Gepost op

Slag om Arnhem opnieuw beleefd

Hartenstein is hard aan een renovatie toe. Daarbij wordt het gebouw zo veel mogelijk in oude staat teruggebracht en beter toegankelijk gemaakt voor mindervaliden. In de hoge kamers worden exposities ingericht rond thema’s als de voorbereiding van de luchtlandingsoperatie, pers en propaganda, de gevechten in en rond de Gelderse hoofdstad en de logistiek.

„Daarmee stappen we af van de huidige opzet, die de gebeurtenissen van dag tot dag laat zien en daardoor nogal wat herhaling bevat”, zegt penningmeester P. H. Tirion. „Voor sommige vrijwilligers is het best een omschakeling. We voegen ook nieuwe invalshoeken toe: niet meer alleen de militaire kant van de zaak, maar ook hoe de burgers die dagen beleefden. Zij hebben hun aandeel geleverd aan de verdediging en de gewondenverzorging. Ook de gebeurtenissen aan Duitse zijde zullen meer aandacht krijgen.”

De oude ingang aan de zuidkant wordt vervangen door een nieuw entreegebouw aan de westzijde. Daar bevindt zich een lift die bezoekers zowel naar de bovenverdieping als naar een nieuwe ondergrondse ruimte voert. De uitbreiding biedt een oplossing voor het ruimteprobleem. „Onze collectie breidt zich nog regelmatig uit door schenkingen die we ontvangen.”

Beleving
In de 800 vierkante meter grote kelder aan de zuidzijde van de villa beleven bezoekers via voorwerpen, filmbeelden en geluidseffecten de luchtlanding, de opmars naar Arnhem, de strijd rond de brug, de verdediging van Oosterbeek en de terugtocht over de Rijn. „In plaats van er van achter het glas naar te kijken, lopen bezoekers er nu doorheen. Vooral jongeren spreekt dat meer aan.”

De klus begint dit najaar -het museum gaat een aantal maanden dicht- en moet bij de grote herdenking in september 2009 geklaard zijn. De bijna 6 miljoen euro die ervoor nodig is, is door overheden en sponsors bijeengebracht.

Het is niet de enige klus die Tirion als bestuurscoördinator innovatie onder handen heeft. De voorlichting aan schoolkinderen -ook uit Duitsland- wordt uitgebreid en de samenwerking met andere oorlogsmusea meer gestroomlijnd. Naast de Arnhemse John Frostbrug is een gratis toegankelijk informatiecentrum geopend. Er werden 5000 bezoekers per jaar verwacht, maar dat aantal is inmiddels verdubbeld.

In september wordt de Liberationroute geopend: tussen Normandië en Arnhem zijn tientallen luisterkeien aangebracht: een steen met een foto van een gebeurtenis op die plaats en daarbij een telefoon waarmee een informatielijn gebeld kan worden.

Het bezoekersaantal van het Airborne Museum heeft zich, na een periode van achteruitgang, de laatste jaren gestabiliseerd: zo’n 55.000 per jaar. Een kwart komt uit het buitenland, onder wie veteranen en hun familieleden. „De vroegere strijders vallen steeds meer weg, maar hun families blijven trouw komen. De oorlog heeft bij de militairen een onuitwisbaar stempel op de rest van hun leven gezet. Sommigen hebben vastgelegd dat ze in Oosterbeek begraven willen worden, bij hun makkers.”

Na de renovatie verwacht het museum een stijging van het bezoekersaantal. „Daarbij hebben we het voorbeeld van het Belgische Ieper voor ogen: daar is het bezoekersaantal van het museum over de Eerste Wereldoorlog na een grootscheepse opknapbeurt met sprongen gestegen.”
bron: www.reformatorischdagblad.nl

Gepost op

„Infobord Capelse veer deugt niet”

Burgemeester en Wethouders voelen niets voor de plaatsing van een nieuw bord. „De discussie is gesloten”, schreef het college onlangs in een brief aan Roitero. „Wij vinden het niet wenselijk dat er via de media opnieuw een polemiek ontstaat. Daarmee zou naar ons idee geen recht worden gedaan aan slachtoffers en nabestaanden.”

