Gepost op

‘Hoongelach om Irene Brigade onterecht’

De wind ruist langs de Maas bij Hedel. Treinen daveren om het kwartier over de spoorbrug en boten tuffen op en neer over de rivier. Het is hier, vlakbij het haventje achter dorpshuis Gelre’s End, dat de Bossche amateur-historicus Luc van Gent zijn gehoor – (oud)leden van de Lions Club uit Den Bosch – tijdens een battlefield-tour bijpraat over de oorlogswederwaardigheden van de Prinses Irene Brigade. Bijna zestig jaar na dato roert Van Gent in deze voor de Brigade zo onverkwikkelijke periode, onder meer met zijn publicatie ‘Een nader onderzoek, De nutteloze strijd om de Bommelerwaard 23-24-25 april 1945’.

De Prinses Irene Brigade is op 11 januari 1941 in Engeland opgericht en getraind, doet in augustus 1944 mee aan de landing bij Normandië en rukt met de geallieerden mee op richting Bommelerwaard. De Brigade bestaat dan uit Nederlanders die afkomstig zijn uit bijvoorbeeld Amerika, Canada en Argentinië. Ook Engelandvaarders zitten er bij, en veel Joodse jongens. Volgens Luc van Gent variëren ze in leeftijd van jong tot oud. Dit bonte geheel is weliswaar getraind, maar enige echte oorlogservaring hebben ze niet. Dat gezelschap – zo’n 1200 man groot – belandt eind april 1945 samen met de Engelsen bij Vlijmen en Den Bosch.

Bezet Nederland lijdt honger, en stemmen gaan op om snel tot actie over te gaan omdat anders ‘alleen nog maar doden bevrijd kunnen worden’. Al in oktober 1944 heeft ondere andere koningin Wilhelmina de dreigende hongersnood al voorgelegd aan de Britse minister-president Churchill en Amerikaanse president Roosevelt; die zijn bereid actie te ondernemen, maar op het uur ‘U’ krijgt de opmars naar Berlijn voorrang op het voorkomen van de hongerdood. Van Gent zegt dat tegen deze achtergrond de Irene Brigade bij de Maas aanbelandt.

Zo tegen het eind van de oorlog stemt de hoogste Duitse autoriteit in Nederland, Dr. Seyss Inquart, ermee in dat de bezette Randstad ongehinderd van voedseltransporten voorzien wordt. Zijn uitdrukkelijke voorwaarde is dat de geallieerden geen enkele aanval op West-Nederland uitvoeren. Daar stemt veldmaarschalk Montgomery mee in. "Wij gingen grif akkoord om van deze gunstige gelegenheid een voordelig gebruik te maken en het transport van voedsel, medische middelen en andere goederen die nodig waren, werd meteen in gang gezet", zoals hij later in zijn boek ‘Normandy to the Baltic’ schrijft. Om de voedselaanvoer goed te kunnen regelen – via het Reliefplan – richtte Montgomery een aparte organisatie op. De leiding over dit zogenoemde The Netherlands District krijgt de Britse Major-General A. Galloway. Op zondag 22 april 1945 kondigt Montgomery, zoals ook Van Gent in zijn boek aanhaalt, een algeheel aanvalsverbod af. Van Gent is er van overtuigd dat deze Galloway op de hoogte geweest moet zijn van wat er voor het Hedelse gebied militair te gebeuren stond. "De rol van Galloway is veel belangrijker dan ik ooit had gedacht."

