger. Ik koos voor de luchtmacht.
Toen ik op het desbetreffende adres aanbelde, ging er een luikje open en vroeg
iemand wat ik kwam doen. Ik zei dat ik voor de keuring kwam, maar zijn reactie
was: ?Een vent met een bril komt er niet in.? Daarna wilde ik bij de mariniers,
maar toen gebeurde hetzelfde. Ik schrok. Ik had inderdaad slechte ogen, maar ik
dacht: ?Ik ben toch niet naar Engeland gekomen om me te laten afkeuren.?
Vervolgens ging ik naar de landmacht. Ook daar was een keuring. Bij de dokter
kwam ik expres zonder bril binnen. Toen hij even niet oplette deed ik even m?n
bril op en leerde de leeskaart snel uit mijn hoofd. De kaart kon ik daarna
opzeggen.
 
Ik werd ingedeeld bij de Prinses Irenebrigade, die in 1941 in Engeland was
opgericht. De bedoeling was dat de brigade uit zo?n 3000 soldaten zou bestaan,
maar we waren slechts met 1200 man. Ik werd opgeleid tot mitrailleurschutter.
Het was een wilde tijd. Gelukkig had ik een meisje in Nederland en de trouw aan
haar heeft mij voor misstappen behoed.
 
Op 6 juni 1944 moesten we de Engelse stranden bewaken. Pas enkele dagen later
begrepen we via een journaal in de bioscoop dat die dag de invasie was begonnen.
Er was een ontzettende geheimhouding. Toen we het nieuws hoorden, vonden we dat
geweldig. Eindelijk was de bevrijding van Europa begonnen.
Zelf werden we op 5 augustus in Londen ingescheept om naar Normandi? te gaan. Ik
landde op 8 augustus op het strand van Arromanches. Dat was fantastisch. Mijn
eerste indruk was: Hieperdepiep, nu ga ik meehelpen West-Europa te bevrijden.
Daarnaast werd ik getroffen door de overweldigende hoeveelheid materieel op het
strand. Zo ver je kon kijken zag je tanks, jeeps en allerlei andere voertuigen.

.De Prinses Irenebrigade moest de stellingen overnemen van de Britse Zesde
Airborne Divisie. Nu werd het menens. Als je voor het eerst onder vuur ligt,
weet je niet waar je het zoeken moet. Je doet het in je broek, want je weet vaak
niet precies waar de vijanden liggen. Zeker niet in Normandi?, waar je allemaal
weiden had met heggetjes eromheen. In Engeland hadden we alles geoefend, maar nu
was het echt.
 
Opvallend was ook de veranderende houding van veel officieren. In Engeland
bemoeiden ze zich weinig met de soldaten, maar nu gedroegen de meesten zich als
een kloek met haar kuikens. Als ze orders gaven, beseften ze dat er doden konden
vallen en daarom handelden ze erg zorgvuldig.
 
Wij hebben in Normandi? Pont Audemer bevrijd. Hoewel we daar niet echt hard
moesten vechten, had de brigade voor het eerst een belangrijke stad veroverd.
Contact met de Franse bevolking hadden we amper. Je moest voortdurend goed
opletten, wachtlopen, vechten en op tijd wegwezen. De oorlog speelde zich af
tussen een boom en een struik. Steeds moest je alert zijn op de vijand. De
eerste doden temperden de euforie over de bevrijding. Oorlog kan je je hachje
kosten.
Een keer moest ik wachtlopen, maar mijn maatje nam het over. Hij werd toen
dodelijk getroffen. Daar had ik dus eigenlijk moeten staan. Eerst dacht ik dat
het toeval was. Maar ik ben door zulke voorvallen tot het standpunt gekomen dat
er sprake is van een zekere voorbeschikking. Als je gelovig bent, weet je dat
alles is voorbeschikt, maar ik ben niet kerkelijk opgevoed. Toch ben ik er nu
van overtuigd dat er meer is tussen hemel en aarde. Het is iets waarvan ik niet
weet hoe ik het moet noemen. Iets wat ons leven bepaalt en waar ik grote
bewondering voor heb. Ik noem dat iets, maar anderen noemen dat waarschijnlijk
God.
De Prinses Irenebrigade trok in hoog tempo met de geallieerde legers mee van
Frankrijk naar Belgi?. De mensen stonden op straat te juichen, maar wij moesten
verder. Via Brussel gingen we naar Beeringen, om een brug bij het Prins
Albertkanaal te beschermen. Daar maakte ik ook de ergste gebeurtenis mee.
Kameraden in een ander rupsvoertuig waren dodelijk getroffen door een Duitse
granaat. Dit projectiel had hun lichamen helemaal verminkt. Toen ik ?s nachts
wacht moest lopen, was ik mijn bril kwijt. Het was aardedonker. Ik ging zoeken
en kwam in de kamer terecht waar mijn gesneuvelde kameraden lagen. Het was
aardedonker en ik moest op de tast verder. Ik kroop op handen en voeten over die
lichamen heen. Het was verschrikkelijk, want ik kon de deur niet vinden. Jaren
later werd ik soms nog gillend wakker.

