Gepost op

Gevallen in de dagen na de bevrijding

De dagen rond de bevrijding waren verwarrend. De ondergang van Hitlers Derde Rijk was onafwendbaar en de capitulatie leek een kwestie van dagen. Zuid-Nederland was in het najaar van 1944 al bevrijd, het noorden en oosten van ons land volgden in april 1945. Terwijl Amerikaanse en Britse troepen de Rijn overstaken en begonnen aan een offensief op Duitse grond, bleef het westen (Noord- en Zuid-Holland, Utrecht) bezet gebied. Op vrijdagavond 4 mei bracht de radio het nieuws dat de Duitse strijdkrachten in Noordwest-Europa de wapens neerlegden. De Duitsers tekenden de capitulatie tegenover de Britse generaal Montgomery in zijn tent op de L?neburgerheide. Nederland was vrij.

Maar de Duitse bevelhebber van ‘Festung Holland’, Blaskowitz, vond dat de capitulatie niet voor zijn troepen in West-Nederland gold. De verwarring die daardoor ontstond, is te lezen in een brief van Gita van der Vliet. Zij schreef op 20 juni 1945 over de bevrijding van Amsterdam aan haar nicht Willie van Rij (sinds haar trouwen Oranje), die deze correspondentie met toestemming van de inmiddels 74-jarige mevrouw Sijtsma-van der Vliet ter publicatie aanbood. Als veertienjarige woonde ze met haar vader en moeder aan de Admiraal de Ruyterweg. Ze vertelt dat ze ‘s avonds door een groot tumult op straat besloot naar buiten te gaan.. ,,Ze zeggen dat de oorlog over is. Nu, dat was geen groot nieuws, want dat zeiden ze zo vaak. Ik maakte me er dan ook helemaal niet druk over. Maar daar zag ik een collega van mij lopen. Je moet weten, ik heb in bezettingstijd krantjes verspreid en zulke dingen meer. Nu dan, die collega zei dat hij eens even ging horen wat er loos was. Hij kwam hardlopend terug, aldoor roepend: ‘t is waar, ‘t is waar, ‘t is vrede.”

Groot was de vreugde onder het bevrijde volk. De nationale driekleur wapperde uit de ramen. Iedereen was op straat. De inwoners van Amsterdam zongen het Wilhelmus uit volle borst. Er werd tot ‘s avonds laat gehost en gedanst. ,,Maar”, schrijft Gita, ,,langzaamaan werd ‘t donker en de meesten trokken weer naar huis terug. Toen werd er bij ons gebeld. ‘t Was de NBS (verzetsstrijders van de Binnenlandse Strijdkrachten), de vlaggen moesten weg, want er werd nog gevochten een paar straten verder. Alle vlaggen werden gauw binnengehaald.”

vervolg op pagina 15: ‘Mensen zakten stervend in elkaar op de Dam’

De feestende menigte begaf zich op zaterdag 5 mei toch op straat, maar de onzekerheid duurde voort. De Canadese luitenant-generaal Foulkes ontbood Blaskowitz naar hotel De Wereld in Wageningen waar in het bijzijn van prins Bernhard verder werd onderhandeld.

Op zondag 6 mei tekende de Duitse generaal alsnog de capitulatie van alle Duitse troepen in ons land. Hoe gespannen de situatie was, bleek toen hij terugrijdend vanuit Wageningen langs Leersum kwam. Daar kon hij ternauwernood verhinderen dat dertig burgers, die na een gevecht tussen de BS en de Duitsers waren gearresteerd, voor een vuurpeloton werden geplaatst.

De overgave betekende niet dat de Duitse soldaten direct vertrokken. Tot grote frustratie van prins Bernhard verbood Montgomery bij monde van Foulkes de BS aanvankelijk om Duitsers te ontwapenen. Achteraf een wijs besluit, want de veelal ongeoefende oranjestrijders zouden geen partij geweest zijn voor de getergde Wehrmachtsoldaten. Voor de BS’ers was het besluit een koude douche. Het land was bevrijd en ze popelden om in actie te komen, maar moesten met lede ogen aanzien dat de straten nog vol waren met Duitse militairen.

Pas op maandag 7 mei mochten ze in het openbaar optreden. Met alle gevolgen van dien. Bij Veenendaal kwam het op maandag 7 mei tot een gevecht tussen een patrouille van de BS en Landstormers, Nederlandse SS’ers. Drie BS’ers sneuvelden. In Utrecht kwamen diezelfde dag elf ‘Strijders’ om. Ze waren bezig Duitse troepen te ontwapenen, toen andere Duitsers hen aanvielen. In Berkel en Rodenrijs kwamen zes Duitsers en drie BS’ers om bij een vuurgevecht.