Wat vanwege Montgomery’s decreet militair feitelijk niet had kunnen of mogen gebeuren, geschiedt toch. Van Gent houdt het op miscommunicatie en denkt dat zuidelijk van de Maas het verbod van de Veldmaarschalk niet op tijd is aangekomen. Daar zit de Irene Brigade met zo’n 360 parate militairen onder commando van luitenant-kolonel De Ruyter van Steveninck ter hoogte van Fort Crèvecoeur. Verderop, aan de Maas tegenover Alem, ligt het 30ste Bataljon van de Engelse Royal Marines dat wordt geleid door Brigadier C. Philips. Volgens Van Gent denkt deze Philips pelotons rekruten van zijn bataljon – "groentjes die in februari in Bergen op Zoom hun opleiding hadden gekregen" – te kunnen inzetten omdat in de Bommelerwaard toch amper een Duitse soldaat meer te bekennen is. De vijand zou zijn gaan lopen vanwege de tyfus die er heerst, maar geallieerde verkenners hebben niet goed gekeken. De Irene Brigade staat in die tijd onder commando van deze Philips. Van Gent meent dat de Engelse militair de Bommelerwaard als proefgebied ziet waar zijn mannen zonder frontervaring hun test van bekwaamheid kunnen afleggen. Hoewel hij het niet keihard bewijst ("Ik heb alleen formele stukken uit Engeland gekregen"), vermoedt Van Gent dat Philips het initiatief heeft genomen om de Bommelerwaard in te trekken. Hij zou de Irene Brigade ertoe bewogen hebben mee te doen aan het volgende aanvalsplan: de Irene Brigade steekt bij Hedel de Maas over, consolideert het gebied en trekt op richting Kerkdriel; de Engelsen doen hetzelfde bij Alem, gaan ook naar Kerkdriel en vormen samen met de Nederlanders een bruggenhoofd dat als opstap dient om verder noordwaarts te trekken.

Van Gent schetst dat de Irene Brigade ook wel om wat actie verlegen zit, omdat haar bijdrage aan de bevrijding tot dan toe weinig opmerkelijk is geweest. De troepen hebben zich in afwachting van een oorlogshandeling volgens Van Gent behoorlijk verveeld. De amateurhistoricus heeft in zijn boek een nooit eerder gepubliceerde brief opgenomen waarin Prins Bernhard op 6 april 1945 ‘secret and personal’ het woord richt tot zijn vriend sir Francis de Guignand, stafchef van Montgomery’s 21ste Legergroep. Volgens de Prins was het moreel van de Brigade flink gedaald omdat ze niet mag meedoen aan de echte bevrijdingshandelingen in eigen land. Mede omdat westelijk Nederland schreeuwt om (voedsel)hulp, mede ook omdat de Irene Brigade onderhand iets concreets wil doen: het voorstel van Brigadier Philips om de oversteek te maken, valt in goede aarde. De Bommelerwaard gaat kennismaken met Operatie Orange, op zondag 22 april om middernacht 24.00 uur. Montgomery’s verbod ten spijt.

De Irene Brigade steekt ‘s nachts de Maas over. Piet Versteegh uit Kerkdriel heeft van een direct betrokkene gehoord dat dit erg soepeltjes verlopen is. "Militairen die hier in Hedel aankwamen, troffen direct op de hoek ginds een kapperszaak aan. Sommigen gingen er binnen om zich te laten scheren." Om 11.00 uur maandag 23 april gaan twee patrouilles richting Velddriel en Kerkdriel. Van Gent, staand op de hoek Stationsweg/Maasdijk: "Tot aan het spoor hier ging het goed maar daarna kwamen de patrouilles, die bestonden uit tweemaal vier man, slechts driehonderd meter ver. In enkele dijkhuisjes daar zaten Duitsers die de Nederlanders onder vuur nemen. Het bruggenhoofd met de Engelsen komt niet tot stand." Het is volgens Van Gent onervarenheid geweest dat verkenningsploegen van de Brigade verzuimd hebben ook eens oostelijk van het kapotgeschoten Hedel te zoeken naar de aanwezigheid van de vijand.