Na Beeringen gingen we richting Nederland. Wij werden ingedeeld bij de eerste
troepen die direct na de tanks de grens ten zuiden van Valkenswaard over zouden
gaan. Dat was op 21 september 1944 om 00.30 uur. Dat was een heel emotioneel
moment. De bevrijding was voor mij het hoogtepunt in de oorlog.
 
Daarna kwam de tegenvaller. De mensen op straat vroegen ons in het Engels of wij
sigaretten en chocolade hadden. Wij zeiden dat we Nederlanders waren. Hun
reactie was: ?Oh, zijn jullie Hollanders?, en vervolgens dropen ze teleurgesteld
af. Amerikanen en Engelsen waren veel interessanter.
In Nederland hebben we op verschillende plaatsen gevochten. Bij Tilburg hebben
we de Duitsers verdreven. Toch trokken de Schotse troepen als eersten de stad
in. Dat vonden wij niks, maar we visten achter het net. ?s Winters zaten wij in
Zeeland en in het voorjaar gingen we weer naar Brabant.
Uiteindelijk heeft de brigade in Hedel, in de Bommelerwaard, het hardst moeten
vechten. Dat was in april 1945, toen Zaltbommel moest worden bevrijd. Twaalf man
van de brigade zijn daar gesneuveld. Als dank voor onze inzet mocht de Prinses
Irenebrigade op 8 mei 1945 als eerste Den Haag binnentrekken. Ik was daar niet
bij, want ik was inmiddels weer naar Engeland gegaan om een officiersopleiding
te volgen.?

Na de oorlog kwam Hemmes bij de luchtmacht, waar hij opklom tot
generaal-majoor. In 1978 ging hij met pensioen. Hij woont nog steeds in Den
Haag. Na zijn scheiding in 1974 is hij hertrouwd. Hij heeft drie zonen uit zijn
eerste huwelijk, terwijl zijn tweede vrouw twee dochters heeft.

De Prinses Irenebrigade werd na de oorlog opgeheven, maar de kameraden van
toen komen nog regelmatig bijeen. ?Als je met elkaar onder vuur hebt gelegen,
geeft dat een heel bijzondere band. Je helpt elkaar, je wilt elkaar niet kwijt.
Dat gevoel ervaar je op onze re?nies?, zegt voorzitter Hemmes van de vereniging
van oud-strijders.

In zijn boeken over de Tweede Wereldoorlog is dr. Lou de Jong erg negatief
over de Prinses Irenebrigade.

De evenwichtige Hemmes reageert op deze vraag ineens scherp: ?Dat zijn
misselijke opmerkingen van De Jong. Hij heeft gemakkelijk praten. Hij zat veilig
in Londen en zocht daar een baantje. Ik ben over zijn kritiek uiterst gebelgd.
In het begin liep het niet goed bij de brigade, maar later wel. Hij baseert zijn
mening op de eerste jaren na de oprichting in 1941. Toen was het moreel laag en
was het een bijeengeraapt zooitje. Daarna is er flink geoefend en zijn er
Engelandvaarders bij gekomen, waardoor de houding veranderde.

