Gepost op

Mijnenjagers ruimen explosieven

Dat heeft Defensie dinsdag gemeld. Het gevaarte werd op 20 maart ontdekt door de Morgenster, 7 mijl uit de kust. De schipper meldde de locatie van het projectiel bij de autoriteiten.

Deze week is het permanente NAVO scheepsverband van mijnenjagers actief voor de Nederlandse kust om extra mijnen te ruimen. Ze hopen er vijftien tot twintig te vernietigen. Naast de Makkum zitten in dit SNMCG1 ook een Deens, Brits en Belgisch schip.

De bommen stammen nog uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens een ruwe schatting van Defensie liggen er nog 10.000 tot 300.000 onontplofte explosieven op de bodem van de ondiepe Noordzee. Gevechtsvliegtuigen dropten hun bommen in de zee als zij die niet hadden afgeworpen tijdens hun missie. De vliegtuigen mochten niet met hun explosieve lading landen.

De afgelopen vier jaar hebben vissers en opvarenden van zandzuigers 1006 explosieven gevonden en aangemeld bij Defensie. Ze laten ze op de gevonden plek liggen, zodat de marine ze kan ruimen. Als de bom op een druk of gevaarlijk punt ligt, maakt de marine extra haast.

De afspraak om de bommen te melden werd in het voorjaar van 2005 geïntensiveerd. Aanleiding was de ontploffing van een opgeviste Amerikaanse vliegtuigbom op het dek van een vissersboot uit Ouddorp. Daardoor werden drie opvarenden gedood.

Vorig jaar werden 130 vermoedelijke explosieven aangemeld. Dit jaar zijn dat er tot dusver 47, aldus Defensie.
bron: www.reformatorischdagblad.nl

Gepost op

Zoeken naar onbekend slachtoffer uit oorlog

Het kan „heel pijnlijk” zijn als nabestaanden van oorlogsslachtoffers niet weten waar hun geliefde ligt begraven, schetst historica dr. Regina Grüter, voorzitter van de vorig jaar opgerichte Werkgroep Vermiste Personen Tweede Wereldoorlog van het Nederlandse Rode Kruis.

Doel van de organisatie is om de komende tijd te proberen de ongeveer 570 Nederlandse vermisten uit de Tweede Wereldoorlog te identificeren. Hulp daarbij komt onder meer van de bergings- en identificatiedienst van de Koninklijke Landmacht en het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Op het Ereveld Loenen worden deze dagen 28 graven van onbekende Nederlandse oorlogsslachtoffers opengemaakt. Via DNA-onderzoekstechnieken proberen de speurders te achterhalen wie waar precies begraven ligt.

Van zeven vermoedelijke nabestaanden van de onbekenden heeft de werkgroep in ieder geval een DNA-profiel, via wangslijm verkregen.

De 28 oorlogsslachtoffers zaten in de Tweede Wereldoorlog allemaal gevangen in de Scheveningse strafgevangenis, ook wel Oranjehotel genoemd. Ze werden op de Waalsdorpervlakte bij Den Haag door de Duitsers doodgeschoten.

Twee keer eerder, in 1946 en in 1982, zijn vergeefse pogingen ondernomen om de identiteit van de 28 vast te stellen. „Toen waren er nog niet de geavanceerde technieken zoals we die we nu wel kennen”, vertelt Grüter.

De historica benadrukt het belang van de identificatie van de vermisten. Ze wijst erop dat het voor nabestaanden belangrijk is om te weten waar hun geliefde precies begraven ligt. „Dan kunnen mensen bijvoorbeeld bij een gedenksteen of een plaquette slachtoffers herdenken, bijvoorbeeld op 4 mei.”

Nog altijd zijn veel nabestaanden op zoek naar hun in de Tweede Wereldoorlog gestorven dierbaren. „Ook 65 jaar na de oorlog blijkt dat onzekerheid over de vraag waar iemand precies is terechtgekomen een groot beslag op mensen kan leggen. Ergens in het achterhoofd kan de twijfel ontstaan. Is mijn vader in de oorlog misschien naar Duitsland afgevoerd? In de jaren 80 en 90 dachten we: het aantal vragen zal zo zoetjes aan wel ophouden. De generatie die de oorlog meemaakte, zal langzaam verdwijnen. Toch blijven de vragen rond vermisten uit de Tweede Wereldoorlog komen.”

Grüter vermoedt dat zeker ook kleinkinderen van oorlogsslachtoffers willen weten hoe de vork in de steel zit. „Zij vinden bijvoorbeeld brieven van hun grootouders waaruit blijkt dat iemand vermist wordt. Ze willen weten wie dat zijn.”

Eerdere generaties hadden die drang minder, signaleert Grüter. „Ouderen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt, vertelden daar vrijwel nooit over. Het was een afgesloten hoofdstuk. Ze moesten na de oorlog weer verder. De handen uit de mouwen steken en niet terugkijken. Ook de generatie daarna was terughoudend in vragen over de oorlog. Dat deed je toen gewoon niet.”

Wie op zoek is naar een vermiste persoon uit de Tweede Wereldoorlog, kan aankloppen bij de afdeling Oorlogsnazorg van het Rode Kruis. Die gaat dan op zoek naar gegevens over de vermiste. „Er is allerlei materiaal beschikbaar. Vrijwilligers gaan daarmee aan de slag. Bijvoorbeeld door stadsarchieven door te spitten of bij het bejaardentehuis navraag te doen. Bij de ouderen zit vaak een schat aan informatie.”