Bij Alem staat het er rond die tijd bij de Royal Marines evenmin florissant voor. "Alles gaat goed", meldt het dagboek van de Engelsen om 05.15 uur over de oversteek naar Kerkdriel. Zeven uur later is de hel losgebroken en stuiten de mariniers op zware tegenstand. Tussen 25 en 45 soldaten worden rond 15.00 uur vermist. Diezelfde middag blaast de Royal Marines de aftocht en krijgt de Irene Brigade het advies vooral Hedel toch vast te houden. Om 18.00 uur die maandag zijn er bij Hedel bij de Duiters acht doden, vijf gewonden en zes krijgsgevangenen. De Irene Brigade heeft dan twee doden en zes gewonden. Het aantal zal de dagen daarna oplopen tot twaalf doden en dertig gewonden. De tweede dag verloopt relatief rustig (naar later blijkt omdat de Duitsers eenheden vanuit Tiel naar de Maas afvaardigen), maar woensdag 23 april 1945 is het gedaan met de rust. Nederlandse rekruten, ‘met weinig oorlogservaring’ zoals in overleveringen wordt gemeld, komen onder vuur te liggen van mortieren, artillerie en mitrailleurs.

Het is volgens Van Gent niet te wijten aan standvastigheid van de Irene Brigade dat Hedel wordt opgegeven. Zij is op dat moment zelfs aan de winnende hand en voelt er zelf helemaal niet voor om naar Brabant terug te keren. Ze wacht op steun van het 28ste Bataljon Royal Marines dat vanuit Vlijmen zou oprukken, maar die hulp blijft uit. Het is door ingrijpen van Montgomery hoogstpersoonlijk dat de Brigade de strijd moet opgeven. De gevechten brengen namelijk de voedseltransporten in gevaar. Om zeker te zijn dat de gevechten rond Hedel zouden stoppen en Operatie Orange een eind krijgen, heeft het oppercommando het 28ste Bataljon naar elders gestuurd. Daardoor zit de Irene Brigade letterlijk in haar eentje te vechten.

Volgens Van Gent is de Irene Brigade ten onrechte altijd beschimpt om haar roemloze oorlogsinzet. Niet gebrek aan moed heeft volgens hem de soldaten opgebroken, maar een aanval op de verkeerde plaats op het verkeerde moment. Ingezet op instigatie van een Brits militair die gemakkelijk dacht te kunnen scoren. In feite is de Brigade volgens Van Gent ‘getorpedeerd’ door het achterwege blijven van steun. "Militair-tactisch gezien was dit gebeuren een grote flop", constateert generaal-majoor bd Th. van Besouw, voormalig commandant van het Garde Regiment Prinses Irene die daarmee niets wil afdoen aan de betrokken inzet van de manschappen.

Ook Bosschenaar Van Gent vindt dat Operatie Orange niet de schoonheidsprijs verdient. Met zijn boek zegt hij echter een discussie te willen aanzwengelen. "De hamvraag luidt: waar?m is het mislukt? De Irene Brigade stond tenslotte onder Brits voogdijschap. Ik kan niet bewijzen of het oprukken naar Hedel eigen initiatief was. De vraag blijft wie het bevel heeft gegeven om de Maas over te steken. Ik trek geen conclusies. Alleen betwijfel ik of het hoongelach dat de Irene Brigade na haar terugtrekken ten deel is gevallen, wel zo terecht is."

Het bevreemdt dat het eerherstel dat Van Gent voor haar nastreeft, niet leidt tot reacties van de Irene Brigade zelf. Van Gent schrijft dat toe aan ‘beduchtzaamheid voor de nabestaanden van gesneuvelden en trauma’s van veteranen’. "Want nog steeds vragen ze zich af w??rom het bij Hedel zo verkeerd is gegaan."

Luc van Gent, ‘Een Nader Onderzoek, de nutteloze strijd om de Bommelerwaard 23-24-25 april 1945’. Verkrijgbaar ? 15 euro bij de auteur: Aristoteleslaan 17, 5216 CN Den Bosch: 073-6140444.