Voor Roitero is daarmee de kous niet af. De Waalwijker verzekert dat hij bij zijn actie voor een goed informatiebord de steun heeft van opmerkelijk veel sympathisanten, onder wie bevrijders en nabestaanden van gesneuvelden. Bovendien staat de stichting Vrienden van de Oorlogsgraven der Geallieerden in Waalwijk en omstreken (VOGW) achter hem.

Daar houdt het niet mee op. „Ik heb nu al de beschikking over een lijst met meer dan duizend handtekeningen. Die wordt in september aangeboden aan B en W. Inmiddels ligt er ook ruim voldoende geld op tafel van bevrijders en nabestaanden voor een nieuw bord.”

Eerder was er felle kritiek van Roitero op het informatiebord dat het Comité 4 en 5 mei en het departement Langstraat van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen bij het Capelse veer hadden geplaatst. De tekst op het bord klopte niet. Voor de gemeente was dit aanleiding de tekst te laten herzien door een commissie van drie historici.

Volgens Roitero zijn zij bij hun onderzoek naar de gebeurtenissen bij het Capelse veer „oppervlakkig en ongenuanceerd” te werk gegaan. Zo was, verklaart hij, het ophanden zijnde Duitse offensief gericht op Antwerpen en niet op Breda. En niet het Oude Maasje gold als frontlijn, maar de Winterdijk van Waalwijk tot en met Waspik. Het bord noemt alleen de verliescijfers van de Polen bij de eerste aanval. De verliescijfers bij de latere aanvallen van de Polen, de Britten, de Noren en de Canadezen ontbreken.

Verder worden de Duitse eenheden die daar streden niet genoemd. Ook onjuist is volgens de historicus dat bij de vierde aanval van de Canadezen de Duitsers van het bruggenhoofd zijn verdreven. Roitero: „De Duitsers trokken zich op 31 januari 1945 vrijwillig terug.”

Roitero geldt als een ingewijde bij uitstek als het gaat over de gevechten bij het bruggenhoofd. Hij raadpleegde en bestudeerde alle militaire rapporten, ook van Duitse zijde. Hij schreef daarover in 1991 een boek met de titel ”Fall Braun. De strijd om Kapelsche veer 1944-1945”.

Gepost op

Nazi-arts Heim waarschijnlijk nog in leven

Heim, alias Dokter Dood, staat bovenaan de lijst van mensen naar wie het Simon Wiestenthal Centrum op zoek is. Als hij nog leeft is hij nu 94 jaar. Het feit dat bezittingen op zijn naam, waaronder een bankrekening met 1,2 miljoen euro, nog niet door zijn kinderen als erfenis zijn geclaimd, vormt volgens de onderzoekers van het centrum een belangrijke aanwijzing dat hij nog in leven is.

Vertegenwoordigers van het centrum, Efraim Zuroff en Sergio Widder, reizen woensdag af naar de Zuid–Chileense stad Puerto Montt, lange tijd de woonplaats van Heims dochter. Vervolgens steken ze het Andes–gebergte over naar Argentinië, naar het toeristenoord Bariloche.

Heim zou zich tijdens de Tweede Wereldoorlog in het concentratiekamp Mauthausen schuldig hebben gemaakt aan gruwelijke medische experimenten op gevangenen, waarvan hij nauwkeurig verslagen bijhield in zijn dagboek. Lichaamsdelen van zijn slachtoffers zou hij hebben gebruikt als decoraties.

Na de Tweede Wereldoorlog verbleef de arts tweeënhalf jaar in Amerikaanse hechtenis, maar hij werd niet berecht. In 1962 dook hij onder, na een tip dat de Duitse justitie een opsporingsbevel aan het voorbereiden was.

Gepost op

In memoriam Dignus Kragt 1917- 2008

Deze organisatie organiseerde ontsnappingsroutes voor in bezet gebied gestrande geallieerde militairen. Dicks opdracht was om in ons land een ontsnappingsroute voor boven Nederland neergeschoten piloten op te zetten.

