Gepost op

Uitnodiging Erfgoed van de Oorlog

Nu, ruim 60 jaar na dato, zien we drie belangrijke tendensen:

1)      De generatie die de eerder genoemde intensieve beleving met de collectie en de objecten heeft gehad wordt ouder en neemt meer afstand van het beheer

2)      De objecten en de collecties die vaak wel tegen een stootje kunnen, raken aan het eind van hun incasseringsvermogen

3)      Praktijkervaring en moderne inzichten en mogelijkheden leiden tot een meer realistische interpretatie van de theorie van museaal beheer en behoud. Dit voortschrijdend inzicht komt niet terecht bij de ‘kleinere beheerders’ die nog steeds aan hikken tegen de ‘idealistische normeringen’.

Om de specifieke kennis op het gebied van behoud en beheer van bijzonder en kwetsbaar erfgoedmateriaal te vergroten en ‘up to date’ maken worden tussen nu en eind 2009 een twintigtal workshops georganiseerd door het hele land.

In de workshops zal steeds de praktijkervaring centraal staan. De deelnemers (ca. 20 tot 25) worden zelf in staat gesteld worden om voorbeelden van oplossingen aan te dragen, maar ook om met voorbeelden van problemen te komen.

De workshops worden geleid door mensen met ruime ervaring op het gebied van beheer van collecties, ook daar waar geen (of zeer weinig) budget beschikbaar is. De deelnemers zullen na deze dag terugkomen in de eigen organisatie met een groter begrip van de problematiek en de overtuiging dat voor het merendeel van de problemen goede en betaalbare oplossingen te vinden zijn. Deelnemers ontvangen een hand-out met directe informatie, bovendien beschikken ze een netwerk waar een beroep op gedaan kan worden.

Achtergrondinformatie:

Het project richt zich met name op ‘kleine beheerders’, kleinere collecties van WOII-collecties met minder dan één volledig betaalde arbeidsplaats die belast is beheer en behoud van het cultureel erfgoed.
 

Met het project Zorg voor het Kleine Geheugen willen de samenwerkingspartners het volgende bereiken:

a.) Bewustzijn creëren (waar nodig) en concretiseren van de risico’s waaraan de objecten worden blootgesteld;

b.) Het aanbieden van handreikingen en pragmatische oplossingen om de risico’s te verminderen en verval en verlies tegen te gaan;

c.) Het creëren van een netwerk van betrokkenen die laagdrempelig met elkaar communiceren en elkaar te hulp treden.

Helicon Conservation Support

www. helicon-cs.com/index.php5

Deelname: 25 euro incl. lunch

U kunt zich opgeven bij Erfgoed Nederland:

Het programma, het tijdstip en routebeschrijving wordt nagestuurd. Ook voor vragen kunt u terecht bij bovenstaand mailadres.

Data workshops: (onder voorbehoud)

13 januari Overijssel

27 januari Limburg

10 februari Drenthe

24 februari Utrecht

10 maart Gelderland

24 maart Brabant

7 april Zeeland

21 april Flevoland

14 mei Utrecht

30 juni Overijssel

14 juli Limburg

25 augustus Zuid Holland

1 september Noord Holland

15 september Utrecht

29 september Brabant

13 oktober Friesland

27 oktober Zeeland

10 november Gelderland

24 november Groningen

Wanneer u interesse heeft, of op de hoogte gehouden wilt worden, kunt u dit doorgeven aan het info@helicon-cs.com.

Erfgoed Nederland, sectorinstituut voor het erfgoed, het Landelijk Contact Museumconsulenten (LCM) en het Provinciale Overleg Erfgoedhuizen Nederland (OPEN) starten het project Zorg voor het Kleine Geheugen. De inhoudelijke invulling en uitvoering ligt in handen van Helicon Conservation Support.
 

Gepost op

Berging bommenwerper uit WOII

Het toestel is in de meidagen van 1940 gecrasht. Daarbij kwamen drie bemanningsleden om. Ze liggen begraven op begraafplaats Westduin.