„Zoeken naar onbekenden is ereplicht”
13-05-2009
LOENEN – Waar eerst een grafzerk lag, verdwijnt nu een schop in de grond. De serene rust op Ereveld Loenen, dodenakker voor oorlogsslachtoffers, wordt deze dagen ruw verstoord. Doel: zekerheid voor nabestaanden.

Een nijdig tuffende graafmachine doorbreekt deze zonovergoten dinsdag de stilte op Ereveld Loenen. De grijper van de groene machine schept met veel lawaai een lading zand omhoog. Omringd door cameramensen en fotografen maken de gravers het karwei af. Ze dragen handschoenen en beschermende kleding. Van de rust die normaal op een begraafplaats te vinden is, valt nu weinig te merken.

De bedrijvigheid vindt plaats rond een reeks witte grafzerken waarop ”Onbekende Nederlander” staat te lezen. Onder deze eenvoudige stenen liggen in de oorlog gestorven mensen begraven van wie de identiteit niet bekend is. De zerken zijn nu uit de aarde getrokken.

Met een ferme duw steekt een in militair tenu gestoken vrouw haar schop in het zand. Met een peilstok duwt ze af en toe in de grond om te controleren hoe ver ze nog moet graven. De soldaat spit door totdat ze op plastic stuit. Daaronder moeten lichamelijke resten liggen. Die worden de komende dagen uit de grond gehaald om DNA af te nemen.

In Loenen startte de Werkgroep Vermiste Personen Tweede Wereldoorlog gisteren het onderzoek naar 28 onbekende Nederlanders die op het ereveld begraven liggen.

Het heeft iets macabers, grafgrond omwoelen.

Voor de werkgroep was het schenden van de grafrust zeker een punt van discussie, erkent Peter van der Graaf, directeur van de Oorlogsgravenstichting, ook vertegenwoordigd in de werkgroep.

Voorop staat echter dat het zinvol is een poging te ondernemen nabestaanden zekerheid te bieden, benadrukt hij. „Grafrust is voor ons zeer belangrijk. Maar je kunt die rust met verstand doorbreken. Het is belangrijk voor nabestaanden dat we proberen de oorlogsslachtoffers te identificeren. We hopen mensen uitsluitsel over het lot van hun familieleden te geven.”

De poging tot identificatie van onbekende oorlogsslachtoffers is een „ereplicht”, zegt Geert Jonker, hoofd van de Bergings- en Identificatiedienst Koninklijke Landmacht. „Wij willen nabestaanden, zoals broers en zussen, weduwen en weduwnaren, helpen.”

Onzekerheid is funest, schetst Jonker. „Ons motto is: vermist is erger dan dood.” Hij noemt het onderzoek een „race tegen de klok”, vanwege onder andere de hoge leeftijd van nabestaanden.

In de vorig jaar opgerichte werkgroep bundelen onder meer de Oorlogsgravenstichting, de Bergings- en Identificatiedienst, het Nederlands Forensisch Instituut en het Rode Kruis hun krachten. Ze maken gebruik van elkaars bestanden. Onder meer vrijwilligers en historici proberen gegevens van de onbekende oorlogsslachtoffers op het spoor te komen.

De in 1945 opgerichte bergingsdienst houdt zich nog altijd bezig met de identificatie van oorlogsslachtoffers. Jaarlijks heeft de dienst ongeveer 40 zaken onder handen. De afgelopen jaren identificeerde de dienst „tienduizenden” lichamen.

Na de oorlog lag Nederland „bezaaid” met slachtoffers, legt Jonker uit. „Het waren vaak militairen die op het slagveld stierven, bijvoorbeeld nadat hun tank was geraakt. Of denk aan linecrossers, mensen die de geallieerde linies probeerden te bereiken. Hun lichamen werden snel begraven.”

Jonker is blij dat DNA-technieken onbekende oorlogsslachtoffers te identificeren zijn. „Deze werkwijze opent nieuwe deuren.”

Witte pakken bij grafzerken
13-05-2009
Met DNA-onderzoek hoopt de Werkgroep Vermiste Personen Tweede Wereldoorlog onbekende oorlogsslachtoffers te identificeren.

Een witte tent met daarin ontsmette onderzoeksinstrumenten, medewerkers van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in witte pakken. Ereveld Loenen, waar oorlogsslacht­offers begraven liggen, biedt deze dagen een bijzondere aanblik.

De graven van 28 onbekende oorlogsslachtoffers zijn onderwerp van minutieus onderzoek.

De inhoud per onbekend graf zal deze dagen belanden op de witte tafel in het mobiele NFI-laboratorium. Specialisten stellen per persoon DNA-monsters veilig. Die worden dagelijks naar het NFI in Den Haag vervoerd.

Van elk oorlogsslachtoffer neemt de NFI vijf monsters. Het gaat om delen van een rib, het dijbeen, twee kiezen en een tand. Deze lichaamsonderdelen bevatten het best bewaarde DNA.

Het identificeren van de meer dan een halve eeuw oude lichaamsresten duurt beduidend langer dan bij gebruikelijke DNA-onderzoeken. Het vergt drie tot zes maanden voordat de onderzoekers uitsluitsel hebben. „Het is voor een groot deel ambachtelijk handwerk”, licht NFI’er M. Oosterheert toe. „De resten vermalen we tot fijnstof, waardoor die geschikter zijn voor onderzoek.”

Sinds 2007 bevat de DNA-databank Vermiste Personen ongeveer 500 profielen. Los daarvan is er de DNA-databank voor strafzaken, met daarin meer dan 100.000 profielen van criminelen.

