Gepost op

Bommen ruimen op volle zee

De Hr. Ms. Schiedam zet vanuit Scheveningen koers naar volle zee. Een handvol meeuwen scheert rond het schip. Op pakweg 16 mijl (30 kilometer) uit de kust ligt een Amerikaanse vliegtuigbom die geruimd moet worden. De mijnenjager mag de 500-ponder een kopje kleiner maken.

Commandant Sjoerd Feenstra van de M860 tuurt de horizon af. De Schiedam is dagelijks druk met dergelijke ”ernstmissies”. Twee weken lang maakt de mijnenjager deel uit van de NAVO-operatie Beneficial Cooperation, waarbij een vloot van zes marineschepen delen van de Noordzee schoonveegt. Sinds medio 2005 hebben vissers 693 explosieven opgevist, weer overboord gegooid en doorgegeven aan de kustwacht. Daarvan zijn er 470 geruimd. „We krijgen bijna elke dag nieuwe meldingen”, zegt Feenstra.

De Noordzee telt volgens schattingen zo’n 10.000 tot 300.000 niet-ontplofte vliegtuigbommen en mijnen uit de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Britse bommenwerpers die hun dodelijke last niet volledig boven Duits grondgebied kwijtraakten, dumpten deze op de terugvlucht naar Engeland in zee. Landen met scherpe munitie was in Engeland streng verboden.

Op de brug van de Hr. Ms. Schiedam hangt een Explosievenkaart, een schematisch overzicht van het gedropte wapentuig. De marine onderscheidt 27 verschillende mijnen en 5 soorten vliegtuigbommen. Alle explosieven -90 procent bom, 10 procent mijn- liggen op de zeebodem. Soms 15 meter, soms 55 meter diep.

Gevaarlijk
De situatie is niet zonder gevaar voor de vissers. Ook zestig jaar na de laatste oorlogshandelingen niet. Schipper Krijn van de Klooster verloor drie jaar geleden een zoon, een zwager en een matroos, nadat een opgeviste Amerikaanse 500-ponder in het ruim van zijn OD-1 ”Maarten Jacob” ontplofte. De explosie sloeg een groot gat in de kotter.

De visserijsector reageerde verslagen. Het aantal meldingen van aangetroffen bommen steeg explosief. Gaven de 400 Noordzeevissers voorheen hooguit 40 vondsten per jaar door aan de kustwacht, in het jaar na het dodelijke ongeluk kwam het aantal uit op 333. De aandacht van de vissers lijkt inmiddels weer wat te verslappen. In 2006 daalde het aantal meldingen naar 193, nog een jaar later naar niet meer dan 138. Voor het eerste kwartaal van 2008 staat de teller op 27. „Het belang van het melden van explosieven lijkt wat minder op het netvlies van de visserij te staan”, aldus marinewoordvoerder Valerie Meelker.

Defensie dringt er bij vissers op aan opgeviste vliegtuigbommen door te geven. „Het mooiste is als de vissers een sonarreflector aan het explosief vastmaken voordat ze dit weer overboord zetten. Maar ik kan me voorstellen dat ze zoiets niet altijd aandurven.”

Met hun sonarapparatuur kunnen de mijnenjagers ijzeren reflectoren vrij eenvoudig terugvinden. Sonar kan in principe over een afstand van 900 meter de zeebodem afzoeken op metalen voorwerpen. Door het troebele Noordzeewater beperkt het zicht zich in de praktijk echter tot zo’n 400 tot 600 meter.

Zware jongen
Zeemijnen kunnen op drie manieren worden geactiveerd. „Door magnetische velden, door waterdruk en door geluid”, somt Feenstra op. De taak van de mijnenjagers stelt speciale eisen aan het ontwerp. Om de invloed op magnetische velden te minimaliseren is de scheepshuid van de Alkmaarklasse gemaakt van met glasvezel versterkt polyester.

Verder is de waterverplaatsing met 855 ton relatief gering om de waterdruk zo klein mogelijk te houden. Bovendien beschikken de boten behalve over een krachtige dieselmotor (15 knopen) ook over twee stille elektromotoren (2 knopen) om te voorkomen dat de bom afgaat door geluidsgolven van het schip.

De Hr. Ms. Schiedam mindert vaart. Het schip nadert de ligplaats van de Amerikaanse vliegtuigbom. De bemanning maakt zich gereed voor de detonatie van bom BC684. Voorzichtigheidshalve schakelt de stuurman over op de elektromotoren.

De bom is een week eerder opgevist door de schipper van de GO-8 ”Eben-Haëzer” uit Goedereede. De visser heeft de exacte coördinaten van de vindplaats doorgegeven aan de kustwacht. Daarna heeft hij de zware jongen volgens voorschrift weer overboord gezet. De Schiedam mag het klusje klaren.

