Gepost op

Loopgraaf gevolg van totaliteitsdenken

In het ultramoderne Th?âtre des Champs-Elys?es aan de Avenue Montaigne in Parijs vindt op donderavond 29 mei 1913 de première plaats van Igor Stravinsky’s ballet ”Le Sacre du Printemps”. In de zwaar geparfumeerde zaal, tegen de achtergrond van het zwart-wit van de rokkostuums en het purperkleurige pluche van het theaterinterieur, wordt deze ultramoderne dansofferande uitgevoerd. Stravinsky beeldt in dit ballet een heidens ritueel uit waarin een tot offer uitverkoren maagd zichzelf dood danst. De thema’s van deze dansofferande van de Sacre zijn geboorte, lente en dood, eros en thanatos (doodsdrift), kortom de meest fundamentele ervaringen van alles wat leeft. Leven en dood worden getoond zonder duidelijk ethisch commentaar, zonder enige moraliteit. Om het slachtoffer wordt niet gerouwd, het wordt geëerd. De maagd onderwerpt zich aan een lot dat van hogere orde is.
 
De muziek van de Sacre wordt als schokkend ervaren. Versiering ontbreekt, hier en daar wat korte melodische motieven geënt op Russische volksliedjes, maar verder houdt de muziek geen rekening met de negentiende-eeuwse traditie. Wetten van harmonie en ritmiek lijken te worden overtreden.
 
De première veroorzaakt een der grootste schandalen uit de Parijse muziekgeschiedenis. Over de première schrijft een toneelcriticus van de New York Press dat al direct na het inzetten van de droefgeestige klarinet het gesis en geschreeuw begint: „Al na de eerste maten barstte er een fluitconcert los, daarna volgde een hoop geschreeuw, dat weer teniet werd gedaan door het daarop volgende applaus. (…) Zo’n veertig protesterenden werden uit de zaal verwijderd, maar dat maakte geen einde aan de beroering. Men had alle lichten in de zaal aangedaan, maar het lawaai duurde onverminderd voort en ik weet nog hoe mademoiselle Piltz (de uitverkoren maagd) haar vreemde dans van religieuze hysterie volbracht op een toneel dat werd verduisterd door de felle lichten in de zaal, ogenschijnlijk begeleid door het onsamenhangend geraaskal van een menigte boze mannen en vrouwen.” Ooggetuigen zijn nogal tegenstrijdig, maar de chaos lijkt in de concertzaal compleet. Toeschouwers slaan hun parasols op elkaars hoofden kapot en dames vallen in de loge flauw. Een recensent schrijft over een ”Massacre” in plaats van over de Sacre.
 
Tijdgeest
 
Eksteins begint zijn boek (oorspronkelijke titel ”Rites of Spring” (1990)) over de Eerste Wereldoorlog met een uitvoerige beschrijving van deze dansofferande. Dit past uitstekend in het concept van het boek. De auteur probeert de betekenis van de Eerste Wereldoorlog duidelijk te maken door zich te verdiepen in de belangen en gevoelens die ermee samenhingen, in de meer algemene termen van de cultuurgeschiedenis. Het is dus een onderzoek naar de tijdgeest, waarbij muziek, ballet, kerkhoven, zeden en gedragingen, gebruiken en waarden aan de orde moeten komen. De Sacre ziet Eksteins als het startschot van het modernisme: „Het modernisme was v??r alles een cultuur van het opzienbarende gebeuren, waardoor de kunst en het leven een kwestie van energie worden en als zodanig samensmelten.”

In het ballet zijn dood en leven volstrekt met elkaar verweven. Toeschouwers zijn participanten geworden. De dansers van de Sacre dansen op het lawaai dat door het publiek wordt gemaakt. Eksteins noemt dit veelzeggend. Het publiek maakt evenzeer deel uit van deze voorstelling als het ”corps de ballet”. Eksteins probeert aan te geven dat in de twintigste eeuw in toenemende mate mensen meedansen op het ritme van de spraakmakende cultuur. Voortdurend benadrukt hij de totaliteitsgedachte, het ”Gesamtkunstwerk”. Stravinsky beoogt een allesomvattend ballet tot stand te brengen, van de oosterse en de westerse wereld, van het moderne en het feodale, van decadentie en barbarisme enzovoort. Daarmee is de Sacre ook het werk van het nihilisme, een dionysische orgie waar Nietzsche van droomde en die was opgeroepen door zijn profetische wens de inspiratiebron te zijn voor een wereld die de dood in razend tempo tegemoet snelde.
 
Op meesterlijke wijze weet Eksteins deze culturele ontwikkelingen te plaatsen tegen de achtergrond van de Eerste Wereldoorlog. Zo ziet hij de ontwikkelingen die leiden tot deze afschuwelijke oorlog als een samengaan van genomen stappen door politici en strategen -plannen à la Von Schlieffen en Moltke- en de rol van de ’toeschouwers’. De massa’s gaan aan de vooravond van de oorlog de straat op. In Berlijn bijvoorbeeld is het enthousiasme van het publiek over de ingezette koers zo groot, dat we moeten beseffen dat de gedenkwaardige beslissingen van de laatste dagen voor het uitbreken van de oorlog genomen zijn tegen de achtergrond van geestdriftige menigten. Geen enkele politicus zou nog in staat geweest zijn de massale roep om actie te kunnen weerstaan. De Duitsers zijn ??n, alle onderscheid is weggevallen. De korte speech van keizer Wilhelm II op zaterdag 1 augustus 1914 wordt begroet met gejuich en gezang en het traditionele strijdlied van de protestanten, ”Ein’ feste Burg ist unser Gott”.
 
