Gepost op

Onderaards Berlijn

Onder de bezoekers zijn op het eerste gezicht geen neonazi’s. Toen de vereniging begin jaren negentig de eerste schuilkelders en onderaardse bunkers openstelde, vreesde menigeen dat het bedevaartsoorden voor neonazi’s zouden worden. „Men noemde ons ”Bunkerküsser” of ”Betonromantiker”. Daar zijn de critici op teruggekomen. De voormalige Duitse president Köhler heeft zich er zelfs laten rondleiden”, vertelt een gids.

De vereniging ziet het bezoekersaantal snel toenemen. In 2000 waren het er nog maar 2000, vorig jaar ruim 82.000. „Wij tonen het andere Berlijn. Toeristen gaan eerst naar de Rijksdag, de Brandenburger Tor en het Museumeiland. Daarna komen ze naar ons toe.”

Op persoonlijk bevel van Adolf Hitler werd Berlijn nog voor het begin van de Tweede Wereldoorlog voorzien van gigantische bunkers. De schuilplaatsen met metersdikke muren van gewapend beton moesten de inwoners van de hoofdstad bescherming bieden tegen bombardementen van de geallieerden, maar deden dat lang niet altijd. Tussen de 11.000 en de 50.000 burgers lieten het leven, ondanks al het gewapende beton. Anderhalf miljoen mensen raakten dakloos.

Aan het begin van de oorlog brachten de burgers van Berlijn -met name vrouwen en kinderen- af en toe een paar minuten in de onderaardse kamers door. Maar naarmate de oorlogsjaren verstreken en de bombardementen intensiever werden, werden de minuten uren en de uren dagen.

Men leefde er, men sliep er en men ging er naar het toilet. „In 1936 bestonden er al chemische toiletten”, aldus de gids, en wijst naar de tien closetpotten op een rij. In de bunker worden de toiletten aangegeven met ”Männer- und Frauenabort”. Heren- en vrouwentoilet. „Dat heeft niets met abortus te maken”, legt de gids uit. „Wc komt uit het Engels en toilet is een Frans woord. De nazi’s wilden daar niet aan. Ze wilden per se een Duits woord gebruiken.”

De met fosforescerende verf beschilderde muren zorgden ervoor dat de mensen toch nog iets konden zien als de stroom als gevolg van de bombardementen uitviel. De medewerker van Berliner Unterwelten doet het licht uit om te demonstreren dat de verf zelfs na zestig jaar nog altijd zijn werk doet in het donker.

Onbewust gaan de gedachten naar de aantekeningen van een Berlijnse vrouw die van april tot juni 1945 een dagboek bijhield. „Nog meer treden naar beneden, drempels en gangen. Eindelijk, achter een loodzware, met grendels afsluitbare, met rubber omrande ijzeren deur onze kelder. Officieel schuilkelder geheten. Door ons hol, onderwereld, angstcatacombe of massagraf genoemd.”

En verderop: „Middernacht. Geen stroom. Aan de balk boven me walmt de petroleumlamp. Buiten een zwaar gebrom, aanzwellend. De doekjestic treedt in werking. Iedereen bindt het klaarliggende doekje om neus en mond. Een sprookjesachtige Turkse harem, een verzameling halfgesluierde dodenmaskers. Alleen de ogen leven.”

Toch was er ook humor, aldus de gids. „Als men de bunker verliet, zei men niet ”Auf Wiedersehen”, tot ziens, maar ”Bleiben Sie übrig”, blijft u over.” Zoiets heet zwarte humor, zoals alles zwart was in die dagen.

De gids is klaar en loopt de lange trap op naar boven, het daglicht tegemoet.
bron: www.reformatorischdagblad.nl