Het begon slecht. Dick had als voorwaarde gesteld dat hij blind gedropt zou worden, want hij vond ontvangstcomité’s te gevaarlijk. De eerste pogingen om hem te droppen mislukten omdat de piloot het juiste punt niet kon vinden. Uiteindelijk sprong Dick in de nacht van 23 op 24 juni 1943 ergens tussen Epe en Vaassen toch nog op het verkeerde punt. Volgens Dick had de piloot hem te vroeg het groene licht gegeven. Zijn bagage met de zender kwam kilometers verder terecht en was in het donker niet te vinden. Dit was erg lastig was want daardoor moest hij lange tijd de zenders van anderen gebruiken. Bovendoen werden zijn spullen gevonden door een NSB’er die alles direct aan de Duitsers overhandigde. De vijand wist dus dat er een geheim agent in de buurt was. Gelukkig waren hun zoekpogingen tevergeefs. Dick zag kans contact te maken met het Nederlandse verzet. Hij ging samenwerken met de groep van Joop Piller. Het bleek dat de papieren die hij in Engeland meegekregen had niet zo best waren. De leeuwen op zijn persoonsbewijs keken de verkeerde kant op. Voor Piller was het geen probleem om voor een echt persoonsbewijs te zorgen.

Dick begon met het opzetten van een ontsnappingsroute via Maastricht naar België.

Zijn grootste karwei in 1944 was misschien wel het opvangen en terug naar Engeland laten brengen van de airbornes die na de Slag om Arhem gestrand waren en over de zuidkant van de Veluwe zwierven. Na Pegasus I, een militair georganiseerde operatie waarbij in de nacht van 22 op 23 oktober 138 airbornes de Rijn overstaken kwam de desastreuze Pegasus II, een poging om dit te herhalen die mislukte. Dick was betrokken bij de voorbereidingen maar tegen het plan omdat hij het te gevaarlijk vond. Het werd echter toch doorgezet in de nacht van 17 op 18 november. Slechts zeven mannen bereikten de overkant, een aantal werd gevangen genomen en de rest zwierf rond. Dick probeerde hen te vinden, aan papieren te helpen en van burgerkleren te voorzien. Hij vergaderde iedere dag met zijn team in het huis van Evert en Marie Bruinekreeft-van der Wiel. Zij hadden een kruidenierswinkel annex postkantoor. Evert was de postbode en kon dus overal zonder dat men argwaan kreeg mededelingen doorgeven. De vader van Marie was de dorpsveldwachter en kon onderduikers over straat begeleiden.

Bovendien viel het niet op als er veel mensen aan huis kwamen want in een kruidenierswinkel is het altijd druk. De airbornes moesten toen over de Rijn tussen Overlangbroek en Amerongen en dan door de Betuwe. Dit ging goed tot er in januari 1945 in de Betuwe zo hevig gevochten werd dat die route onbruikbaar was. Daarom werd begin februari 1945 de route door de Biesbos in gebruik genomen. De airbornes zaten tot ze wegkonden in opvanghuizen in o.a. Leersum, Doorn en Maarn. Dick controleerde of deze adressen veilig waren en zorgde ervoor dat alles zo goed mogelijk verliep. Uiteraard deed hij dit niet alleen. Er was een grote groep van verzetsmensen die de airbornes op de verschillende etappes van hun reis begeleidden.

Dick was erg voorzichtig en hield altijd het hoofd koel. Stoer doen was hem vreemd. Hij had een uitgebreid netwerk opgebouwd van mensen die ergens nuttig voor waren. Zelf fietste ik met hem op 4 februari 1945 van Groot Ammers naar Maarn. Winters waren toen veel strenger dan nu. Er lagen overal nog stukken ijs langs de Lek en ook dreef er nog ijs in het water. Het was streng verboden om bij Groot Ammers de Lek over te steken. De Duitsers hadden bij Schoonhoven  zoeklichten om de rivier in de gaten te houden. Dick kende echter de schipper van een bootje van Rijkswaterstaat die daar beroepshalve moest varen. We staken veilig met dat bootje over. Eén keer werd hij bijna gepakt. Hij fietste met een aantal stafkaarten die opgerold in zijn fietstas zaten. De Duitsers die hem aanhielden wilden weten wat dat was. Hij vertelde dat het behang was en hield zo’n roerend verhaal op over hoe moeilijk het was om aan behangselpapier te komen en hoe hij er toch in geslaagd was om nu zijn kamer een behoorlijk behangetje te kunnen geven. Ze vergaten te kijken of het echt behang was en Dick mocht doorfietsen. Dick was een van de twee door geheime diensten uitgezonden agenten die bijna twee jaar lang namelijk van juni 1943 tot de bevrijding hun operaties in bezet gebied konden voltooien.