Er is een kleine kans op aanwezigheid van explosieven in het wrak, toch wordt de grond rond het toestel zorgvuldig afgegraven. Ook het verwijderen van restanten van het vliegtuig gebeurt minitieus. De berging van de Bristol Blenheim IV duurt een week.
Uitgangspunt is dat omwonenden zo min mogelijk last hebben van de berging.
bron: www.reformatorischdagblad.nl

Gepost op

„Vermogen Joodse wezen in oorlog goed beheerd”

De twee onderzochten het beheer van de vermogens van Joodse minderjarigen die in de Tweede Wereldoorlog beide ouders hadden verloren. Drie organisaties, waaronder het Joods Maatschappelijk Werk (JMW), hadden opdracht tot de studie gegeven. Dat gebeurde nadat Elma Verhey in haar boek ”Kind van de rekening” (2005) tot de conclusie was gekomen dat de erfenissen en tegoeden van de minderjarige wezen op zeer omstreden wijze waren beheerd.

Volgens de twee onderzoekers zijn er echter geen aanwijzingen dat er van het vermogen misbruik is gemaakt. Ze schrijven dat de materiële en sociale zorg van de Joodse voogdijinstellingen gunstig afstak tegen de kille manier waarmee de overheid die Joodse kinderen tegemoet trad. De onderzoekers vinden dat de Joodse instellingen zich met veel toewijding voor de belangen van de wezen hebben ingezet.

Gepost op

Centraal Joods Overleg overweegt schadeclaim witwaspanden

Dat zei drs. R. M. Naftaniel, directeur van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI), woensdagochtend in Radio 1 Dit is de Dag. Naftaniel reageerde op de vandaag bekend geworden uitkomsten van het archiefonderzoek van E. Slot van het Historisch Nieuwsblad. Daaruit blijkt dat vastgoedmakelaars tijdens de Tweede Wereldoorlog grof geld verdienden door de handel in geroofde panden van Joodse Nederlanders.

Slot deed in het Nationaal Archief en het Amsterdams Stadsarchief onderzoek naar het criminele vastgoedcircuit ten tijde van de bezetting. Hieruit blijkt dat de Duitse bezetter ongeveer 20.000 panden van Joden inpikte. Deze werden vervolgens via Nederlandse makelaars verkocht.

De malafide makelaars maakten daardoor miljoenen guldens winst. Bovendien wasten veel klanten op deze manier zwart geld wit dat ze hadden verdiend door voor de Duitsers te werken. Ook de grootvader van de in 2004 vermoorde vastgoedmagnaat Willem Endstra zou zo aan de jodenvervolging hebben verdiend. Volgens het onderzoek kocht Minne Endstra panden van Joden om zijn verdiensten uit het camoufleren van vliegvelden voor de Duitsers wit te wassen.

Slot stelt dat ook de gemeente Amsterdam panden van Joden opkocht. Joodse huiseigenaren en hun nabestaanden hadden na 1945 grote moeite om het afgepakte onroerend goed terug te krijgen. De meeste kleinere oorlogsopkopers werden in Nederland na de oorlog niet gestraft.

„Er heeft een schandalige verrijking plaatsgehad”, stelt Nafthaniel. „Zowel overheidsinstellingen als foute Nederlanders hebben daarvan geprofiteerd. Dat moet rechtgetrokken worden.”

Naftaniel kondigde aan dat het Centraal Joods Overleg alle omstreden vastgoeddossiers zal laten doorspitten door de Raad voor Rechtsherstel, een overheidsinstelling die toeziet op Joodse compensatiebetalingen. Onduidelijk is waar de schadeclaims moeten worden neergelegd.

Gepost op

Kindskelet naast soldatengeraamte

„Kijk, deze spullen heb ik pas nog gevonden.” In het bos naast het Arnhems Oorlogsmuseum ’40-’45 houdt Eef Peeters deze druilerige novembermorgen de overblijfselen van een roestige veldradio en een onderdeel van een koplamp omhoog. De voorwerpen dateren uit de Tweede Wereldoorlog. Peeters, directeur van het museum en fervent speurder naar oorlogsoverblijfselen, vond de militaria op een voormalig slagveld bij Berlijn.

