Gepost op

De laatste Jood van Geesbrug

„Ik herinner me de gebeurtenissen nog als de dag van gisteren”, vertelt Buitekant, gebogen over een kop koffie in zijn Amsterdamse appartement. „Op 31 maart 1942, de verjaardag van mijn vader, kreeg ik de oproep om te gaan werken. In sommige wijken waren razzia’s aan de gang. Joodse jongens werden opgepakt en naar Westerbork afgevoerd. Ik dacht dat ik in zo’n werkkamp een stuk veiliger zou zitten.”

En dus stapte de toen 20-jarige slager op de trein naar Hoogeveen, om zich in het nabijgelegen kamp Geesbrug te melden. „Ik was daar een van de jongsten. We moesten elke dag geulen graven. Waar die voor dienden weet ik nog steeds niet, maar het werk was te doen.”

Stiekem
Het leven in Geesbrug, een van de ruim veertig Nederlandse werkkampen, viel hem niet zwaar. „Van werken krijg je niets. ’s Avonds en ’s zondags maakten we het gezellig met elkaar. En af en toe telefoneerde ik stiekem naar huis of naar mijn verloofde.”

Via een gat in de afrastering kroop Buitekant geregeld naar buiten. Bij een kruidenierswinkel in het dorp kon hij naar Amsterdam bellen. De geheime telefoontjes redden zijn leven, zegt hij. „Mijn verloofde had gehoord dat Geesbrug zou worden ontruimd.” Samen met twee neven besloot hij nog diezelfde avond de benen te nemen.

Kort daarna, op 3 oktober 1942, werden de achtergebleven dwangarbeiders afgevoerd naar het Durchgangslager Westerbork. Nog geen week later werden de meesten van hen vermoord in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau en Sobibor.

Ontsnapt
Voor Buitekant volgde een ontsnapping die naar zijn zeggen „wonderlijk” verliep. „We wisten totaal de weg niet, maar kort voor onze vlucht viel ik flauw. In die paar seconden heb ik de route tot in detail voor me gezien. De beelden klopten precies, want we konden zonder problemen naar station Hoogeveen lopen. Ik ben geen praktiserend Jood, maar sindsdien geloof ik zeker dat er meer is tussen hemel en aarde.”

De mannen deden hun davidsster af en gingen per trein verder. Eenmaal in Amsterdam nam Buitekant afscheid van zijn neven. Hij zag ze nooit meer terug. „Thuis heb ik schone kleren aangedaan. Daarna ben ik naar Den Haag vertrokken, waar iemand een adres voor ons had geregeld.”

Gedurende een paar maanden zat hij ondergedoken bij een barkeepster. Daarna vluchtte hij via België naar Frankrijk, naar het onbezette Nice. „Daar sprak ik kort met de Nederlandse consul. De volgende morgen werd ik opgepakt, omdat ik illegaal de demarcatielijn tussen het door de Duitsers bezette deel en Vichy-Frankrijk was overgestoken. Bleek die kerel me verraden te hebben.”

Een goedwillende politieman regelde papieren, waarna Buitekant richting de Frans-Italiaanse grens trok. De Duitsers kwamen steeds dichterbij. De Amsterdammer verliet Frankrijk en ging te voet richting Rome. Een maandenlange tocht door de bergen volgde. „Aan het eind van de reis sprak ik perfect Italiaans”, lacht hij.

Legionair
Toen in juni 1944 het Amerikaanse leger Rome binnentrok, probeerde hij zich bij de geallieerden aan te sluiten. „De Amerikanen wilden me niet, dus tekende ik bij het Franse vreemdelingenlegioen.” Zonder ooit een kilometer te hebben gereden, werd Buitekant aangesteld als chauffeur. „Tot het einde van de oorlog zat ik bij een antitankcompagnie, maar ik heb nooit een Duitser gezien.”

Na de oorlog liet hij het legioen achter zich en keerde hij terug naar Amsterdam. Daar hoorde hij dat, op een tante na, al zijn familieleden in de vernietigingskampen van de nazi’s waren omgekomen. Van zijn makkers uit Geesbrug overleefden slechts enkelen de oorlog. Inmiddels zijn ook die allemaal overleden. „Daarom vind ik het belangrijk dat ik nu dit monument mag onthullen. Voor mezelf, maar ook om de herinnering levend te houden.”

Joodse werkkampen relatief onbekend
Bij het woord kamp denken veel mensen direct aan het beruchte doorvoerkamp Westerbork. Dat Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog nog tientallen andere kampen telde, is relatief onbekend.
Deze zogenaamde werkverruimingskampen, waarvan Geesbrug er een was, werden al voor de oorlog gebouwd om er werklozen te huisvesten. De kampen, zo’n veertig in totaal, bevonden zich met name in de noordelijke provincies.
Vanaf 1942 gebruikten de Duitsers de werkkampen om er Joodse mannen onder te brengen. Zij werden onder andere gedwongen tot zware ontginningswerkzaamheden.
Aanvankelijk hadden de mannen nog enige vrijheid. De omstandigheden verslechterden aanzienlijk nadat de nazi’s besloten tot deportatie van de Joden. Begin oktober 1942 werden de dwangarbeiders via Westerbork afgevoerd naar de vernietigingskampen in Oost Europa.