Oorlogsslachtoffers

Nederland verloor in de Tweede Wereldoorlog zeker 180.000 landgenoten. Het gros daarvan, de 103.000 Joodse Nederlanders, stierf of werd vermoord in de concentratie- en vernietigingskampen.

De Oorlogsgravenstichting beheert zo’n 50.000 graven van Nederlandse oorlogsslacht­offers: 25.000 op het Indonesische eiland Java, 13.000 in Nederland en 12.000 in vijftig andere landen.

Ons land kent twee erevelden voor omgekomen Nederlandse oorlogsslachtoffers: Ereveld Loenen en de Grebbeberg.

Op Ereveld Loenen zijn zo’n 3700 mensen ter aarde besteld, van wie ongeveer 10 procent militair is. Onder de begraven slachtoffers zijn ook gesneuvelden tijdens militaire missies na de Tweede Wereldoorlog.

Jaarlijks worden er op Ereveld Loenen nog mensen herbegraven, met name uit graven die elders in het land geruimd moeten worden.

Op de Grebbeberg liggen ongeveer 850 militairen begraven. Ze kwamen om tijdens de meidagen in 1940.

Gepost op

Te mooi om te verbranden

Jacqueline van der Hoeden is zes jaar als de oorlog uitbreekt. Ze is de jongste dochter van Jacob en Lien van der Hoeden. Ze heeft één broer, Bart, en twee zussen: Hannie en Rachel. Het Joodse gezin woont in Utrecht, waar vader Van der Hoeden als dierenarts en wetenschapper werkt.

Als de bezetter steeds verdergaande maatregelen neemt tegen de Joden, moet het gezin Van der Hoeden onderduiken. Net als haar broer en zussen krijgt Jacqueline een andere identiteit – voortaan heet ze Lieneke Versteegh. Na een aantal omzwervingen komt ze –helemaal alleen– in Den Ham terecht, een dorpje in Overijssel, bij dokter Hein Kohly en zijn Zwitserse vrouw Vonnette. Voor de buitenwacht is ze een nichtje uit Amsterdam.

Haar vader, die bij het verzet betrokken is geraakt –vanwege zijn tekentalent vervalst hij documenten–, stuurt haar brieven met speelse tekeningen om haar een hart onder de riem te steken. Hij gebruikt daarvoor een klein formaat schriften. ”’n Praatje met Lieneke” schrijft hij op de omslag van de eerste aflevering. „Weet je wat, neem jij nu even een groot stuk papier, een volle inktpot en een nieuwe pen… en vraag een dag vrij van school… en schrijf mij dan een gróte brief met veel tekeningen erin! En dan schrijf ik je weer een brief terug… en zo telkens heen en weer. Tot de postbode er duizelig van wordt.”

Alledaagse dingen

De brieven, die nu in facsimile zijn uitgegeven, gaan over heel alledaagse dingen: verjaardagen, school, het voorjaar, de vakantie. Ze zijn luchtig geschreven en versierd met grappige tekeningen. Lieneke, die sinds 1949 in Israël woont, heeft ze na de oorlog altijd zorgvuldig in een sigarendoosje bewaard. Af en toe kregen vrienden of familieleden ze te zien als ze erom vroegen. „Uit hun reacties begreep ik dat de brieven een grotere betekenis hadden dan een persoonlijk aandenken. Zowel kinderen als volwassenen werden er door geraakt.”

Dat is de reden geweest dat Lieneke de schriftjes, na enig aandringen, heeft uitgeleend aan het Yad LaYeled, het Shoahmuseum voor kinderen in het noorden van Israël. Yad Vashem, het Holocaustmuseum in Jeruzalem, had ook belangstelling, maar daar wilde Lieneke niet op ingaan. „Dat is zo’n groot museum. De brieven zijn te persoonlijk om daar te exposeren.”

Toen Lieneke begreep dat de brieven in het Yad LaYeled onder een glasplaat kwamen te liggen, stelde ze als voorwaarde dat er ook kopieën van gemaakt zouden worden. „Ik wilde dat kinderen de schriftjes konden vasthouden, erin konden bladeren. Daar heeft het museum voor gezorgd. Bovendien zijn er lege schriftjes gemaakt waarin kinderen vragen of opmerkingen kunnen noteren. Die krijg ik dan toegestuurd.”

Opgewekte, simpele brieven

„Ik merk dat kinderen door deze opgewekte, simpele brieven gaan nadenken over de oorlog en over de Holocaust. Hoe is het om jarig te zijn zonder dat je ouders erbij zijn? Wat doe je als je in een onderduikgezin varkensvlees moet eten? Wat kan ik nog meer lezen over de oorlog? Ze zitten vol vragen. En daar is het mij om te doen: de jeugd moet weten wat er met de Joden is gebeurd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat mag niet worden vergeten. Daarom beantwoord ik ook álle vragen die ik binnenkrijg.”

Toch is de briefuitgave niet in de eerste plaats voor kinderen bedoeld, zegt Lieneke. „Ik merk dat ouders met jonge kinderen zich met de schrijver identificeren: een man die tijdens de oorlog actief in het verzet is, een zieke vrouw heeft, van wie de kinderen elders in het land zijn ondergedoken en die zulke gezellige brieven aan zijn dochtertje schrijft. Ze proberen zich in te denken hoe dat geweest moet zijn.”