Als jongen was Eef Peeters al „geïntrigeerd en gefascineerd” door militaire voorwerpen. „Ik raak het groene virus niet meer kwijt.” Hij groeide op in de buurt van de bekende Arnhemse John Frostbrug. Daar werden tijdens een zware strijd in september 1944, tijdens de operatie Market Garden, de geallieerden in hun opmars gestuit.

Met een detector speurde Peeters in later jaren in bossen en weilanden op vroegere slagvelden. „Zo bleken in de bodem van een Nijmeegs park, begroeid met rododendrons, honderden pistolen te liggen. Vlak bij de woning van oud-premier Van Agt. Op die plek was voorheen een interneringskamp voor Canadezen gevestigd.”

Zocht Peeters aanvankelijk op Nederlandse slagvelden, sinds de val van de Berlijnse Muur in 1989 beproeft hij zijn geluk in Duitsland. Die overstap heeft te maken met de in zijn ogen rigide regelgeving in Nederland. Zo mogen hobbyisten hier in principe niet zoeken naar oorlogsmaterieel in de bodem. In Duitsland zijn de autoriteiten „meer meegaand.” Als Peeters bij de oosterburen een skelet van een soldaat vindt, gunt de ingeseinde gravendienst hem bijvoorbeeld de riem van de militair; in Nederland kan hij dat vergeten. Daar komt bij dat in Duitsland bij de speurtochten naar militair materieel „meer kans op succes” is.

Zakcentje
Zo’n acht keer per jaar reist de Arnhemmer, samen met een paar andere liefhebbers, voor enkele dagen af naar voormalig oorlogsterrein -ter grootte van ongeveer de provincie Gelderland- in de buurt van Berlijn. Op de slagvelden struinen honderden mensen met zoekapparatuur rond. Hobbyisten uit alle windstreken, maar ook lokale werklozen die een zakcentje willen bijverdienen. „Een helm kan bijvoorbeeld 50 euro opleveren.”

In de loop der jaren haalde Peeters heel wat militaria uit Duitse bodem. Een nummerplaat van een SS-auto, een SS-jas, een motorhelm van een militair die voor de Wehrmacht briefjes naar het front moest brengen. In 2000 groef hij een petje van een Nederlandse SS’er op. „Duitsers die paddenstoelen aan het zoeken waren in het bos, wezen me erop dat de man was begraven op een begraafplaatsje in de buurt.”

Van tijd tot tijd stuit Peeters op geraamtes van militairen. Intrigerend was een vondst van een skelet van een Duitse militair met daarnaast het skeletje van een kind. „Heel triest. Misschien heeft die soldaat zich in het vuur van de strijd over dat kind willen ontfermen.”

Donkere kledij
Peeters verheelt niet dat zijn speurtochten op Duitse slagvelden behoren tot een „grijs gebied.” Officieel mogen particulieren er niet aan de slag. De autoriteiten vrezen dat het graafwerk van de schatzoekers historische sporen wegwist. Om zo min mogelijk op te vallen, hult Peeters zich voor zijn zoekacties in donkere kledij. De Arnhemmer is „zo’n twintig, dertig keer” door de politie weggestuurd, maar kwam er vooralsnog telkens zonder boete van af. De andere kant van het verhaal is, zegt Peeters, dat Duitsers blij zijn als er resten van gesneuvelde soldaten worden gevonden. „Zo zijn anderhalf jaar geleden bijvoorbeeld honderd van die menselijke overblijfselen ceremonieel begraven.”

Gepost op

Westmaas eert verzetsstrijder met straatnaam

Bij de onthulling waren leden van het gemeentebestuur en familieleden aanwezig. De straatnaamgeving in Westmaas is een initiatief van de Stichting Johannes Kolf.