Totaliteitsgedachte

Op zondagochtend om 11.30 uur vindt in de openlucht een oecumenische (!) kerkdienst plaats bij het monument van Bismarck, voor het gebouw van de Rijksdag. De dienst wordt geleid door de keizerlijke predikant Döhring, die voor de gelegenheid de tekst: „Trouw tot in de dood” heeft gekozen. Volgens Döhring wordt de Duitsers de oorlog opgedrongen. De dienst eindigt met het lied uit de vierde eeuw: ”Grosser Gott, wir loben dich”. Protestant en katholiek worden weer ??n!
 
De Eerste Wereldoorlog blijkt een gruwelijke uitputtingsoorlog te worden. Dood en leven staan naast elkaar, worden volstrekt met elkaar verweven. Een oorlog die „fris en vrolijk” start, ontpopt zich tot een veelkoppig monster. Eksteins weet veel gruwelijke details op te diepen. De volstrekt ontspoorde loopgravenoorlog heeft een lucht van ontbinding om zich. Ledematen en rompen worden door voortdurende bombardementen omhoog geslingerd. Mannen die loopgraven graven of repareren, stuiten herhaaldelijk op lichamen in alle stadia van ontbinding en verminking. Er komen gedeelten van lichamen in zandzakken terecht. Als die openbarsten, komt de inhoud soms op een zo walgelijke manier naar buiten dat er maar ??n remedie is tegen de hysterie, namelijk zwarte humor. Eksteins: „Bij Ieper moesten de manschappen die werden afgelost op zeker ogenblik langs een arm die uit de wand van de loopgraaf stak. Ze gaven hem allemaal een hand: „Nou, dag Jack.” De mannen die hen kwamen aflossen deden bij aankomst hetzelfde: „Hallo, Jack.””
 
In deze uitputtingsoorlog ontwaart Eksteins alweer de totaliteitsgedachte. Zo’n oorlog is slechts een uitloper van een manier van denken. Deze maakt het noodzakelijk dat in toenemende mate het verschil tussen burger en militair verdween en veroorzaakt een samengaan van doodsverachting en verheerlijking van het leven.
 
Verplichte kost
 
Na de Eerste Wereldoorlog ziet Eksteins dit fenomeen voortgezet in het spraakmakende waagstuk van Lindbergh. In 1927 viel hem plotselinge en legendarische roem ten deel toen hij als eerste met een vliegtuig de Atlantische Oceaan overstak. Eksteins ziet dit nadrukkelijk als een exponent van de tijdgeest. Dit staaltje van Lindbergh getuigt van doodsverachting, maar tegelijkertijd van de kracht van de mens om het leven vorm te geven. In deze op zichzelf ook weer niet zo belangrijke gebeurtenis zien we dat een gevoelige snaar van de westerse wereld geraakt wordt. Lindbergh wordt letterlijk verheerlijkt en aanbeden. Eksteins boort echter ook in deze gebeurtenis een diepere laag aan. „Als we verder kijken dan die allereerste opwinding zien we een motief dat steeds weer opduikt – in Lindberghs reisbeschrijving, in het taalgebruik van verslaggevers en commentatoren, en in de gebeurtenissen die Lindberghs verovering van Europa omlijstten; een motief dat in die tijd door niemand uitvoerig besproken is, maar dat als een zwarte draad door het culturele landschap loopt. De oorlog.”
 
Bij de nazi’s komen we hetzelfde spel tussen dood en leven tegen. Enerzijds de rassentheorieën, waarbij het leven verheerlijkt wordt en het arische ras op een voetstuk staat. Anderzijds ook de thanatos, de doodsdrift, vooral gesymboliseerd in de SS en de uiteindelijke moord op miljoenen joden.
 
Natuurlijk valt op het boek van Eksteins af te dingen. Het bevat enkele storende slordigheden, vooral met jaartallen. Bovendien bekruipt me het gevoel dat hij de feiten in zijn eigen denkraam past. Een euvel waaraan overigens meer historici mank gaan. Maar bewondering overheerst bij mij. Eksteins durft het aan om geen platte reconstructies te maken van „wie es eigentlich gewesen ist.” Hij hanteert niet het pistool van juiste argument. In zijn opvatting ligt de waarheid in het culturele, het verstaan van de tijdgeest. Dat vereist empathie. Echte empathie is pas dan mogelijk als alle feiten op een rij staan en echt beheerst worden. Eksteins schrijft in zijn uitleiding dat dit werk hem zeer veel energie en tijd gekost heeft. Begrijpelijk. Het resultaat mag er zijn. Wat mij betreft zou dit verplichte kost moeten zijn voor historici en theologen.
 
Eksteins bouwt zijn verhaal met gevoel voor theater op als een toneelstuk, een balletuitvoering, langs drie akten. Hij eindigt zijn ”Lenteriten” met een geliefd Duits liedje uit 1945: ”Es ist ein Frühling ohne Ende”. De ondertoon mag duidelijk zijn: deze lente is evenals de lente uit de Sacre onlosmakelijk verbonden met de dood. En we weten dat. Het vooruitgangsdenken van de twintigste eeuw is voos, heeft een dodelijke dimensie. Het toneel wordt werkelijkheid. We zien het om ons heen gebeuren.