Getekende letters

Het maken van een reproductie van de schriftjes in het Hebreeuws was per definitie niet mogelijk. „Mijn vader tékende de letters als het ware op papier. Die zijn niet in Hebreeuwse tekens om te zetten.” Om het verhaal toch voor Joodse kinderen beschikbaar te krijgen, besloot Lieneke een auteur van naam in de arm te nemen om een boek te schrijven over haar onderduiktijd. „Dat werd Tami Shem-Tov. Ik had een boek van haar gelezen en dacht: zo wil ik het. We hadden beiden ook een duidelijke opvatting over de manier waarop het verhaal moest worden verteld: niet sentimenteel, niet dramatisch en niet tragisch. Nog altijd is de Holocaust voor Joden een groot trauma. Zeker kinderen kunnen die gruwelijke gebeurtenissen niet vatten. Voor hen is het allemaal te beangstigend en te bedreigend.”

„Mij is feitelijk niets verschrikkelijks overkomen”, zegt Lieneke, die speciaal voor de promotie van de vertaling van het boek naar Nederland is gekomen. „Ik ben overal liefdevol opgevangen en heb het in de oorlogsjaren redelijk goed gehad. Niemand van ons gezin is naar een kamp gevoerd of door de Duitsers omgebracht. Wel is mijn moeder op het eind van de oorlog overleden, maar dat kwam door haar ziekte. Ik heb haar één keer een uurtje kunnen spreken toen ik ondergedoken zat. Maar als je onze situatie vergelijkt met die van andere Joodse families, dan zijn we wonderlijk goed uit de oorlog gekomen.”

Hoe heeft u de oorlog ervaren?
„We waren Joods, maar niet in religieuze zin. Mijn vader was wat dat betreft tamelijk streng opgevoed, hoewel zijn ouders geen orthodoxe Joden waren. Uit een soort antihouding heeft hij zijn kinderen nauwelijks iets van het Joodse geloof meegegeven. Ik wist dus helemaal niet was Jood-zijn inhield toen de oorlog uitbrak. Opeens wás ik Jood en kreeg ik te maken met allerlei maatregelen van de bezetter. Ik mocht niet meer in parken komen, moest een ster dragen, dat soort dingen. Nu vind ik het jammer dat ik niet meer van het Joodse geloof heb meegekregen. Niet dat ik religieus ben geworden, maar ik vind dat je je wortels moet kennen.”

Fantasie
Het verhaal dat Tami Shem-Tov na vele gesprekken met Lieneke schreef, is een roman geworden. „Alles wat ze beschrijft, is ook echt gebeurd”, zegt Lieneke. „Maar ze heeft af en toe dingen aangepast om het beter op de brieven, die in het boek zijn opgenomen, te laten aansluiten. Niet alles gebeurde op de beschreven tijd of plaats. Ook de gesprekken zijn natuurlijk niet letterlijk zo gevoerd. Het is onmogelijk om je na zo’n lange tijd alles precies te herinneren. Bovendien had ik als kind een levende fantasie. Misschien ‘herinner’ ik me soms dingen alleen van horen zeggen. Ik ben er bijvoorbeeld niet 100 procent zeker van dat ik daadwerkelijk de executie van het echtpaar Van Laar in Den Ham heb gezien. Ze werden bij hun huis doodgeschoten omdat ze onderduikers hadden verborgen.”

Omdat het boek voor Joodse jongeren bedoeld was, realiseerde Lieneke zich niet meteen dat het ook in het Nederlands vertaald zou kunnen worden. „Dan had ik wellicht nog wat beter gekeken naar bepaalde formuleringen. Af en toe dacht ik bij het lezen van de kopij: laat maar zo, voor Joodse kinderen is dat niet zo belangrijk. Ik wilde de schrijfster ook niet al te zeer gaan betuttelen.”

Waarom heeft u niet zelf uw herinneringen op papier gezet?
Glimlachend: „Ik schrijf heel aardige brieven, maar ik ben geen schrijver.”

Wat is er met uw eigen brieven gebeurd?
„Die zijn vernietigd. Voor de kunstwereld is er trouwens niet veel aan verloren gegaan, mijn tekeningen waren lang niet zo geslaagd als die van mijn vader. Dat zijn brieven wel bewaard zijn gebleven is heel bijzonder. Het verzet eiste dat ze zo snel mogelijk nadat ze waren gelezen, werden vernietigd. Ik ben er van uitgegaan dat dokter Kohly dat ook had gedaan. Tot mijn grote verrassing gaf hij ze mij aan het eind van de oorlog terug.”

Lieneke vergelijkt dit met „een wonder, even groot als het wonder van de rechtvaardigen, zij die tijdens de Tweede Wereldoorlog hun leven op het spel zetten door Joodse kinderen en volwassenen te verstoppen en te helpen. Het boek is vooral ook een eerbetoon aan deze mensen die tegen het kwaad ingingen en het goede voor hun medemens zochten.”

Mede n.a.v. ”Voortaan heet je Lieneke”, door Tami Shem-Tov; uitg. Sirene, Amsterdam, 2009; ISBN 978 90 5831 518 2; 266 blz.; € 19,95; ”Brieven aan Lieneke”, door Jacob van der Hoeden; uitg. Sirene, Amsterdam, 2009; ISBN 978 90 5831 519 9; € 14,95.

——————————————————————————–

Een brief van oom Jaap

„De dorpsdokter overhandigde Lieneke de eerste brief, nadat hij haar had geleerd om hoestsiroop te maken. Ze stonden in de apotheekruimte, aan de grote werktafel, en Lieneke had er geen flauw idee van dat in de zak van het zwarte colbertjasje van dokter Kohly een brief zat van haar vader. Zij was geconcentreerd bezig met het bereiden van het medicijn: poeder afwegen op de weegschaal en water afmeten in een maatbeker. Ze mengde de twee bestanddelen in een fles van groenachtig dik glas, deed er een kurk op en begon de fles te schudden.

