Gepost op

‘Ineens had ik vijftig broertjes en zusjes’

Lotgenoten
Na de oorlog was er voor de belevenissen van deze onbekende kinderen geen aandacht. Ze groeiden op bij getraumatiseerde ouders, in pleeggezinnen of in Joodse kindertehuizen. Veel kinderen waren nog te jong om zich hun ervaringen goed te herinneren. De meeste onbekende kinderen wisten tot voor kort niets van hun eigen oorlogsgeschiedenis. Waarom zij de oorlog hadden overleefd, was hen een raadsel. Ze kenden hun lotgenoten niet en vonden weinig begrip. Het duurde tot 1991 voordat journaliste Daphne Meijer de kinderen opspoorde en interviewde. Twee jaar later publiceerde ze een artikel in de Groene Amsterdammer over de jongste generatie overlevenden van de Shoah (jodenvervolging).

Pas vorig jaar kwam de groep onbekende kinderen voor het eerst bij elkaar en werd de Stichting ‘Onbekende Kinderen 13 september 1944’ opgericht. Inmiddels zijn van de vijftig kinderen van toen bijna veertig personen opgespoord, onder meer via van het tv-programma Vermist.

Tyfusepidemie
De meeste betrokkenen zijn erg blij met de kans elkaar te ontmoeten en ervaringen uit te wisselen. Sommige onbekende kinderen wonen nu in het buitenland. E?n van hen is de zestigjarige Bert Hamburger uit Jeruzalem. Als vierjarig kind zat hij samen met zijn negen maanden oude zusje in het weeshuis van kamp Westerbork. Zijn vader was officier in krijgsgevangenschap, zijn moeder zat elders in het land ondergedoken. Hij herinnert zich slechts flitsen uit die tijd.

,,Er heerste een tyfusepidemie in het kamp. Iedereen lag ziek op bed, ook mijn kleine zusje. Tijdens de treinreis naar Bergen-Belsen was er nauwelijks iets te eten en te drinken. Dat was te veel voor het kleine meisje; ze stierf onderweg. De hele reis duurde in totaal vier dagen en drie nachten. Toen we in Bergen-Belsen aankwamen, werden we in het weeshuis apart verzorgd, omdat we allemaal tyfus hadden. De Duitsers waren doodsbang dat ze ook tyfus zouden krijgen. Veel kinderen stierven in het kamp, of werden vergast in Auschwitz. Van de periode dat we bevrijd werden door de Russen, kan ik me niks meer herinneren”, vertelt Hamburger.

Pleeggezin
Na de oorlog werd Hamburger ondergebracht in een pleeggezin in Frankrijk, omdat zijn ouders nog niet gevonden waren. Toen bekend werd dat zij de oorlog hadden overleefd, werd hij teruggevlogen naar Nederland, waar hij hen weer ontmoette. Pas toen Hamburger veertig jaar werd, ging hij op zoek naar zijn oorlogsherinneringen.

,,Ik had als het ware een gat in mijn verleden. Ik miste de periode tussen mijn vierde en achtste levensjaar. Daarom plaatste ik een oproep in een Joods blad, waarin ik vroeg: Wie heeft er in en na de oorlog voor mij gezorgd? Tot mijn stomme verbazing kreeg ik antwoord van de twee dochters van mijn pleegmoeder Kaplan uit Frankrijk. Ze waren bijna boos op me, dat ik niet eerder contact had proberen te zoeken. ,,Onze moeder had het altijd over je. Ze beschouwde je als een zoon”, vertelden ze. Helaas heb ik mevrouw Kaplan niet meer kunnen ontmoeten, ze was al gestorven.”

Puzzelstukjes
Achteraf is Hamburger blij dat hij op zoek is gegaan naar zijn oorlogsverleden. Doordat hij ontdekte wie hij als klein jongetje was, werd het zoeken naar zijn eigen identiteit iets makkelijker. ,,Ik heb de periode tussen mijn vierde en zesde levensjaar niet als veilig kunnen ervaren. Terwijl deze periode juist zo belangrijk is voor je gevoel van eigenwaarde en veiligheid. Daardoor miste ik als volwassene dit fundamentele gevoel van veilig zijn. Ik zag de wereld lange tijd als vijandig en gevaarlijk.”

Nadat Hamburger vorig jaar in contact kwam met de stichting Onbekende Kinderen, vielen de onbekende puzzelstukjes van zijn jeugd op hun plaats. Ineens kreeg hij er vijftig onbekende broertjes en zusjes bij. ,,Je herkent zo veel gemeenschappelijke emoties bij elkaar, het is alsof je in een warm bad terechtkomt. Je voelt dat je dezelfde gedeelde geschiedenis hebt.”Nog steeds heeft de zestiger het moeilijk met zijn oorlogsverleden. ,,Ik kan bijvoorbeeld niet in de rij staan in een overvol restaurant. We hebben in het kamp te vaak moeten wachten op eten. Die beelden blijven me achtervolgen.”

Hamburger is erg blij met het werk dat Daphne Meijer verzet heeft voor het boek en de tentoonstelling ‘Onbekende Kinderen’. ,,Haar boek duwt ons met de neus op de feiten; het blijft bijzonder, dat wij als groep onbekende kinderen de oorlog overleefd hebben.” De Amsterdamse onderzoekster ziet het boek als de afronding van al het journalistieke werk dat ze verzet heeft. ,,De tragiek van de onbekende kinderen blijft doorgaan totdat de laatste tien opgespoord zijn.”

©Nederlands Dagblad