Een ernstig geval van zinloos geweld deed zich voor op dinsdag 8 mei in het plaatsje Bolnes, ten zuidoosten van Rotterdam. Leden van de BS probeerden een meisje uit de auto te halen van een Duitse soldaat met wie zij enkele jaren had samengeleefd. De militair, die juist weg wilde rijden, begon te toeteren. Duitse militairen, van wie een aantal dronken was, schoten te hulp. Er ontstond een vuurgevecht. De BS’ers trokken zich terug in de woning van een arts. Toen er vanaf de bovenverdieping van dit huis opnieuw werd geschoten, bestormden de Duitsers het huis. De arts, zijn gezinsleden en enkele voorbijgangers, die de kelder in gevlucht waren, moesten tevoorschijn komen. De woedende soldaten stuurden de vrouwen en kinderen weg. Maar de arts, twee BS’ers en vier voorbijgangers werden zonder pardon doodgeschoten. Een vijfde passant overleefde de executie, maar het incident kostte hem het gezichtsvermogen.

Slagveld op de Dam

Het grootste drama voltrok zich echter op de Dam in Amsterdam, op maandag 7 mei. In afwachting van de komst van Canadese bevrijders, die pas een dag later arriveerden, zag het er zwart van de mensen. Kort na 15.00 uur vielen er plotseling schoten. Duitse manschappen van de Kriegsmarine, die zich verschanst hadden in het gebouw van de Grote Club aan de ingang van de Kalverstraat en BS’ers schoten op elkaar. De Duitsers schoten vanaf het balkon met machinegeweren. Onder de strijders waren geen slachtoffers te betreuren, maar onder de gewone burgers, die in paniek probeerden weg te vluchten, vielen twee?ntwintig doden en zestig zwaargewonden.

De veertienjarige Gita zag het voor haar ogen gebeuren, voordat zij schuilde in het rooms-katholieke kerkgebouw. Aangrijpend is haar beschrijving in de brief aan haar nicht: ,,’t Was ontzettend. Je snapt, duizenden mensen op de been. Dan ineens schieten. Een paniek was ‘t. Een pierement stond juist ‘t Wilhelmus te spelen, toen z’n achterwiel eraf werd geschoten, waardoor hij jammerlijk ene vreselijk valse kreet slaakte en toen scheef zakte. De BS schoot vanachter stellingen, kinderwagens, auto’s enz. Baby’s en kleine kinderen lagen vertrapt op de Dam. Mensen om je heen zakten stervend in elkaar. Een ogenblik was ‘t een slagveld. Toen waren de mensen weg en lagen er alleen nog lijken en gewonden plus tasjes, kinderwagens, portefeuilles. ‘t Was gewoon een hel.”

Het schietincident is nooit onderzocht. Over de aanleiding bestaan verschillende lezingen. De gangbare in die tijd was dat de Duitsers een collega te hulp schoten, die voor hun ogen in een vuurgevecht was geraakt met een BS’er. Loe de Jong voert in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog een getuige op met een andere verklaring. Op een wagen zouden vrouwen zijn aangevoerd, die het hielden met de Duitse soldaten. Deze ‘moffenmeiden’ werden kaalgeknipt en met menie of teer besmeurd. Ze krijsten en riepen om hulp. Toen werd er in het tumult geschoten. De rust keerde weer toen BS-commandant Overhoff een Duitse kapitein optrommelde. Gezamenlijk liepen zij de Grote Club in waarna de Duitse officier scheldend en dreigend zijn mannen tot de orde riep.

Gita beschrijft in haar brief nog een incident dat tekenend is voor de afrekening van ‘foute Nederlanders’. Op dinsdag 8 mei reden de Canadezen Amsterdam binnen. De BS’ers konden eindelijk in actie komen. Ze arresteerden NSB’ers en brachten moffenmeiden op. ,,Bij ons in de straat”, schrijft Gita dan, ,,is nog een flinke vechtpartij geweest met zo’n meid. Ze was verloofd. Ze kwamen haar halen, de ene mof schoot uit het raam, de andere uit de deur. Ik stond vlak vooraan en schrok me naar. Er is een jongen van dertien jaar bij gesneuveld. Een mof stervend, de ander werd gevangengenomen. Dit was de tweede en laatste flinke schietpartij die ik in de bevrijdingsdagen van zo nabij meemaakte. Maar nu is alles weer goed. De tram rijdt weer en alles komt langzaam aan weer in het gareel.”

Bron: Nederlands Dagblad