(…) „Lieneke”, zei hij en hij haalde een envelop uit de zak van zijn jasje, „ik heb iets voor je.” Verrast zette Lieneke de goed geschudde fles op de tafel en nam de envelop aan. Onmiddellijk wist ze wie hem gestuurd had, maar van pure opwinding kreeg ze hem niet open.

De dokter trok een stoel bij de tafel en beduidde Lieneke te gaan zitten.

„Het is een brief van oom Jaap,” zei hij.

Ze hield de brief stijf vast.

„Lees hem rustig… en geef hem dan weer aan mij.”

Lienekes blauwe ogen keken vragend naar de dokter.

„Ik moet de brief weer terughebben,” verklaarde hij. „Je begrijpt dat je hem niet kunt bewaren, want hij mag absoluut niet in verkeerde handen komen. Het is voor alle zekerheid, uit voorzorg. Als je hem gelezen hebt, krijg ik hem van je terug.”

Hij liep weer naar voren en Lieneke keek naar de envelop. Ze werd helemaal warm vanbinnen toen ze hem openmaakte. Er zat een brief in van haar vader. Hij had niet alleen geschreven, maar de brief ook geïllustreerd en er een boekje van gemaakt. Aandachtig las ze de zinnen, die in haar hoofd klonken alsof ze de diepe stem van haar vader hoorde, en ze bekeek de tekeningen. Die brachten haar pardoes terug naar de dagen van weleer, de tijd van voor de oorlog. In alle rust las ze de brief nog een keer, vanaf het begin.”

Uit: ”Voortaan heet je Lieneke”, door Tami Shem-Tov.

Gepost op

„Bureaucratie debet aan jodenvervolging”

Dat zegt prof. J. Houwink ten Cate, hoogleraar holocaust- en genocidestudies van de Vrije Universiteit Amsterdam. „In Nederland bestond voor de Tweede Wereldoorlog geen vinnig antisemitisme. Het lokale bestuur werkte gewoon goed mee met de bezetter, maar maakte zich niet schuldig aan het stelen van joods bezit. Dit laatste beschouwde die bureaucratie als onethisch.”

In totaal haalde 78 procent van de Nederlandse joden het einde van de oorlog niet. „In Brussel was dit getal veel lager, rond de 20 procent, omdat de burgemeester weigerde mee te werken aan de vervolging. In Antwerpen lag dat cijfer daarentegen een stuk hoger, rond de 60 procent, omdat ook daar het bestuur samenwerkte met de nationaal-socialisten.”

Een goed voorbeeld van de Nederlandse bureaucratie waren de transportlijsten van Westerbork naar Sobibor, stelt de Amsterdamse hoogleraar. „Als onderdeel van het proces tegen Sobibor-kampbewaker John Demjanjuk, nu wereldwijd de nummer één gezochte oorlogsmisdadiger, worden deze lijsten nu voor een positief doeleinde ingezet.”

Houwink ten Cate: „De Nederlandse transporten van Westerbork naar vernietigingkamp Sobibor in Polen spelen een belangrijke rol in de aanklacht zoals die door de Duitse justitie is geformuleerd. Alleen vanuit Nederland werden er namelijk nauwkeurig lijsten bijgehouden van wie er op transport werden gezet. En die lijsten werden weer verwerkt in het bevolkingsregister van de gemeente Hooghalen, waar Westerbork onderdeel van uitmaakt. Zo kunnen er specifiek namen worden gegeven van de mensen die in Sobibor werden vermoord in de tijd dat Demjanjuk werkte als kampbewaker.”

Het proces tegen de 89-jarige Demjanjuk vindt plaats wanneer de VS hem uitleveren en Duitsland het niet op medische gronden afblaast. Houwink ten Cate zal zich, samen met drie andere UvA-hoogleraren bezighouden met de begeleiding van Nederlands-Joodse mede-aanklagers, de eveneens op leeftijd zijnde nabestaanden van Sobibor-slachtoffers. „Het is belangrijk de aandacht te vestigen op wat er is gebeurd. Iedereen denkt dat alle joden uit bezet Nederland in Auschwitz zijn vermoord, maar dat is niet waar. Simon Wiesenthal zei al dat de pakkans van een oorlogsmisdadiger laag is, maar dat de jacht er wel voor zorgt dat de andere schuldigen slecht slapen. Deze lijn is ook door te trekken naar de Internationale Straftribunalen van nu, die om die reden vooral een preventieve en educatieve werking hebben, net als het mogelijke proces tegen Demjanjuk.”
bron: www.reformatorischdagblad.nl

Gepost op

Codebrekers verkortten oorlog

Dat stelt Hans van der Meer, gepensioneerd docent informatiewetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en cryptograaf.

„Op de Atlantische Oceaan lag het aan het begin van de Tweede Wereldoorlog vol met Duitse onderzeeërs, waardoor de aanvoer van goederen vanuit Amerika naar Engeland zeer lastig was. Toen de Engelsen in maart 1943 de Kriegsmarine-versie van de Enigma -een machine waarmee de Duitsers ‘geheime’ berichten verstuurden- definitief braken, konden ze de Duitse bewegingen volgen en veel van hun onderzeeërs uitschakelen”, zegt Van der Meer.