Gelukkig wordt de mening van De Jong niet breed gedeeld. Onze brigade heeft
goed gevochten. Wij hebben al onze opdrachten heel goed uitgevoerd. Van alle
geallieerde commandanten hebben wij voor de wijze waarop we hebben gewerkt een
bedankje gekregen.?

Wat is uw mening over Nederlandse soldaten?
?Ze blinken niet uit in parades en andere offici?le evenementen, maar als er
moet worden gevochten zijn Hollanders uitstekende militairen. Dat geldt nog
steeds. Ze nemen initiatief en ze voelen aan wat de commandant wil.

Maar in Nederland wordt defensie niet zo gewaardeerd. Dat is volstrekt
onterecht. Investeren in het leger is juist nodig om een oorlog te voorkomen.
Tegen een pacifistische vriend zei ik eens: ?Jij pr??t alleen over vrede, ik doe
er tenminste wat aan.?

In de oorlog zijn 44 van de 1200 soldaten van de Prinses Irenebrigade
gesneuveld. Dat zijn er relatief weinig, maar ze gaven hun leven wel voor de
vrijheid. Dat moet je niet onderschatten. Vechten voor je vrijheid is uiterst
belangrijk. Moet je bijvoorbeeld eens op het oorlogskerkhof in Margraten komen
en zien hoeveel Amerikanen daar liggen. En dat voor een ander werelddeel. Wij
moeten hen daar altijd dankbaar voor zijn.

Daarom vind ik de reactie van velen in Nederland op de onlangs gesneuvelde
sergeant in Irak hypocriet. Zij gaan gelijk praten over terugtrekking.
Natuurlijk is een dode erg, maar ze zitten daar met het doel om de vrede te
handhaven en dan mag je niet zomaar weg gaan. Nederland moet wachten tot dat
doel is bereikt.?

De brigade is genoemd naar prinses Irene. Zij houdt er nogal pacifistische
opvattingen op na. Klikt dat met jullie?
?Haar ouders en koningin Wilhelmina hebben de brigade Irene, dat vrede betekent,
genoemd. Zelf was ze toen twee jaar. Wij begrijpen dat ze vanwege haar
pacifistische idee?n moeite met het leger heeft. Daarom zijn we terughoudend met
allerlei uitnodigingen. Maar als er echt iets aan de hand is, verloochent ze
haar binding met ons niet. Toen de brigade in 2001 zestig jaar bestond, was ze
erbij. Wij kunnen het uitstekend met elkaar vinden.?

Vindt u al die herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog belangrijk?
?Ja. Mijn generatie heeft tegen haar kinderen nooit veel over de oorlog verteld.
Er moest worden gewerkt. Inmiddels is dat gelukkig veranderd. Het nut van die
herdenkingen is dat mensen zich realiseren wat er allemaal is gebeurd. Dat mogen
we niet vergeten. Van mij mogen er ook Duitsers bij zijn. Zij zijn immers
bevrijd van het nazisme. De Duitsers van toen waren onze vijanden, maar de
Duitsers van nu zijn degenen waar we het Europa van de toekomst mee moeten
opbouwen.?

Zondag is de offici?le herdenking van D-day in Normani?. Alle staatslieden van
de landen die bij de invasie waren betrokken, zijn erbij. Koningin Beatrix is er
ook. Voor Hemmes staat er iets bijzonders op het programma. Als
vertegenwoordiger van de Nederlandse oud-strijders wordt hij samen met veertien
voormalige militairen uit andere landen door de Franse president Chirac
onderscheiden. De oud-officier wordt ridder in het Legioen van Eer.
Hemmes ziet dat als een duidelijke waardering voor de inzet van de brigade.
?Koningin Wilhelmina en de regering waren trots dat een Nederlands onderdeel
meedeed aan de bevrijding. Wij hadden weliswaar een heel kleine rol, maar we
waren er wel bij.?

Bron: Reformatorisch Dagblad