Gepost op

Een boom als eerbetoon

De drommen toeristen laten tuin en laan deze lentedag echter veelal voor wat het is en verdringen zich voor de Hal van de Namen of het monument voor de kinderen. Nu is de tuin zonder kaart ook niet zo gemakkelijk te vinden. Een bezoeker zonder plattegrond loopt de plek maar zo voorbij.

De juiste zijweg -het pad van herinnering en reflectie- slingert naar beneden en komt uit in de schaduwrijke tuin die tegen de heuvel is aangelegd. Er heerst stilte, slechts een enkele vogel laat zich horen. Tussen de bomen staan stenen muren met marmeren panelen, met daarin talloze namen gegraveerd. De rijen met namen zijn eindeloos: Nederlanders, Polen, Fransen, Belgen. Maar ook Armeniërs, Wit-Russen en Albanezen. Stuk voor stuk helden.

Medaille
In het kantoorgebouw van het Holocaust Herinnerings- en Educatiecentrum Yad Vashem zetelt Irena Steinfeldt. Ze is directeur van het departement Rechtvaardigen onder de Volkeren, een titel die de staat Israël nog vrijwel elke maand toekent. Zo werden de vader en de zus van de bekende evangeliste Corrie ten Boom eerder deze maand postuum geëerd. Alle onderscheiden personen -of hun nabestaanden- krijgen een medaille en een certificaat. Ook krijgen hun namen een plek in de Tuin van de Rechtvaardigen.

De missie van Yad Vashem -in 1953 opgericht als gevolg van een door de Knesset aangenomen wet- reikt vanouds verder dan het in herinnering houden van de Joden die in de Tweede Wereldoorlog zijn gedood, aldus Steinfeldt. „De wet bepaalde alleen niet op welke manier we daaraan invulling moesten geven. Daarover werden in het parlement betrokken discussies gevoerd. Onder de parlementariërs waren overlevenden van de Holocaust en mensen die tijdens de oorlog familieleden hadden verloren. Het waren overlevenden die nadrukkelijk aangaven dat de redders van Joden moesten worden geëerd.”

Het duurde zo’n tien jaar voordat Yad Vashem aan de uitwerking van deze opdracht toekwam. „Aanvankelijk hielden we ons vooral bezig met onderzoek naar de Holocaust en het opbouwen van een archief. Vanaf begin jaren ’60 kregen de rechtvaardigen onder de volkeren de aandacht.”

De eretitel is ontleend aan de Joodse traditie, zegt Steinfeldt. „Het gaat om mensen die de Joodse moraal, de zeven geboden van de zonen van Noach, naleven. Die zegt onder meer: Gij zult niet doden. Volgens de Talmoed heten degenen die deze geboden accepteren rechtvaardigen onder de volkeren. Zij delen in de toekomstige wereld.”

Leven
In 1962 werd de Laan van de Rechtvaardigen aangelegd. Voor elke persoon die de hoogste Israëlische onderscheiding kreeg toegekend, werd een boom geplant. Steinfeldt: „De boom symboliseert het leven. Ook is het een herinnering aan de boom van kennis van goed en kwaad. Behalve in Yad Vashem plantten mensen elders in het land bomen ter herinnering aan hun redders.”

In aanwezigheid van mensen die Joden het leven hadden gered werden in 1963 de eerste twintig bomen geplant. „Het eerste dossier betrof de Duitser Ludwig Wörl. Hij was een antinazi die als politiek gevangene in Auschwitz en Güntergrube terechtkwam. Hij redde onder meer als kampoudste in een ziekenhuisbarak het leven van talloze Joden. Wörl kon zelf niet bij het planten van de boom aanwezig zijn, omdat hij op dat moment als getuige moest optreden tijdens het Auschwitzproces in Frankfurt.”

Het feit dat uitgerekend een Duitser als eerste de bijzondere titel kreeg toegekend, stuitte in Israël niet op verzet, aldus Steinfeldt. „Er waren in die tijd, nog geen twintig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, geen publieke betrekkingen met Duitsland. Maar de overlevenden zeiden: „We proberen de catastrofe met positieve energie te boven te komen.” Ze wilden niet blijven steken in haat, maar wilden een nieuwe toekomst opbouwen.”

Onderzoek
Aan de toekenning van een onderscheiding gaat een grondig onderzoek vooraf. „Als iemand bij ons komt omdat hij een redder wil eren, zeggen we: Schrijf een getuigenis, lever documenten aan. Wij kijken vervolgens zelf of we materiaal kunnen vinden dat het verhaal ondersteunt. Voor Nederland trekken we zaken na bij organisaties als het NIOD of de Stichting 1940-1945. Maar we benaderen ook plaatselijke archieven of kerken. We doen veel research.”

Soms komt er onvoldoende bewijsmateriaal op tafel om een onderscheiding toe te kennen. „Het is niet genoeg als iemand zegt: Mijn oom heeft me ooit verteld dat hij door die of die familie is gered. Als we geen materiaal hebben dat het verhaal ondersteunt, kunnen we er niets mee. Dat wil niet zeggen dat de betrokkene géén Joden heeft verborgen, maar voor de toekenning van een officiële titel is bewijs nodig. Als dat ontbreekt, houdt het op, ook al hebben we het gevoel dat het verhaal klopt. Voor de aanvrager is dat wel eens pijnlijk.”

