Gepost op

Een wolf tegen de wolven

De aantekeningen dateren van 20 april tot en met 22 juni 1945. Bij het begin van de aantekeningen ligt voor het Rode Leger de weg naar Berlijn compleet open. Een dag eerder heeft het Russische leger onder leiding van maarschalk Zjoekov de Slag om de Seelower Hoogten gewonnen. Het Rode Leger staat niets meer in de weg. „Ja, de oorlog dendert op Berlijn af. Wat gisteren nog gerommel in de verte was, is vandaag aanhoudend trommelvuur. Je ademt kanongebulder in. Je oren worden doof, je hoort alleen nog de zwaarste schoten. Waar ze vandaan komen is allang niet meer te onderscheiden. We leven in een kordon van vuurmonden, dat zich ieder uur verder sluit.”

Berlijn is compleet in verval. De meeste mensen proberen routinematig de dagelijkse gang van zaken op te pakken, maar met twee luchtaanvallen per nacht en het wegvallen van de openbare diensten valt dat niet mee. Velen willen de belegerde hoofdstad verlaten, maar propagandaminister Joseph Goebbels verklaart dat vertrek zonder permissie uit de hoofdstad gelijkstaat aan desertie en dienovereenkomstig zal worden gestraft. Tientallen mensen die naar een buitenlandse zender hebben geluisterd worden opgepakt en zonder pardon geëxecuteerd.

In de nacht van 27 op 28 april bereikt het Russische leger de hoofdstad van het Derde Rijk: de overwinnaar leeft zich uit op de verslagen vijand. Vooral de vrouwen moeten het ontgelden. Volgens de Britse historicus Anthony Beevor zijn in heel Duitsland tijdens de Russische invasie 2 miljoen vrouwen verkracht, een aantal van hen verschillende keren. Van de 100.000 vrouwen die in Berlijn zijn verkracht overlijden er 10.000, de meesten slaan de hand aan zichzelf.

Bespiegelingen
Een van de verkrachte vrouwen is de anonieme schrijfster. Ze is begin dertig, geschoold en komt uit een gegoed milieu. In een paar lege schriften legt ze de laatste oorlogsweken vast. Op zich is dat niet bijzonder, want dat hebben meer vrouwen gedaan. De Berlijnse onderscheidt zich door haar openheid en haar bespiegelingen. Wat haar als vrouw overkomt is voor haar aanleiding na te denken over moraal en maatschappij.

Omdat haar eigen woning is gebombardeerd, heeft ze haar toevlucht gezocht in de bovenwoning van een oud-collega die volgens de laatste berichten aan het westelijke front vecht. De luchtaanvallen dwingen haar en de andere bewoners tot een leven dat zich voornamelijk in de schuilkelder afspeelt. „De bureaucratie werkt alleen als alles goed gaat. In ieder geval verdwijnen alle instanties zodra het granaatscherven begint te regenen. Geregeerd worden we niet meer. En toch ontstaat er vanzelf steeds weer een soort orde, overal, in elke kelder. Ook hier in de kelder hebben de geordende en verordende geesten gezag. Het moet ingebakken zitten in de mens.”

In de kelders worden ook gebeden gefluisterd. Ze denkt na over nood en bidden. „Een spreekwoord ”Geluk leert bidden” is er niet. ”Beten” (bidden) en ”betteln” (bedelen) zullen wel niet voor niets verwante vormen zijn in onze taal. Ooit hoorde de bedelaar bij de kerkdeur als de klink, had hij als het ware evenveel bestaansrecht en recht op de genade Gods als de koning. E?n ding staat vast: dat het een geluk en een gave is om tijdens deze beproevingen, in nood en angst, eenvoudig en zonder schaamte te kunnen bidden. Ik kan het niet – nog niet.”

De mannen worden aan het einde van de oorlog met andere ogen bekeken. Als op een dag een vrachtwagen voorbijrijdt met Duitse troepen, zwijgend en voor zich uit starend, merkt ze dat het gevoel „van alle vrouwen tegenover de mannen verandert. Ze gaan ons aan het hart, komen ons zo meelijwekkend en weerloos voor. Het zwakke geslacht. Een soort collectieve ontgoocheling maakt zich onderhuids van de vrouwen meester. De door mannen beheerste nazi-wereld, die de sterke man verheerlijkt, wankelt en daarmee ook de mythe ”man”. Aan het einde van de oorlog komt bij de vele andere nederlagen ook de nederlaag van de mannen als geslacht.”