Kolf, die geboren werd op 6 november 1915 in Westmaas, verzette zich tijdens de Tweede Wereldoorlog tegen de overheersing van de Duitse bezetters. Zowel in de Hoeksche Waard als in Utrecht en Friesland heeft hij zich ingezet voor de bevrijding van Nederland.

Johannes Kolf is vooral bekend geworden vanwege zijn aandeel in de overval op het huis van bewaring in Leeuwarden. Bij deze overval werden ruim vijftig gevangenen bevrijd zonder dat er een schot werd gelost. De Duitsers waren zo onder de indruk van deze verzetsactiviteit dat zij geen represaillemaatregelen namen. Van de overval is film gemaakt.

Kolf heeft de bevrijding niet meer mogen meemaken. Hij werd ontdekt door een Nederlands lid van de Sicherheits Dienst (SD) die een inval deed in het huis te Leeuwarden waar hij ondergedoken zat, na een tip over een illegaal radiotoestel. Kolf sloeg op 29 januari 1945 via de achterdeur op de vlucht, maar doordat het sneeuwde en hij op klompen liep, kwam hij niet snel weg. In een vuurgevecht met de SD werd Kolf dodelijk getroffen. De verzetsstrijder werd 29 jaar.
bron: www.reformatorischdagblad.nl

Gepost op

NSB’er als vader

Cogis heeft dit najaar ook een begin gemaakt met Open Archief, een project dat kinderen en kleinkinderen van foute ouders de mogelijkheid biedt op een speciale website hun verhaal te doen (openarchief.nl). Tientallen mensen hebben inmiddels op het initiatief gereageerd. Speciaal voor hen organiseert Cogis schrijfcursussen waarin zij kunnen leren hoe ze woorden aan hun emoties kunnen geven.

Kinderen van foute ouders spelen ook een rol in een tentoonstelling over de internering van NSB’ers, hun vrouwen en kinderen in Kamp Westerbork (kampwesterbork.nl). De expositie is van 1 december tot en met 31 maart te bezichtigen in het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Er worden verschillende themadagen met historici, ooggetuigen en kinderen van foute ouders georganiseerd.

Tot op de dag van vandaag voelt ze zich erop aangekeken, zij het minder dan vroeger: haar vader koos tijdens de Tweede Wereldoorlog de verkeerde kant, hij deed zelfs mee aan de Jodenvervolging. Tanja van der Woud-Wolterbeek (63): „Als mensen mij afwijzen of met argwaan bejegenen, zegt mijn gevoel vaak: Terecht. Maar het ís natuurlijk niet terecht.”

Ze was nog niet geboren toen haar vader lid werd van de NSB en later, in de oorlogsjaren, zich aansloot bij de SD, de Duitse Sicherheitsdienst. Zijn besluit om zich aan de zijde van de bezetter te scharen, zou op haar leven een zware wissel trekken. „Ik was kind van foute ouders. Zo zagen de mensen mij. Dat ik daarop werd afgerekend, daar had ik begrip voor. Lange tijd dacht ik dat ik dat had verdiend”, zegt Van der Woud.

Enkele maanden na haar geboorte in Kamp Vught, waarheen haar moeder net als veel vrouwen van collaborateurs na de bevrijding was overgebracht, werd ze in een pleeggezin geplaatst. Haar vader zat toen achter slot en grendel, opgepakt wegens Jodenvervolging. Vanuit het SD-hoofdkwartier in Eindhoven had hij jarenlang deelgenomen aan arrestaties en wegvoeringen van Joodse mannen, vrouwen en kinderen. Hij had er dertien jaar gevangenisstraf voor gekregen.

Op haar zevende keerde Van der Woud terug naar haar moeder in Eindhoven. „Mijn vader mocht in die tijd ook naar huis vanwege een ernstige ziekte. Zeven maanden later is hij overleden. Ik heb nauwelijks herinneringen aan hem, behalve dan dat hij me een keer op m’n kamertje met een liniaal hard op m’n beide handen sloeg omdat ik in een winkel ongevraagd een snoepje uit een pot had genomen.”