De Nederlandse regering toonde haar erkentelijkheid door hem te decoreren met de Bronzen Leeuw. Van de Amerikanen kreeg hij de Medal of Freedom met gouden palm en ook de Engelsen gaven hem een hoge onderscheiding.

Hij was erg bescheiden en sprak vrijwel nooit over de oorlog. Het Parool en nog enkele kranten hadden evenals de website van het Veteraneninstituut als kop boven zijn necrologie: ‘Oorlogsheld Dick Kragt Overleden’. Hij zou daarom geglimlacht hebben.
Na de oorlog werkte hij bij de KLM en woonde toen in Nederland. Hij trouwde met een Noorse vrouw en ging op latere leeftijd in Noorwegen wonen. Ook toen zijn vrouw overleed, bleef hij daar wonen. Zijn laatste bezoek aan Nederland was bij de 50e herdenking van de Slag om Arnhem in 1994. Er was toen een reünie van de Arnhem veteranen met de verzetsmensen die hen destijds geholpen hadden. Dat was de laatste keer dat ik hem zag. Ons contact daarna was alleen nog telefonisch.

Het was een voorrecht hem gekend te hebben.

Moge hij rusten in vrede.

Loek Caspers  

Gepost op

Geboeid door bunkers

Ze zien er van een afstandje stoer en onoverwinnelijk uit, de bunkers langs de oude strandboulevard van Hoek van Holland. Van dichtbij blijft er van dat beeld weinig meer over. De betonnen bouwsels zijn beklad met graffiti, bezaaid met rommel of bedolven onder het zand.

Het is eigenlijk streng verboden gebied, het terrein van de voormalige Seezielbatterie Vineta in Hoek van Holland. Voor de onwetende bezoeker is dat echter niet duidelijk. Er heeft weliswaar een afscheiding gestaan, maar de ijzeren draad ligt verroest op de grond. Er staan ook volop prikkende doornstruiken, maar daartussen lopen talloze smalle paadjes die rechtstreeks naar de acht bunkers van het voormalige Duitse verdedigingscomplex lopen. De paadjes worden zo te zien regelmatig gebruikt.

Het schietgat van bunker type R 671sk is dichtgemetseld met kalkzandstenen. Onderin zit echter een gat waar precies een persoon doorheen kan kruipen. Waarschijnlijk het werk van de Haagse bunkerploeg, die op zijn site meldt welke Vinetabunkers hij heeft ’onderzocht’. Tientallen foto’s tonen hoe de bunkers er vanbinnen uitzien.

Camouflagekleding
Bunkerploegen zijn groepen mensen die bovenmatig geïnteresseerd zijn in de Tweede Wereldoorlog en de Duitse verdedigingswerken. De ploegen zijn te vinden langs de hele Atlantikwall, de verdedigingsgordel van de Duitsers die een invasie van geallieerden moest voorkomen. De amateurbunkeronderzoekers gaan vooral ’s nachts op pad, gekleed in camouflagekleding. Het uitgraven van bunkers is namelijk streng verboden. Toezichthouders in de duingebieden zijn dan ook niet bepaald blij met de toenemende belangstelling voor de Atlantikwall.

Een van hen is Geo van Geffen, correspondent van Stichting Menno van Coehoorn, een landelijke vrijwilligersorganisatie die zich inzet voor het behoud van historische verdedigingswerken. „Wij zijn de oren en ogen van de organisatie”, glimlacht Van Geffen. De vijftiger heeft beroepshalve regelmatig met bunkerploegen te maken. „Een bunker onderzoeken is op zich geen probleem als er van tevoren toestemming is gevraagd bij de beheerder van het gebied. Maar dan is de spanning eraf. Dus gaan de meeste bunkerploegen illegaal te werk.”

Vleermuizen
De amateuronderzoekers houden daarbij geen rekening met de beschermde natuurgebieden waarin de bunkers staan. Ook de vleermuizen die in de ondergrondse ruimtes hun winterslaap houden, worden regelmatig door bunkerploegen gestoord.

Veel valt er volgens Van Geffen niet te doen tegen het illegale bunkerbezoek. „Bordjes met verboden toegang hebben een gemiddelde levensduur van een week. IJzeren hekwerken waarmee bunkers zijn afgesloten, worden met een slijptol gesloopt. We kunnen moeilijk elke nacht patrouilleren.” Bij de bunkerploegen zijn volgens Van Geffen ook „criminele figuren” aangesloten. „In Oostvoorne is het bijna tot een vechtpartij gekomen tussen toezichthouders en leden van een bunkerploeg.”