Ze zijn er In de nacht van 27 op 28 april komen de Russen. „Ik sliep tot vijf uur in de ochtend. Hoorde toen iemand rondspoken in het voorste deel van de kelder. Het was de vrouw van de boekhandelaar, ze kwam van buiten, pakte me bij de hand en fluisterde: „Ze zijn er.””

De Russen eisen hun recht als overwinnaars op. Anoniem wordt de eerste dag verschillende keren verkracht. „Duizelig toen ik opstond, braakneigingen. De vodden vielen op mijn voeten.” Tegelijkertijd is er de wil te overleven. „Mijn ik mag niets te maken hebben met wat hier gebeurt. Ik schuif dat allemaal van me af.” Het gejammer van de andere ”holbewoners” maakt haar aan het lachen, al is het eerder galgenhumor. „Wat is er dan? Ik leef toch nog, alles gaat voorbij.”

Als de Berlijnse met andere Duitse vrouwen haar beklag doet bij een Russische commandant wordt ze uitgelachen: „„Ach, kom nou, het heeft u vast geen kwaad gedaan. Onze mannen zijn allemaal gezond.” Hij slentert terug naar de andere officieren, we horen ze gedempt lachen. Ik, tot ons grauwe groepje: „Het heeft geen zin.””

De geplaagde Berlijnse ontwikkelt een strategie om zich de grofste Russen van het lijf te houden. Daarbij komt haar kennis van de Russische taal, opgedaan toen ze als studente Rusland bezocht, goed van pas. Ze zoekt contact met de hoogste officier. „Hier is een wolf nodig om me de andere wolven van het lijf te houden. Officier, commandant, generaal, zo hoog mogelijk, wat ik krijgen kan.” Het wordt een majoor. Hij voorziet haar tegelijk van voedsel.

De anonieme schrijfster is zich ervan bewust dat ze zich gedraagt als een prostituee. Ze is er niet trots op. „Wat zal er van ons worden? Wat staat ons nog te wachten? Ik voel me zo kleverig, ik wil helemaal niets meer vastpakken, wil mijn eigen huid niet aanraken. Nu een bad, of anders tenminste echte zeep en heel veel water. Stop, genoeg gedroomd.”

De vrouw haat de Russen na alles wat haar is aangedaan niet. „Ik weet dat het mensen zijn zoals wij, zij het, lijkt me, in een eerder stadium van ontwikkeling, als volk jonger, dichter bij hun oorsprong nog dan wij. De Germanen zullen zich wel net zo gedragen hebben toen ze Rome binnenvielen en zich aan de geparfumeerde, kunstig gekapte, gemani- en gepedicuurde vrouwen van het overwonnen Rome vergrepen.”

Boekhouding van de dood
Dankbaar is ze als de Russen na een maand de elektriciteit hebben hersteld. Via de radio hoort ze voor het eerst van de vernietigingskampen. „Ze brengen vooral nieuwsberichten en onthullingen, de lucht van bloed, lijken en verschrikkingen. In grote kampen in het oosten zouden miljoenen mensen verbrand zijn, hoofdzakelijk joden. Van hun as zouden ze kunstmest hebben gemaakt. En het krankzinnigste: alles zou netjes in dikke boeken zijn genoteerd, een boekhouding van de dood. We zijn tenslotte een ordelijk volk. Laat op de avond kwam Beethoven en daarmee kwamen tranen. Heb het afgezet. Dat is niet te verdragen nu.”

Het doet de Duitse inzien dat „onze geestelijke nood groot is.” Ze komt bij de kernvragen van het leven. „We wachten op een bemoedigend woord, dat ons aanspreekt en terugbrengt in het leven. Onze harten zijn leeg, we hongeren naar geestelijk voedsel, naar wat de katholieke kerk ”manna” noemt. Als ik aanstaande zondag vrij heb en er is een dienst, zou ik wel een kerk willen opzoeken – om te zien of de mensen daar zielentroost vinden. Mensen als ik, die bij geen enkele kerk horen, staan in het duister, alleen, vol vragen. De toekomst drukt loodzwaar op ons. Ik zet me schrap, probeer de vlam in mezelf brandend te houden. Waarom? Waarvoor? Wat is mijn taak. Ben zo hopeloos alleen met dit alles.”

Wie dergelijke passages leest kan goed begrijpen dat de dagboekaantekeningen van de Berlijnse vorig jaar d? sensatie op de Duitse boekenmarkt waren. Maandenlang stond de titel boven aan de bestsellerlijst. Het boek werd terecht in ??n adem genoemd met Anne Frank, Victor Klemperer en Sebastian Haffner.