Duitse woordjes
Van der Woud werd zich het foute verleden van haar vader vooral in haar tienerjaren bewust. „Soms lieten mensen dat tussen neus en lippen door merken, soms heel openlijk. Ooit siste een leraar Duits op de middelbare school mij toe: „Heb jij je woordjes niet geleerd? Dat hoeft ook niet, waarom zou jij die nog moeten leren?” Vanbinnen voelde ik mij diep geraakt, maar ik had inmiddels geleerd niets van m’n emoties te laten zien.”

Toen Van der Woud op haar zeventiende werd uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek in een ziekenhuis, zag ze haar brief met cv en referenties op het bureau van haar gesprekspartner liggen. „Ik wist niet wat ik zag. Op het papier waren enkele aantekeningen gemaakt. Te midden van de krabbels stond in grote letters: NSB. Kennelijk had een van mijn referenten het nodig gevonden dat door te geven. Gelukkig bleek het geen obstakel te zijn om mij aan te nemen.”

Extra belastend voor Van der Woud was het gegeven dat haar moeder, die enkele maanden geleden overleed, geen enkele bereidheid had tot een gesprek over haar vader en haar eigen betrokkenheid bij diens werk. „Ik kon met mijn gevoelens nooit bij haar terecht. Ook later niet, toen ik op onderzoek uitging en op het ministerie van Justitie het dossier over mijn vader las en mij duidelijk werd hoezeer hij zich in de oorlog had misdragen.”

De muur van zwijgzaamheid leidde bij Van der Woud tot gevoelens van eenzaamheid. „Ik zou zo graag op allerlei vragen antwoord krijgen. Hoe is mijn vader ertoe gekomen mee te doen aan de uitroeiing van de Joden? Wat heeft hem bewogen? Hoe kon hij ooit zover komen? Wat was hij voor een man? Ik vind het pijnlijk dat ik daar geen zicht op heb. Ik heb nooit een vader gehad van wie ik heb kunnen houden.”

Lotgenoten
Lange tijd hechtte Van der Woud geloof aan het idee dat zij zelf niet helemaal deugde omdat haar vader als NSB’er en SD’er helemaal niet deugde. Totdat ze begin jaren tachtig in aanraking kwam met de Werkgroep Herkenning, een organisatie voor kinderen van foute ouders. Door gesprekken met lotgenoten kreeg ze meer zicht op haar eigen situatie en werd het haar duidelijk dat zij allerminst verantwoordelijk kon worden gehouden voor wat haar vader heeft gedaan.

„Met vallen en opstaan heb ik geleerd dat ik een eigen, volwassen mens ben, verantwoordelijk voor mijn eigen doen en laten”, zegt Van der Woud. „Ik schaam me er niet meer voor om te zeggen dat mijn vader in de oorlog fout was, al vind ik het nog niet altijd even gemakkelijk. Ook heb ik er geen behoefte meer aan zijn gedrag te vergoelijken. Híj heeft het gedaan, ik en mijn drie broers en mijn zusje hebben er niets mee te maken.”

Ze vindt ook niet dat ze als dochter de roeping heeft om de misdaden van haar vader te compenseren door overdreven aardig te doen jegens anderen en zorgzamer te zijn dan ze al is. „Tegelijk zie ik wel bij mezelf dat het leed en de psychische schade van medemensen mij snel raken. Ik wil graag opkomen voor mensen die gebukt gaan onder onrecht. Misschien heb ik door mijn eigen ervaringen meer oog gekregen voor hun pijnlijke omstandigheden.”

Meer informatie: www.werkgroepherkenning.nl.

„Pijnlijk genoeg had hij geen ruggengraat”

Zacharias Sleijfer was in de Tweede Wereldoorlog een gevreesd man. Vriend en vijand had weet van de martelpraktijken die hij er als SD’er tijdens verhoren van verzetsmensen op nahield. Zijn zoon, mr. Willem Sleijfer, nam er als tiener met afschuw kennis van. „Er moet een moment in zijn leven zijn geweest waarop hij wist: Ik ga een grens over. Dat hij toen niet terugdeinsde, dat neem ik hem kwalijk, ook ruim zestig jaar na dato.”