Ronald van der Mije van de Zandvoortse bunkerploeg geeft toe dat zijn groep zich niet altijd aan de regels houdt. „Het is een soort kat-en-muisspel met de boswachters.”

Gevaarlijk
Het illegaal onderzoeken van bunkers is levensgevaarlijk. Eind maart raakte een 16-jarige jongen uit Den Haag zwaargewond doordat hij een blok beton op zijn rug kreeg. Hij was samen met vrienden een bunker aan het uitgraven in het Westduinpark. De jongen brak een paar rugwervels en zal langdurig een korset moeten dragen. In Katwijk raakten in april twee jongens bedolven onder het zand toen ze een bunker uitgroeven. Van Geffen: „Een van die twee is nog geen maand later weer betrapt bij het bunkergraven. Blijkbaar heeft hij er nog niet genoeg van geleerd. We zouden de kosten van zijn redding op hem moeten verhalen, misschien helpt dat wat.”

Musea
Het slechte imago van de bunkerploegen heeft als gevolg dat niet iedereen enthousiast is over hun plannen om bunkers als museum in te richten. Bij de nieuw in te richten musea in Scheveningen en Zandvoort zijn de bunkerploegen nauw betrokken.

Ook voorzitter Cor Quist van de Stichting Vesting Hoek van Holland zet vraagtekens bij nieuwe initiatieven. „Het toekomstige Atlantikwallmuseum in Scheveningen en de bijbehorende rondleidingen in de onderaardse gangen krijgen veel aandacht van de media alsof er iets unieks te gebeuren staat. Terwijl niet alleen wij, maar ook Staatsbosbeheer in Wassenaar en het bunkermuseum in Noordwijk al jarenlang dergelijke rondleidingen doen.”

De Stichting Vesting Hoek van Holland opende in 1996 het eerste Atlantwallmuseum in Nederland. In nog geen tien jaar kwamen er vier bij: in Vlissingen, Zoutelande, Noordwijk en IJmuiden.

„Bommen smoorden in het zand”
„Benauwde momenten” heeft D. Bakker (91) meegemaakt tijdens bombardementen op Zeeuwse Atlantikwall. „Hoeveel bommen de geallieerden ook gooiden, ze kregen de Duitsers niet uit hun bunkers.”

De toen 27-jarige Bakker woonde in 1943 in Souburg, vlak bij de verdedigingsvesting Vlissingen. De Duitsers bouwden bij Vlissingen een van de drie Festungen binnen de Nederlandse Atlantikwall. De kanonnen bestreken de monding van de Westerschelde en daardoor de toegang tot de Antwerpse haven. Ook waren er Flakstellingen waarvandaan de Duitsers geallieerde vliegtuigen onder vuur namen.

Die lieten het er niet bij zitten en bombardeerden regelmatig de Duitse stellingen. Daarbij vielen ook burgerslachtoffers. Het huis van Bakker werd getroffen door bomscherven. „Ik moest heel wat dakpannen vervangen”, herinnert de Zeeuw zich. Een andere keer viel er een bom in een nabijgelegen sloot, waardoor de hele straat onder de modder zat.

Eind 1943 werd het huis van de Bakkers gevorderd. Het moest onderdak bieden aan Duitse soldaten uit de bunkers van Festung Vlissingen. „Je had maar te gaan”, vertelt Bakker. „Maanden later ben ik nog eens wezen kijken. Terwijl wij aan alles gebrek hadden, lag er een hoop antracietkolen de tuin en hing er een geslacht varken in de keuken.”

Toen de geallieerden in 1944 oprukten, kregen zij de Duitsers niet uit hun vesting. „De bommen smoorden in het zand”, weet Bakker. „De moffen waren niet voor de poes.” Om de Duitsers toch te verdrijven, staken de geallieerden de dijken door. Bakker: „Toen moesten we voor de tweede keer verhuizen, nu naar de hoger gelegen dorpen in Walcheren. Ja, de oorlog was een angstige tijd.”

„Moffen waren zo kwaad nog niet”
„Ik had het niet graag willen missen”, zegt C. van der Hoeven (85) uit ’s Gravenzande over het verplicht werken dat hij in de oorlog deed rond de Atlantikwall. „Het was weer eens wat anders dan in de kwekerij.”

