Gepost op

?Genocide was erger dan die van Saddam?

E?n les trok de nu 84-jarige Van Dien uit zijn onderduiktijd. De les dat het „de enkelingen zijn die de wereld draaiende houden.” Voor die enkelingen, zoals zijn helpers in de oorlog, heeft de oude man diepe achting. Ze stimuleerden hem tot een project waarbij zijn onderduikplaats -een hol in de bossen bij Valthe, niet ver van Emmen- minutieus nagebouwd wordt. „Maar”, kan hij niet ophouden te benadrukken, „de redders en niet de geredden staan daarbij centraal.”

In het Emmen van 1919 kwam de Joodse Ab ter wereld. Nog voor de oorlog in Nederland losbrak, was hij met zijn 19 jaren betrokken bij het transport van Duitse vluchtelingen, die in het holst van de nacht naar Nederland gesmokkeld werden. Het opende zijn ogen voor het schrijnende leed voor veel Duitse Joden, dat later ook Nederland in zijn greep zou krijgen.

„In 1942 dook ik onder. Niet alleen omdat ik van Joodse afkomst ben en naar Westerbork moest, maar ook omdat ik veel wist. Ik hoorde wat er met de Joden gebeurde: een genocide die erger was dan die van meneer Saddam.” Van Dien zwijgt een moment, bedachtzaam. En brengt dan -opnieuw- zijn levensfilosofie te berde. „Zo zal het altijd blijven. Mensen bedreigen elkaar en het zal altijd de enkeling zijn die de eer van zijn land redt.”

Zes weken zat Van Dien ondergedoken in een huis op de Nederlands-Duitse grens, in Barger-Compascuum. Toen hij daar niet langer kon blijven, voerde zijn reis naar een slagerij in hetzelfde dorpje. „Daar stond een grote turfbult die vanbinnen hol was. Daar moest ik in. Ik wist niet wat me overkwam.” Maar ook deze plaats verliet Ab weer snel: de boel werd verraden en de slager kwam om in een concentratiekamp. Na drie maanden met twaalf anderen in een kippenhok vertoefd te hebben, trok de club onderduikers het bos in bij Valthe. „Daar hebben we een kuil uitgegraven, zo goed als met blote handen, en er een plaggenhut neergezet.”

Tweeënhalf jaar hield Ab het daar uit. „We zijn er eigenlijk doorheen gekomen vanwege de corveetaken. Elke ochtend om zes uur en elke avond om zeven uur camoufleerden we de hut. Daarbij letten we op elk takje, elk blaadje dat onze aanwezigheid zou kunnen verraden. Het ging zo goed, dat zelfs de medewerkers van Staatsbosbeheer ons niet opmerkten toen die op minder dan 10 meter aan het werk waren.”

De rest van de dag vulde de groep onderduikers met „lezen, schaken en praten.” En zoeken naar voedsel en water. „Toen we op een keer geen water meer hadden, ging het sneeuwen. Die sneeuw was onze redding; het was voor ons als manna. Met wijd geopende mond liepen we buiten rond. We hielden ons in leven met knollen en aardappels die we ’s nachts van het land stalen.”

Tot de dag van hun ontdekking kwam. „We werden ontdekt door een mannetje dat, samen met zijn vrouw, wel eens hout sprokkelde in de buurt van onze hut, zoals Hans en Grietje in het sprookje. Het waren oude mensen, die eigenlijk buiten het leven stonden. Op een zondagmorgen was hij boven op onze hut hout aan het verzamelen. Hij had helemaal niet door dat er een hut was, totdat hij door het dak zakte. Verbaasd keek hij rond toen hij ons zag. „Zijn jullie padvinders?” vroeg hij. „Zeker”, zeiden wij. We vonden het geen slechte oplossing.”

Van Dien glimlacht als hij aan de gebeurtenis terugdenkt. „Maar hij heeft toen tegen zijn vrienden verteld dat hij padvinders had ontdekt. Een week later kwam de SS. Ternauwernood zijn we aan hen ontsnapt.”

En dan opeens, zichtbaar vermoeid: „Ik ben 84, en ik kan uitsluitend oordelen over mijn eigen ervaringen. Maar die hebben me wel geleerd dat mensen elkaar blijven bevechten en uitmoorden, in ieder tijdperk. Onze wortels liggen in de christelijke beschaving. Die heeft prachtige dingen voortgebracht, maar heeft niet kunnen voorkomen dat mensen elkaar afslachtten. De christelijke beschaving is voor mij met de oorlog opgehouden. Het zijn altijd weer die weinige mensen die onze wereld staande houden.”

Dit is de eerste aflevering in een vijfdelige serie over bijna vergeten onderduikadressen uit de Tweede Wereldoorlog.