Was zijn vader een sadist? Mr. Sleijfer (63), advocaat in Leeuwarden, aarzelt bij de vraag naar een typering van het karakter van zijn vader, de man die in Friesland nog altijd bekendstaat om zijn optreden bij het verhoren van gevangenen. „Onmiskenbaar had hij sadisme in zich”, erkent hij. „Maar er was meer. Mijn vader bood verzetsmensen ook hulp. Hij waarschuwde hen bijvoorbeeld als er een actie van de Duitsers op komst was. Daar getuigden hun bedankbrieven na de oorlog van.”

Was Sleijfer senior een slappeling? „Ja”, zegt Sleijfer, „in zekere zin wel. Hij had geen morele ruggengraat, geen levensovertuiging die hem duidelijk maakte dat wat hij deed niet door de beugel kon. Natuurlijk, het zou moeilijk voor hem zijn geweest om zich los te maken uit het net waarin hij verstrikt was geraakt. Toch zeg ik: Had hij het maar geprobeerd.”

Creatief
Sleijfer heeft zijn vader nauwelijks gekend. Hij kwam in augustus 1945 ter wereld, zijn vader zat toen in de gevangenis in Den Haag. Pas toen Sleijfer senior begin jaren vijftig om onduidelijke redenen van rechtsvervolging werd ontslagen en justitie hem overplaatste naar een inrichting in Franeker, mocht hij af en toe bij hem op bezoek komen. „Ik vond hem een aardige man. Hij maakte mooie tekeningen voor mij.”

Gepost op

Joden en NSB’ers in hetzelfde kamp

Blom opende een tentoonstelling over Westerbork als interneringskamp voor foute Nederlanders in de jaren 1945-1948. Zijn grootvader was een van de 89 NSB’ers die door de erbarmelijke omstandigheden in het kamp overleden. Zijn vader, lid van de staf van prins Bernhard, kon niet alleen het lichaam van grootvader ophalen, maar ook grootmoeder -een reumapatiënte die het anders niet zou overleven- en een tante, om voor hen te zorgen. Ze kwamen bij hem in huis.

Daarmee werd de familieband hersteld die vader Blom in 1943 radicaal verbroken had. „Bij ons was het oorlogsverleden later geen taboe, zoals in andere NSB-families, maar het was ook geen favoriet onderwerp.”

Blom bracht dit verhaal bewust naar buiten voordat hij directeur van het NIOD werd. „Om latere ’onthullingen’ te voorkomen.”

Dat tekent de gevoeligheid van het onderwerp. „Er is enige druk op ons uitgeoefend om deze expositie niet te laten doorgaan”, zei directeur D. Mulder van het herinneringscentrum maandag.

Het centrum, dat dit jaar 25 jaar bestaat, heeft uitvoerig aandacht besteed aan de Joden en zigeuners die in dit doorgangskamp opgesloten zaten. De laatste 876 Joodse gevangenen werden op 12 april 1945 bevrijd. Binnen twee weken stroomden de eersten van 8000 NSB’ers, SS’ers en andere van collaboratie met de nazi’s verdachte mensen hetzelfde kamp binnen.

„Er waren palen geslagen en het kamp was in tweeën gedeeld. Het was een bizarre situatie”, vertelde Fred Mouw maandag. Als kind van een Joodse vader die verraden en opgepakt was en een protestantse moeder die zich vrijwillig bij haar man voegde, verbleef hij van Kerst 1944 tot juni 1945 in het kamp. De Joden (zelfs kinderen, zoals de latere minister Van Thijn) kregen de taak de NSB’ers en de SS’ers te bewaken. „Mijn moeder moest NSB-vrouwen lichamelijk onderzoeken.”

Na de Tweede Wereldoorlog werden in Nederland naar schatting tussen de 120.000 en de 180.000 mensen enige tijd geïnterneerd. Voor hen werd de bijzondere rechtspleging uitgedacht, die soms afweek van de gebruikelijke rechtsregels.