Opmerkelijk genoeg is het boek niet nieuw. In het nawoord dat de uitgever aan de zojuist verschenen Nederlandse vertaling heeft toegevoegd, staat dat de dagboekaantekeningen voor het eerst in 1954 in de Verenigde Staten anoniem onder de titel ”A Woman in Berlin” uitkwamen. Vijf jaar later verscheen de tekst in het Duits, eveneens anoniem, bij een kleine uitgeverij in Genève. Waarom in Zwitserland? Om de eenvoudige reden dat niemand in Duitsland er iets mee te maken wilde hebben. De anonieme schrijfster kreeg voor de voeten geworpen dat ze met haar aantekeningen de eer van de Duitse vrouw had bezoedeld.

Haar vriend Gerd wilde na lezing van de tekst niets meer met haar te maken hebben. Zaterdag 16 juni schrijft Anoniem: „Gerd: „Jullie zijn een stel schaamteloze teven bij elkaar geworden, hier in huis. Merken jullie dat dan niet?” Zijn gezicht vertrok van afkeer: „Het is vreselijk met jullie om te gaan. Jullie hebben elke fatsoensnorm verloren.””

Luisterend oor
Anno 2003 waren de Duitsers wel ontvankelijk voor de dagboeknotities. Dit heeft natuurlijk voor een belangrijk deel te maken met het feit dat er plaats is gekomen voor het leed dat de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan. De afgelopen paar jaar hebben de ”Vertriebenen” hun verhaal kunnen doen en is er aandacht gekomen voor de burgerslachtoffers van de geallieerde bombardementen. Nu is er een luisterend oor voor de onteerde Duitse vrouwen.

Toch ging de publicatie van de dagboeknotities vorig jaar in Duitsland gepaard met de nodige discussie. De authenticiteit werd in twijfel getrokken. Waren de dagboeknotities wel origineel? Waren ze niet stilistisch verfraaid? Menigeen begreep goed waarom iemand na de oorlog zijn naam niet genoemd wilde hebben in verband met de verkrachtingen. Bij anderen riep het toch vragen op. Als de dagboeknotities echt zijn, waarom wil de schrijfster dan haar naam niet bekendmaken, maar blijft ze anoniem?

De gemoederen raakten nog verder verhit toen van de journalist Jens Bisky in de Süddeutsche Zeitung van 24 september 2003 een artikel verscheen onder de titel: ”Als jongens wereldgeschiedenis schrijven, spelen meisjes een stomme rol. Wie was Anoniem in Berlijn? Vrouwen, feiten en fictie – kanttekeningen bij een succesboek in deze zomer”.

In het artikel veronderstelde Bisky dat het boek een vervalsing is: „Het boek is een goed geënsceneerd raadsel. We weten niet wie het geschreven heeft, dat mogen we nooit vernemen, maar we moeten wel geloven dat het om een authentieke getuigenis gaat.”

Bisky kreeg in de Duitse pers links en rechts klappen om de oren. De Neue Zürcher Zeitung kritiseerde Bisky’s werkwijze: „Eerst schrijven en dan onderzoek doen – wat een formidabel journalistiek principe.”

Belangrijke figuur
De Süddeutsche Zeitung, het platform van Bisky, krabbelde ook terug. Bisky’s collega Gustav Seibt noemde ”Een vrouw in Berlijn” „de indrukwekkendste ons bekende getuigenis van de wreedheid waaronder Duitse vrouwen bij de verovering van Berlijn door de Russen geleden hebben.” Seibt zou het liefst zien dat de identiteit van Anoniem bekend zou worden: op grond van haar voortreffelijke boek moet zij gezien worden als een „belangrijk figuur in de contemporaine geschiedenis.”

Redactrice Felicitas von Lovenberg van de Frankfurter Allgemeine Zeitung voerde zelfs een gesprek met Hannelore Marek, de weduwe van Kurt W. Marek, die het boek in 1954 publiceerde. In het interview zei de weduwe dat de originele dagboeken, „een schrift en een dik, in linnen gebonden kladschrift, bij een notaris berusten. Op zekere dag zullen ze in een archief ter beschikking staan van de wetenschap.” En: „Niemand heeft in de notities zitten krassen en strepen.”

In januari 2004 jaar oordeelde auteur en dagboekdeskundige Walter Kempowski nadat hij het originele manuscript met de dagboekuitgave had vergeleken: „De door mij ingeziene schriften vertonen alle kenmerken van authenticiteit. Het zijn originele schriften. Er is geen enkele aanwijzing dat een andere persoon aan de vervaardiging van het manuscript heeft meegewerkt.”

De discussie over de echtheid van de dagboeknoties is afgerond. De inhoud van het boek kan weer alle aandacht opeisen. En die verdient hij zonder meer.