De toen 20-jarige Van der Hoeven werkte in 1942 bij zijn vader op de tuinderij in ’s-Gravenzande. Regelmatig werd hij opgeroepen om bij de Atlantikwall te werken. „Soms hoorde je een halfjaar niets, en dan moest je weer elke veertien dagen één dag komen opdraven.”

De opgeroepen mannen gingen in een streng bewaakte colonne richting de bunkers bij Hoek van Holland of ’s-Gravenzande. „Je moest niet buiten die colonne komen, want dan werd er geschoten.” De Westlanders moesten vooral loopgraven maken. „Eerst van dennenboompjes, maar toen de Engelsen met fosforbommen gingen gooien, moesten die boompjes weer vervangen worden door graszoden, omdat de stammetjes te makkelijk in de fik vlogen.”

Het was bijna onmogelijk om onder het werk uit te komen. „Je kon wel onderduiken, maar dan kregen je ouders een boete of erger.” Toch waren de Duitsers volgens Van der Hoeven zo kwaad niet. „Als je iemand anders inhuurde, was het ook prima. En erg hard hoefde je niet te werken. Als je maar bezig was, was het goed.”

Er waren volgens de ’s-Gravenzandenaar ook wel verzetsmensen die bij de bunkers aan de slag gingen. Zij gaven hun ogen goed de kost en konden informatie doorspelen naar de geallieerden. Van der Hoeven was ook nieuwsgierig naar de verdedigingswerken. „Ik mocht graag vragen: Wat is dat voor een soort bunker? Of hoe groot is dat kanon? Maar ik werd gewaarschuwd dat de Grüne Polizei mij in de gaten ging houden. Toen ben ik er maar mee gestopt.”
bron: www.reformatorischdagblad.nl
Gepost op

Duitsland wil uitlevering Demjanjuk

Al drie decennia duurt de juridische strijd rond de voormalige autowerker uit een voorstad van Cleveland, Ohio. Zijn advocaat, John Broadley, zei dat de 88-jarige Demjanjuk mogelijk te ziek is voor de reis naar Duitsland. Hij kan niet zonder hulp opstaan uit een stoel, zei Broadley. Demjanjuk zegt dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in het sovjetleger diende, in 1942 door de Duitsers werd opgepakt en vanaf dat moment krijgsgevangene was.

Demjanjuk werd geboren in Oekraïene en werd in 1986 uitgezet naar Israël. Het Amerikaanse ministerie van justitie geloofde dat hij de sadistische bewaker bijgenaamd Ivan de Verschrikkelijke uit Treblinka was. Maar het Israëlische hooggerechtshof liet hem vrij, omdat bewijs boven water kwam dat een andere Oekraïener Ivan de Verschrikkelijke was.

Demjanjuk kreeg vervolgens zijn Amerikaans burgerschap, dat hem in 1958 werd verleend, terug. Maar het Amerikaanse ministerie van justitie heropende de zaak, op grond van bewijs dat hij een andere nazi-bewaker was. Ook dreigde het ministerie met deportatie, omdat Demjanjuk bij aankomst in de VS in 1952, en opnieuw in 1958, valsheid in geschrifte pleegde. Het hooggerechtshof weigerde onlangs Demjanjuks beroep tegen de dreigende uitzetting in behandeling te nemen.

Duitse aanklagers zeggen dat Demjanjuk bewaker was in het concentratiekamp Sobibor in Polen. Daar was hij volgens de Duitse justitie mogelijk medeplichtig aan de moord op 25 duizend joden uit Duitsland, Polen en Nederland.

Gepost op

VS mogen SS–kampbewaker Kumpf uitzetten

De 83–jarige Josias Kumpf was onder meer kampbewaker in Trawniki, Majdanek, Buchenwald, Sachsenhausen en Mittelbau. Volgens de Amerikaanse justitie was hij persoonlijk aanwezig bij ’Aktion Erntefest’ in het Poolse Trawniki. Daar werden op 3 november 1943 circa 8000 joden doodgeschoten, onder wie 400 kinderen.

De SS’er Kumpf kan nu worden uitgezet naar Duitsland, Oostenrijk of Servië. Hij emigreerde in 1956 naar de VS. Daar kreeg hij in 1964 de Amerikaanse nationaliteit. In 2003 begon de Amerikaanse justitie een zaak tegen Kumpf om hem van zijn staatsburgerschap te ontdoen.