In de kampen was sprake van mishandeling van de NSB’ers. Een aantal van hen overleed, ook door de slechte leefomstandigheden in het eerste halfjaar na de bevrijding. Als voorbereiding van de tentoonstelling over Westerbork is hiernaar voor het eerst wetenschappelijk onderzoek gedaan.

Naarmate de tijdsafstand tot de oorlog groter wordt, komt het onderwerp langzaam uit de taboesfeer. Op 30 oktober werd in Westerbork een bijeenkomst van kinderen van foute ouders gehouden. En zij traden vrijdag samen met kinderen van Joodse onderduikers op tijdens vier gastlessen waar lesmateriaal over NSB’ers na de oorlog gepresenteerd werd. Het NIOD is onderzoeken gestart en op de website hetopenarchief.nl kunnen betrokkenen hun verhaal kwijt.
bron: www.reformatorischdagblad.nl

Gepost op

Europa herdenkt einde Eerste Wereldoorlog

Drie van de vier Britse nog levende veteranen van de Grote Oorlog herdachten hun overleden strijdmakkers in Londen. Henry Allingham (112), Harry Patch (110) en Bill Stone (108) symboliseerden respectievelijk de luchtmacht, landmacht en marine bij het Cenotaph-monument.

De Franse president Nicolas Sarkozy leidde een herdenking op een begraafplaats in het Noord-Franse Douamont. Hij brak met de traditie, want in voorgaande jaren werd de wapenstilstand van 1918 herdacht bij het graf van een onbekende soldaat, onder de Arc de Triomphe in Parijs.

Sarkozy sprak op de begraafplaats, waar de resten van militairen bewaard worden die sneuvelden door de strijd van Verdun in 1916, van een diepe wond in de geschiedenis en zei de bevrijders nooit te zullen vergeten.

In het Belgische Ieper kwamen duizenden mensen samen bij de Menenpoort, waar de namen opstaan van Britse en Ierse militairen die na de oorlog nooit meer zijn teruggevonden. De Vlaamse premier Kris Peeters pleitte bij het monument voor de oprichting van een internationale werkgroep, die de 100–jarige herdenking van de Grote Oorlog moet voorbereiden.

De meeste plechtigheden vonden plaats om 11.00 uur. Dat tijdstip staat voor het elfde uur, op de elfde dag in de elfde maand in 1918. Op dat tijdstip ging na vier jaar oorlog het staakt–het–vuren officieel in.

Ook buiten Europa kwamen mensen bijeen om de slachtoffers van de oorlog te herdenken. In de Verenigde Staten legde vicepresident Dick Cheney een krans op de nationale militaire begraafplaats in Arlington. In Australië waren ook bijeenkomsten.

In Nederland werd de Eerste Wereldoorlog eerder al herdacht. Er waren onder meer bijeenkomsten in Nunspeet en Ede. Daar dacht men terug aan de duizenden Belgen die tijdens de oorlog naar het neutrale Nederland waren gevlucht en op de hei verbleven.
bron: www.reformatorischdagblad.nl

Gepost op

Poolse generaal uit oorlog opgegraven

Vladislav Sikorski overleed in 1943 door een mysterieus vliegtuigongeluk. Zijn graf in de zuidelijke stad Krakau wordt op 25 november leeggehaald, meldden functionarissen gisteren.

„Doel is een einde te maken aan de voortdurende speculaties rond zijn dood”, aldus Janusz Kurtyka, hoofd van het Poolse Instituut voor Nationale Herinnering (IPN). Kurtyka hoopt aanwijzingen te vinden of het om een ongeluk of een moord ging.

Sikorski was een van de belangrijkste leiders van de Poolse regering in ballingschap in Londen ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Hij overleed op 4 juli 1943 toen een vliegtuig van de Britse luchtmacht waarin hij zat, kort na het opstijgen op Gibraltar de zee indook. Volgens de enige overlevende, de Tsjechische piloot, waren de versnellingen geblokkeerd.