Gepost op

Buurtagent onderzoekt oorlogsjaren Rotterdamse politiekorps

Het stempel ”goed” of ”fout” kan niet zomaar op de politie in de oorlogsjaren worden geplakt, concludeert Van Riet. „De toenmalige korpschef Boelstra -NSB’er en oud-SS’er- was nog niet zo’n verkeerde. De Duitsers leefden in de veronderstelling dat ze een hen goedgezinde figuur de leiding over de Rotterdamse politie gaven. Boelstra was geliefd bij het personeel, want hij stond voor zijn manschappen. Hij kweekte vertrouwen bij zijn ondergeschikten.”

Zo kneep de man volgens Van Riet een oogje dicht als agenten op zijn kamer naar Radio Oranje luisterden. „Hij beschermde politiemensen die zich niet voegden naar het Duitse gezag en naar werkkampen in Duitsland moesten. Brieven waarin hun namen stonden, liet hij met opzet slingeren op zijn bureau, omdat hij wist dat zijn secretaresse een ’goede’ was en haar nieuwsgierigheid niet kon bedwingen. De vrouw waarschuwde de betrokken agenten zodat die tijdig een veilig heenkomen konden zoeken.”

Door de mand
Blijft onverlet dat in de oorlog honderden Joden werden opgepakt waarbij de Rotterdamse politie heeft geassisteerd. Volgens Van Riet kon Boelstra de Duitsers die hulp niet weigeren. „De korpschef was goed voor zijn mannen, maar kon het uitvoeren van opdrachten om Joden op te pakken niet stopzetten. Dat lag buiten zijn macht. Boelstra heeft er door zijn werkwijze voor gezorgd dat het Rotterdamse korps niet werd genazificeerd. Op belangrijke posten stelde hij mensen aan van wie hij wist dat ze niet heulden met de bezetter.”

Van Riet is ruim 23 jaar werkzaam als politiefunctionaris, eerst bij de gemeentepolitie Rotterdam en na de landelijke reorganisatie bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond. Zo’n twaalf jaar geleden begon hij een onderzoek naar het functioneren van de individuele Rotterdamse politiefunctionaris tijdens de bezetting. Hij ontdekte dat over de ’foute’ kant van het Rotterdamse politiekorps nauwelijks iets op schrift is gesteld. Hij ploos archieven uit en interviewde meer dan honderd oud-agenten. Een hoogleraar vond zijn onderzoek zo interessant dat hij Van Riet vroeg op het onderwerp te promoveren.

Groep 10
„Uiterst moeilijk” was het volgens Van Riet om in de oorlogsjaren als ’gewone’ politieman in Rotterdam te werken. Bij grote georganiseerde acties in 1942 en 1943 moesten Rotterdamse agenten helpen om Joden van straat of uit hun huizen te plukken. „De politiemensen moesten zich melden op het hoofdbureau, zonder dat ze wisten wat ze daar moesten doen. De meesten dachten dat het om een gebruikelijke alarmoefening ging. In de kantine kregen ze lijsten in handen gedrukt met namen van mensen die ze moesten arresteren.

In elk groepje dat op pad ging, zaten Duitsers of een lid van de beruchte Groep 10 die bestond uit circa veertig fanatieke NSB’ers. De leden van Groep 10 werden door de rest van het Rotterdamse korps uitgekotst. Zij namen daarom steeds meer de toevlucht tot de bezetters. De Duitsers lachten in hun vuistje, want zij hadden met Groep 10 een handig verlengstuk in handen om hun plannen te verwezenlijken.”

Aan het einde van de oorlog nam het aantal verzetsacties tegen de Duitse bezetters toe. Daaraan deden volgens Van Riet ook regelmatig agenten van het Rotterdamse korps mee. Bij een van die acties nam de Duitse politie wraak door onder meer een gevangengenomen oud-pelotonscommandant van de Rotterdamse politie te fusilleren.

„Extra schrijnend was dat de man werd geëxecuteerd door een van zijn vroegere onderdanen bij het Rotterdamse peloton dat in de loop van de oorlog was opgeheven. Duitsgezinde agenten uit dat peloton waren overgelopen naar het Duitse politiekorps. In een gesprek met de dader heb ik hem met die situatie geconfronteerd. Hij wist het zich niet meer te herinneren, zo zei hij me veelzeggend.”

Handhaven onder de nieuwe orde. De politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog; uitg. Aprilis, 2008; ISBN 978 90 5994 193 9; 816 blz.; € 39,00.