De marine hanteert twee methoden om de zeebodem op te schonen: met duikbootjes of met duikers. De onbemande onderzeeërtjes moeten 90 kilo springlading op maximaal 1,5 meter afstand van zeemijn of vliegtuigbom leggen om deze te laten ontploffen. Duikers kunnen volstaan met het plaatsen van 18 kilo TNT boven op de bom. Het effect is hetzelfde. Een onderwatervaartuig kan echter op grotere diepte en bij zwaardere stroming opereren.

Duikbootje
Geroutineerd zetten drie matrozen op het achterdek van de M860 een onbemand duikbootje met een camera in zijn neus klaar. Onder de buik van het 2,5 meter lange, gele gevaarte hangt 90 kilo TNT. Elke mijnenjager beschikt over een oorlogsvoorraad van 22 mijnvernietigingsladingen (mvl).

Een hijskraan zet het onbemande onderzeeërtje overboord. Vanuit een duistere mijnjachtcentrale onder in de Schiedam volgt sergeant Otto de verrichtingen. Alleen een paar beeldschermen lichten op. Met twee joysticks dirigeert hij het vaartuigje naar de plaats van bestemming, pakweg 150 meter verderop.

Via de camera speurt hij de zeebodem af. Het zicht is slecht. Zand dwarrelt voor de lens. Onder water is het knap donker. Toch is het duikbootje binnen 5 minuten op locatie. Het lossen van de explosieve lading blijkt nog niet zo eenvoudig. „Er staat een stevige stroming”, legt Feenstra uit. Behendig laat de sergeant het bootje duiken naar een diepte van 27 meter. Vlak bij de bom laat hij zijn TNT vallen. „Netjes gedropt, Otto”, prijst de commandant. De onderzeeër maakt rechtsomkeert.

De tijd dringt. De bemanning kan de de springlading na een kwartier activeren. Met een akoestisch signaal kan de mvl vervolgens op afstand tot ontploffing worden gebracht. „We hebben een halfuur de tijd om de zaak te laten springen”, legt de commandant uit. Na een halfuur is de springlading weer gedeactiveerd en kan ze niet meer tot ontploffing worden gebracht.

Uitgraven
De Schiedam vaart voorzichtig een eindje weg. Op 300 meter afstand blijft de mijnenjager liggen. Een satellietverbinding houdt het schip exact in positie, ongeacht stroming, golfslag of windrichting. Alleen mijnenjagers beschikken over deze geavanceerde techniek om te ”bufferen”.

Het uur U nadert. De bemanning houdt de adem in. Ook al is het een routineklus, de spanning stijgt bij elke detonatie weer. De brug stroomt vol met sterren en strepen. De commandant telt door de geluidsinstallatie af. „Tien, negen, acht, zeven…. twee, één.” Een schokgolf dreunt door het zeewater. Een watermassa golft omhoog. De mijnenjager trilt onder het geweld van de onderzeese explosie. Het water borrelt en bruist. Dan wordt het stil. Bom BC684 is geruimd. De Schiedam kan terugkeren naar Scheveningen.

Voor de veertigkoppige bemanning wacht morgen een nieuwe klus: drie bommen midden op de Noordzee. Soms is het knap lastig opgeviste en weer overboord gezette bommen te lokaliseren. „De zeebodem is voortdurend in beweging. Een bom kan na een paar dagen onder een halve meter zand zijn verdwenen.” De marine rest in zo’n geval niets anders dan een duiker het ding te laten uitgraven. Met een schep.

——————————————————————————–
Tien mijnenjagers

Zeemijnen zijn goedkoop, effectief en gevaarlijk. De kleinste variant kost slechts 15 euro.

Alleen een -valse- melding van een geplaatste mijn is al voldoende om het scheepvaartverkeer ernstig te ontregelen. De Koninklijke Marine staat paraat om in te grijpen. Defensie telt tien mijnenjagers. Niet erg riant. Voor 1989 had Nederland dertig stuks in de vaart.

De vaartuigen hebben hun diensten de afgelopen jaren bewezen bij crises in de Rode Zee, de Golf van Oman, de Perzische Golf en de Adriatische Zee. Eén mijnenjager vaart permanent bij een NAVO-bestrijdingseenheid.

De Nederlandse mijnenjagers, behorend tot de Alkmaarklasse, zijn zo’n twintig jaar in dienst. De schepen ondergaan op dit moment allemaal een midlife-update, waarbij de sonarapparatuur, de mijnjachtcentrale (de controlekamer aan boord) en de onbemande onderwatervaartuigjes ingrijpend worden vernieuwd.

Defensie onderzoekt mogelijkheden om opnieuw mijnenvegers in dienst te nemen. Het geavanceerde type schip -sinds 1989 wegbezuinigd- sleept apparatuur achter zich aan waarmee ook in het zand verstopte mijnen via magnetische golven en geluidsgolven tot ontploffing kunnen worden gebracht.