Door de hernieuwde aanvoer vanuit Amerika herstelden de Engelsen zich en zetten de invasie van Normandië op poten, zodat Nederland uiteindelijk ook kon worden bevrijd.

De Duitsers hadden volgens Van der Meer een enorm vertrouwen in de Enigma, een apparaat dat is voortgekomen uit een uitvinding van twee Nederlandse marine-officieren in Nederlands-Indië. „Terecht, omdat het een goed codeersysteem was. Maar foutief en slordig gebruik is de achilleshiel van elk systeeem. Zo ook de U-Boot Enigma, die de Engelsen in het voorjaar van 1943 konden kraken omdat de Duitsers wel de code voor de weerberichten veranderden, maar niet die voor de krijgshandelingen. Bij een bepaalde Duitse konvooiaanval werden zoveel berichten verstuurd, dat die de Engelsen weer op het goede spoor hebben gezet. De Duitsers hebben nooit geweten dat hun codes gebroken waren. Daar kwamen ze pas na de Tweede Wereldoorlog achter. Het heeft tot in de jaren zeventig geduurd voordat überhaupt bekend werd gemaakt dat de Engelsen de Enigma tijdens de Tweede Wereldoorlog al hadden gekraakt. Er is waarschijnlijk zo lang gewacht omdat ze de methodes waarmee dit was gebeurd niet prijs wilden geven. Misschien ook wisten of vermoedden de Engelse en Amerikaanse inlichtingendiensten dat de Oostduitse Stasi de Enigma nog gebruikte.”

De kennis die door de jaren heen is opgedaan in de cryptografie is volgens Van der Meer ook in de huidige tijd nog zeer bruikbaar. „Moderne computersystemen maken constant gebruik van geheimschrift. Bij het intypen van wachtwoorden of bij het pinnen wordt de verzonden informatie door geheimschrift beschermd. Eigenlijk is er in al die jaren niet zo heel veel veranderd, behalve dat het coderen nu digitaal gaat.”
bron: www.reformatorischdagblad.nl

Gepost op

Vondelinge zoekt naar eigen verleden

Er wordt in de aprildagen van 1945 hevig gevochten in de stad Groningen. Duitsers en Canadezen bestoken elkaar met alle mogelijke middelen. Een groot deel van de binnenstad gaat in vlammen op.

Het Diaconessenhuis is overvol. Eigenlijk kan er niemand meer bij in het ziekenhuis. Alleen een baby van ongeveer vier maanden oud wordt nog opgenomen. Enkele vrouwen brengen het meisje. Het is ernstig ondervoed en heeft nauwelijks overlevingskansen. De vrouwen willen niet zeggen wie ze zijn. Ook vermelden ze niet wie de baby is. Nadat ze het kind hebben afgegeven, gaan ze weer weg. Er is slechts één echt aanknopingspunt voor de identiteit van de baby. Op haar rug zit een pleister met een naam. In notulen wordt de naam op drie verschillende manieren overgenomen: Rauwerda, Rauwendal en Rouwendal.

Behalve de naam op de pleister is bekend dat de baby is gevonden in of bij een huis aan de Preadiniussingel, tegenover het Diaconessenhuis, mogelijk in de portiek. In het huis wonen tijdens de Tweede Wereldoorlog NSB-vrouwen en -kinderen.

De baby komt er tegen de verwachtingen bovenop en wordt in oktober 1945 opgenomen bij een echtpaar dat nog een aangenomen kind heeft. Ze noemen haar Riek Prins. De achternaam krijgt ze van haar pleegouders, de voornaam is van een van haar nieuwe oma’s.

Pleegouders

Riek groeit op zonder te weten dat ze is geadopteerd. „Pas toen ik vijftien jaar was, is het mij verteld”, zegt de nu 64-jarige vrouw. „Ik wist niet beter dan dat mijn pleegouders mijn echte ouders waren.”

Als tiener laat ze haar verle-den voorlopig voor wat het is. Het is in die tijd niet gebruikelijk er verder op door te vragen. „Ik voelde bovendien aan dat het waarschijnlijk toch niet zo’n mooi verleden zou zijn. De eerste maanden van mijn leven ben ik goed verzorgd. Daarna moet mijn moeder een reden hebben gehad om afstand van me te doen.”

Het leven zonder echte identiteit brengt ongemakken met zich mee. „Bij mijn huwelijk moest ik met mijn hand op de Bijbel een eed afleggen dat ik echt niets weet over mijn afkomst.” Wanneer een arts haar op latere leeftijd vraagt naar erfelijke factoren, beseft ze dat ze een onbekend verleden heeft.

Minister

Wanneer Asmus 27 of 28 jaar is, komen er vragen bij haar op. „Ik kreeg kinderen en bedacht dat mijn moeder ooit ook met mij op haar arm heeft gelopen.” Ze gaat op zoek en besluit een advertentie te plaatsen in een dagblad. Er volgen enkele reacties, maar goede aanknopingspunten blijven uit. Minister Korthals Altes van Justitie staat haar toe te zoeken in de archieven van het Paleis van Justitie in Den Haag. Ook dit is zonder resultaat.

Later probeert ze via een tv-programma achter haar identiteit te komen, maar de omroep heeft te weinig gegevens om een reportage te maken.

Asmus doet nu een laatste poging door in de publiciteit te treden. „Ik vraag me nog steeds af wat er met mij is gebeurd. Maar weinig mensen die de Tweede Wereldoorlog bewust hebben meegemaakt leven nog.”