Yad Vashem heeft verscheidene medewerkers in dienst die zich met het onderzoeken van de aanvragen bezighouden. Een van hen richt zich speciaal op Nederland, Frankrijk en België. Als er voldoende bewijsmateriaal is verzameld, wordt de aanvraag voorgelegd aan een onafhankelijke commissie onder voorzitterschap van een rechter van het Israëlische hooggerechtshof. Deze neemt uiteindelijk de beslissing.

Soms wordt een verzoek afgewezen omdat dit niet aan de gestelde criteria voldoet. „We hebben wel eens een aanvraag gehad voor iemand die lid was van het verzet en mensen naar hun onderduikplaats bracht. Dat deed hij voor piloten, Joden en nog andere groepen. In zo’n geval gaat het wel om een daad van verzet, maar niet specifiek om het redden van Joden. Ook de aanvraag voor een non die Joodse onderduikers in huis nam op voorwaarde dat ze zich rooms-katholiek lieten dopen, werd afgewezen. Het gaat om het redden van Jóódse kinderen, niet om het redden van katholieke kinderen.”

Kleinkinderen
De stroom van onderscheidingen die sinds 1963 zijn uitgereikt, lijkt eindeloos. „De hoeveelheid aanvragen blijft constant, maar ze worden ingewikkelder, doordat er steeds vaker heel weinig gegevens bekend zijn”, zegt Steinfeldt. Ze houdt even stil. In de kamer naast haar wordt met stemverheffing gesproken over een Poolse aanvraag. „Dat betreft een ingewikkelde situatie”, stelt de directeur vast.

Steinfeldt vindt het niet verwonderlijk dat de aanvragen meer dan 65 jaar na de Tweede Wereldoorlog nog steeds binnenstromen. „Het ging vaak om kinderen die eerst waren gescheiden van hun ouders. Vervolgens werden ze van het ene naar het andere onderduikadres gebracht. Overal moesten ze zich aanpassen. Na de oorlog keerden hun ouders in veel gevallen niet terug. Ze hadden alles verloren. Velen wilden de ellende van de oorlog achter zich laten.”

Meer dan eens breekt bij het ouder worden alsnog een tijd van reflectie op deze veelbewogen periode aan. „Mensen blikken terug op hun leven. Kleinkinderen vragen wat er tijdens de oorlog is gebeurd. Soms worden voormalige onderduikers na jaren opnieuw met hun redders in contact gebracht. Dat kan ertoe leiden dat ze hen alsnog willen eren. De laatste tijd horen we regelmatig: „Het moet snel gebeuren, want onze redders zijn nú nog in leven.” Overigens kennen we de onderscheiding in veel gevallen ook postuum toe.”

Polen
Begin dit jaar stonden meer dan 22.000 redders uit veertig verschillende landen te boek als Rechtvaardigen onder de Volkeren. Wegens ruimtegebrek worden er al lang geen bomen meer geplant voor degenen die de titel krijgen toegekend, maar hun namen worden nog steeds vermeld in de Tuin van de Rechtvaardigen. Met 4863 geëerde personen staat Nederland op de tweede plaats, na Polen (6066 redders). Na Nederland volgen Frankrijk (2833), Oekraïne (2213) en België (1476).

Steinfeldt haast zich het belang van dergelijke statistische gegevens te nuanceren. „Polen staat bovenaan, maar wat betekent dat? Wat zijn 6000 redders op een totaal van 14 miljoen Polen? Dat is maar een klein percentage. Aan de andere kant: als een Pool een Jood verborgen hield, liep niet alleen hijzelf gevaar maar ook zijn familie en zijn boerderij. Wanneer een Nederlandse boer werd opgepakt omdat hij onderduikers had, liep hij het risico naar een kamp te worden gestuurd, maar zijn kinderen liepen over het algemeen geen gevaar. De situatie was overal anders. Je moet elke casus afzonderlijk bekijken.”

Dagboek
Welk verhaal haar persoonlijk het meest raakt, kan Steinfeldt niet zeggen. „Ik ben over het algemeen onder de indruk van de moed van de redders.” Wel blijven sommige ontmoetingen haar in het bijzonder bij. „Onlangs kwam hier een Nederlandse man die als baby de oorlog had overleefd. Ik vroeg: „Hoe kun je je dan herinneren wie je redders waren?” Daarop deed hij zijn tas open en legde een dagboek op tafel. De vrouw bij wie hij ondergedoken was geweest had allerlei gegevens nauwkeurig bijgehouden. Er stond in hoeveel kilo hij als baby woog, wanneer hij voor het eerst lachte en een tandje kreeg. Deze vrouw wilde dat de moeder van de Joodse baby dat na de oorlog allemaal zou weten.”

Steinfeldt noemt ook de situatie van een Nederlands echtpaar dat te midden van zijn eigen kinderen een Joodse peuter opving. „Deze mensen zijn verraden. Terwijl ze zelf niet thuis waren, kwamen de Duitsers en namen het kind mee. De ouders vroegen hun kinderen na hun overlijden ook de naam van het onderduikkind op hun grafsteen te zetten. Ze hebben zich er altijd schuldig over gevoeld dat dit kind was opgepakt, terwijl ze er niets aan konden doen.”