Gepost op

Eerbewijs voor hulp aan Joden

Het echtpaar Roskam, dat behalve Jaap nog twee jongere zoons had, nam in oktober 1942 de ongeveer 42 jaar oude Meijer Wolder in huis. Hij was een tabakshandelaar uit Amsterdam. Overdag bleef de onderduiker boven, ’s avonds kwam hij naar beneden om bij de familie te zitten. Wanneer het helemaal donker was, ging vader Roskam vaak even een kleine wandeling met hem maken, zodat hij wat beweging en wat frisse lucht kreeg. De onderduiker kon de situatie van vervolgd en bedreigd te zijn echter niet aan en pleegde in maart 1943 zelfmoord. Heel in het geheim moest het lichaam worden begraven. Na de bevrijding is Wolder herbegraven op de Joodse begraafplaats in Wageningen.

In diezelfde maand maart arriveerden kort na elkaar zeven Joodse onderduikers. Een van hen, Bert Polak (geboren in 1927), was zogenaamd een neefje uit Alkmaar, die voor enige tijd bij zijn oom en tante in Wageningen logeerde. In het huis aan de Haagsteeg, waar normaal gesproken vijf mensen woonden, verbleven nu twaalf mensen. De ondergrondse leverde voor de onderduikers de nodige bonkaarten. Bij het inkopen moest worden opgepast dat geen argwaan werd gewekt, iedereen wist immers dat het gezin uit vijf personen bestond. Daarom werden de inkopen verdeeld over onder andere drie kruideniers en meerdere bakkers.

Verschillende malen waren er razzia’s. Diverse keren wisten de onderduikers zich tijdig te verbergen. Op 21 september 1943 liep een inval echter dramatisch af. Onverwachts stormden twee Nederlandse SD’ers binnen. De onderduikers werden aangehouden. Bert bleef volhouden dat hij een neefje van de familie was en bleef gespaard. Ook een van de onderduikers wist te overleven. Zij was de avond ervoor gestruikeld en kon niet lopen naar het politiebureau. Toen even later een zijspan kwam om haar op te halen, was ze verdwenen.

Vijf onderduikers werden een maand later in Auschwitz vermoord. Bert dook onder op verschillende plaatsen en keerde na de Tweede Wereldoorlog naar Wageningen terug. Hij was donderdag aanwezig bij de uitreiking van de onderscheidingen.

Ook het echtpaar Roskam overleefde de oorlog. Vader Roskam dook in de oorlog een jaar onder. Hij voegde zich na Dolle Dinsdag, op 5 september 1944, weer bij zijn gezin.
bron: www.reformatorischdagblad.nl

Gepost op

Motor bommenwerper wordt monument

De projectgroep Kerkepaden Tichelroutes Markelo stuitte bij toeval op de bijna vergeten crash van het Nieuw–Zeelandse toestel, zei woordvoerder Rick Morsink donderdag. Een in 2003 opgegraven motor uit een Sterling wordt op 23 juni als monument onthuld. Ook het silhouet van een van de bemanningsleden die uit het vliegtuig sprong of viel en jarenlang in een zachte humuslaag op de grond zichtbaar is geweest, wordt in beton onthuld.

„Het is een redelijk kolossaal gevaarte", zegt Morsink over de motor. Het geheel weegt bij benadering 1500 kilo. De motor komt op een betonnen plaat te staan op de plek waar de Sterling van de Royal New Zealand Air Force op 23 juni 1943 neerstortte en wordt onderdeel van een nieuwe wandelroute. Het gevaarte is ter beschikking gesteld door de Aircraft Recovery Group 1940–1945 uit Heemskerk.

Bennie Schreurs, ook van de projectgroep, heeft als kind nog gespeeld op de plek waar de bommenwerper neerkwam. „Het silhouet van een van de bemanningsleden is daar nog jaren te zien geweest". Op basis van ooggetuigenverslagen is deze vorm in beton gegoten en wordt op dezelfde plek teruggelegd. Bij de crash kwamen drie Britse en vier Nieuw–Zeelandse bemanningsleden om.

De onthulling van het herdenkingsmonument en silhouet wordt bijgewoond door Rachel Fry, ambassadrice van Nieuw–Zeeland in Nederland.