Een mysterieus gegeven is haar persoonsbewijs, dat enkele jaren na de oorlog is gemaakt. Asmus heeft er een afdruk van. „Het persoonsbewijs is niet volledig ingevuld. Daarom had het nooit mogen worden afgegeven. Toch is het gebeurd. Ik vraag me af wie dat heeft gedaan en waarom. Ik denk dat er mensen waren die meer over mij wisten dan ze wilden zeggen.”
bron: www.reformatorischdagblad.nl

Gepost op

CIDI in actie tegen ontkennen Holocaust

De kennisbank ”66 Antwoorden aan Sjoa-ontkenners” reageert op de „vele vraagtekens, leugens en halve waarheden” van ontkenners van de Holocaust op internet. Zo geeft de kennisbank –onder meer te vinden op platformeducatiewo2.nl– antwoord op vragen als: „Is het dagboek van Anne Frank wel echt?” en „Hoe konden in zo korte tijd zes miljoen Joden worden vermoord?”

Het CIDI en het CJO geven aan de kennisbank zo veel mogelijk te willen verspreiden op internet om de ontkenning van de Holocaust „met harde feiten” te ontzenuwen.

„We merken dat Shoahontkenners, die zich eerst aan de rand van de samenleving bevonden, zich steeds meer proberen te beroepen op zogenaamd wetenschappelijke argumenten”, licht Elise Friedmann van het CIDI toe. „Zo beweren ze door bijvoorbeeld allerlei technische details te geven dat het verschrikkelijk lang duurt voordat een lichaam is verbrand en dat daardoor onmogelijk 6 miljoen mensen kunnen zijn verbrand. Wij ontkrachten die verhalen met harde feiten uit bijvoorbeeld processtukken.”

Holocaustontkenners, ofwel revisionisten, beweren dat de Shoah –de systematische vernietiging van 6 miljoen Joden in de Tweede Wereldoorlog– een Joods verzinsel is.

CIDI en CJO vinden het „diep kwetsend voor de nabestaanden van die 6 miljoen dat nu zelfs hun dood wordt weggevaagd. De beweringen van de Holocaustontkenners praten de misdaden van de nazi’s goed.”

De ontkenning van de Holocaust is nog springlevend, constateren de organisaties. „Onlangs nog bleek uit de uitspraken van de omstreden Britse bisschop Richard Williamson dat ook zo op het oog respectabele volwassenen deze leugens napraten.”
bron: www.reformatorischdagblad.nl

Gepost op

Gevallenen koopvaardij herdacht

Nabestaanden, (oud–)zeelieden en vertegenwoordigers van organisaties legden kransen en bloemen bij De Boeg aan de Boompjes. Burgemeester Ahmed Aboutaleb legde de eerste krans namens het gemeentebestuur van Rotterdam. Het Rotte’s Mannenkoor omlijstte de plechtigheid. Een havenpastor en een koopvaardijdominee hielden korte toespraken. Na de kranslegging volgde een defilé.

Op het nationale monument De Boeg staat de tekst „Zij hielden koers". Zeelieden die op 10 mei 1940 ’buitengaats’ waren, moesten voor de Nederlandse regering en daarmee voor de geallieerden varen. Zij waren vaarplichtig. De Britten en Amerikanen huurden de schepen van de rederijen en betaalden die ook.

Het betrof niet alleen zeelieden van de grote vaart. Alle zeewaardige schepen werden ingezet voor het vervoer, ook kustvaarders en vissersschepen. Zo bracht de Iris van de KNSM onder leiding van kapitein Klaas de Jong op 10 mei 1940 vanuit IJmuiden al het goud van De Nederlandsche Bank naar Londen. Een vissersboot smokkelde op diezelfde dag honderd joodse mensen naar de Britse hoofdstad.

In totaal voeren duizend schepen voor de geallieerden. De helft daarvan, zoals de Iris, gingen ’naar de kelder’. In de meeste gevallen door een torpedo, afgevuurd door een Duitse onderzeeër. Het HAL–schip van Gerrit Winterswijk, nu 90 jaar oud, zonk al op 7 oktober 1939; niet door een torpedo, maar door een Duitse magneetmijn.

De kranslegging bij De Boeg is niet al in 1957 begonnen, nadat het monument op 10 april van dat jaar was onthuld door prinses Margriet. Het gebeurde voor het eerst pas in 1966, op initiatief van de Stichting Koopvaardijpersoneel 1940–1945.

Gepost op

Stilstaan bij de gevallenen

Naarmate de tijd voorschrijdt en er dus minder overlevenden van de Tweede Wereldoorlog zijn, wordt de vraag actueler of de traditie gehandhaafd moet blijven om op 4 mei een ogenblik stil te staan bij de gevallenen.

Vooralsnog blijkt dat voor veruit de meeste Nederlanders geen punt te zijn. Ruim 80 procent zegt meestal of altijd op deze dag even de aandacht richten op degenen die in de oorlog zijn omgekomen.

Kennelijk beseft het overgrote deel van de bevolking nog altijd welk een leed er in de oorlogsjaren is geleden en hoe belangrijk het is daar één keer per jaar uitdrukkelijk bij stil te staan. Opmerkelijk is dat ook een groot deel van de jongeren (40 procent) de waarde van dodenherdenking blijft zien, zij het dat een groter deel van de jeugd meer ziet in Bevrijdingsdag dan in dodenherdenking.

Onder andere om jongere generaties bij dodenherdenking betrokken te houden, is al in 1961 besloten op 4 mei niet alleen stil te staan bij de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Ook gevallenen bij andere conflicten na 1945 worden tijdens het nationaal herinneringsmoment herdacht.

Toch is het de vraag of dit een goede keus is. Het is zeker waar dat de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog niet uniek zijn. Ook daarvoor en daarna heeft de geschiedenis laten zien dat mensen elkaar de meest verschrikkelijke dingen kunnen aandoen. De oorlog die de nazi’s ontketenden, staat dus in een trieste traditie.

Tegelijk is de systematische uitroeiing van de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog zo’n absoluut dieptepunt in de geschiedenis dat het goed is daar expliciet bij stil te staan. De Holocaust is een onbeschrijfelijk en onbevattelijk drama dat elke andere strijd daarmee niet in omvang en gruwel kan wedijveren.

Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat de andere oorlogen, revoluties en gewelddadigheden onbetekenend zijn. Zeker niet. Wie leest over de burgeroorlog in Rwanda, hoort van de gewelddadigheden in Congo of in Liberia –om maar enkele voorbeelden te noemen– kan zich afvragen of het mensdom ooit iets zal leren van de geschiedenis. Ook die slachtoffers mogen niet worden vergeten.

Toch is het goed die gewelddadigheden te onderscheiden van de Holocaust. Daarbij was sprake van een ideologisch gedreven systeem dat gericht was op de totale vernietiging van een volk. Waarbij onthutsend was dat bijna een heel volk zich zonder tegenstribbelen liet meevoeren in het kwaad. Zover kan het dus komen met ogenschijnlijk fatsoenlijke mensen. Juist daarom moet dodenherdenking vooral de herinnering van de Tweede Wereldoorlog levendig houden.

De meeste burgers blijken dat in de praktijk ook te delen. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat veruit de meerderheid van de Nederlanders op 4 mei denkt aan gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog en dat zij herinnerd moeten worden aan de omgekomenen bij andere conflicten.

Gepost op

„Over de oorlog wordt niet gepraat”

Wempe is al sinds 1994 voorzitter van de vereniging in Den Haag, die weer een lidvereniging is van het landelijke Voormalig Verzet. De oud-verzetsman vindt het welletjes geweest.

„Onze vereniging telt 25 oud-verzetsmensen in de leeftijd van 85 tot 95. Op onze maandelijkse bijeenkomsten krijgen we met moeite nog tien mensen bij elkaar.” Op de bijeenkomsten drinken de oud-verzetsmensen koffie, maar over de oorlog wordt niet gepraat. „Ik zou niet weten wat de andere leden hebben gedaan in de oorlog,” zegt Wempe.

Septemberridders
De geboren Hagenaar vertrouwt het ook niet zo wanneer mensen zo graag willen praten over die tijd. „Wanneer mensen vaak en uitgebreid hun verhaal doen, wordt de waarheid soms geweld aangedaan. We noemen zulke vertellers septemberridders, mensen die op Dolle Dinsdag de straat opgingen en om te bewijzen dat ze ‘goed’ waren geweest, hele verhalen verzonnen. Vaak hadden die niet zo’n mooi verleden als ze voorspiegelden.”

Wempe vertelt zijn verhaal bescheiden en zorgvuldig. In de Tweede Wereldoorlog werkte hij als ambtenaar op het ministerie van Justitie. Dat stond tijdens de oorlog in Apeldoorn. Alle ministeries waren in die tijd verspreid over heel Nederland, zodat ze minder kwetsbaar waren bij een aanval vanaf de kust. Wempe kopieerde vrijstellingsbewijzen, waardoor mensen geen enkele beperking van de vrijheid van beweging werd opgelegd.

Stempel
Toen er een Duitse ambtenaar op het ministerie kwam werken, zette die een Duitse stempel onder de bewijzen, wat kopiëren lastiger maakte. „Door toeval kwam ik in bezit van een Duits stempel. Sinds die tijd geloof ik niet meer in toeval. Ik maakte kopieën, zette er een stempel bij en speelde de brief door aan het verzet.”

Toen een collega van Wempe fulltime in het gewapend verzet ging en werd gefusilleerd, nam Wempe zijn plaats in de verzetsgroep in. „Ik rolde erin en vond het te knullig om nee te zeggen. Ik had nog geen gezin. Als ik dat wel had gehad, dan weet ik niet of ik het zou hebben gedaan.”

In oktober 1944 moest Wempe stoppen. Een ambtenaar van de burgerlijke stand gaf hem een seintje dat zijn naam bekend was geworden bij de bezetter. Hij vond een onderduikadres bij de familie Brink in het Apeldoornse Ugchelen.

Na de oorlog onderhield Wempe weinig contact meer met zijn verzetskameraden. Wempe: „In de oorlog hadden we één doel: saboteren wat je kon.

Na de oorlog bleken de motieven van verzetsmensen toch sterk te verschillen, doordat iedereen zijn eigen politieke en godsdienstige richting weer verkoos. We waren veel te druk met de wederopbouw om aan de oorlog terug te denken. Er werd wel een comité voor oudgedienden opgericht, maar dat werd in 1950 weer opgeheven.”

In 1980 kwam Voormalig Verzet Den Haag tot stand. In de begintijd had de vereniging 225 leden. De 25 die nu nog over zijn, ondernemen niet meer zo veel als vroeger. Per 11 mei heft de vereniging zichzelf op.

Wempe: „De voortdurende alertheid om bijeenkomsten te organiseren en de aanwezigheid bij een afscheidsplechtigheid vergt te veel aandacht en inzet van ons bestuur. We hebben het goed gehad met elkaar en we willen het graag ook goed afsluiten.”