Gepost op

Buurtagent onderzoekt oorlogsjaren Rotterdamse politiekorps

Het stempel ”goed” of ”fout” kan niet zomaar op de politie in de oorlogsjaren worden geplakt, concludeert Van Riet. „De toenmalige korpschef Boelstra -NSB’er en oud-SS’er- was nog niet zo’n verkeerde. De Duitsers leefden in de veronderstelling dat ze een hen goedgezinde figuur de leiding over de Rotterdamse politie gaven. Boelstra was geliefd bij het personeel, want hij stond voor zijn manschappen. Hij kweekte vertrouwen bij zijn ondergeschikten.”

Zo kneep de man volgens Van Riet een oogje dicht als agenten op zijn kamer naar Radio Oranje luisterden. „Hij beschermde politiemensen die zich niet voegden naar het Duitse gezag en naar werkkampen in Duitsland moesten. Brieven waarin hun namen stonden, liet hij met opzet slingeren op zijn bureau, omdat hij wist dat zijn secretaresse een ’goede’ was en haar nieuwsgierigheid niet kon bedwingen. De vrouw waarschuwde de betrokken agenten zodat die tijdig een veilig heenkomen konden zoeken.”

Door de mand
Blijft onverlet dat in de oorlog honderden Joden werden opgepakt waarbij de Rotterdamse politie heeft geassisteerd. Volgens Van Riet kon Boelstra de Duitsers die hulp niet weigeren. „De korpschef was goed voor zijn mannen, maar kon het uitvoeren van opdrachten om Joden op te pakken niet stopzetten. Dat lag buiten zijn macht. Boelstra heeft er door zijn werkwijze voor gezorgd dat het Rotterdamse korps niet werd genazificeerd. Op belangrijke posten stelde hij mensen aan van wie hij wist dat ze niet heulden met de bezetter.”

Van Riet is ruim 23 jaar werkzaam als politiefunctionaris, eerst bij de gemeentepolitie Rotterdam en na de landelijke reorganisatie bij de politieregio Rotterdam-Rijnmond. Zo’n twaalf jaar geleden begon hij een onderzoek naar het functioneren van de individuele Rotterdamse politiefunctionaris tijdens de bezetting. Hij ontdekte dat over de ’foute’ kant van het Rotterdamse politiekorps nauwelijks iets op schrift is gesteld. Hij ploos archieven uit en interviewde meer dan honderd oud-agenten. Een hoogleraar vond zijn onderzoek zo interessant dat hij Van Riet vroeg op het onderwerp te promoveren.

Groep 10
„Uiterst moeilijk” was het volgens Van Riet om in de oorlogsjaren als ’gewone’ politieman in Rotterdam te werken. Bij grote georganiseerde acties in 1942 en 1943 moesten Rotterdamse agenten helpen om Joden van straat of uit hun huizen te plukken. „De politiemensen moesten zich melden op het hoofdbureau, zonder dat ze wisten wat ze daar moesten doen. De meesten dachten dat het om een gebruikelijke alarmoefening ging. In de kantine kregen ze lijsten in handen gedrukt met namen van mensen die ze moesten arresteren.

In elk groepje dat op pad ging, zaten Duitsers of een lid van de beruchte Groep 10 die bestond uit circa veertig fanatieke NSB’ers. De leden van Groep 10 werden door de rest van het Rotterdamse korps uitgekotst. Zij namen daarom steeds meer de toevlucht tot de bezetters. De Duitsers lachten in hun vuistje, want zij hadden met Groep 10 een handig verlengstuk in handen om hun plannen te verwezenlijken.”

Aan het einde van de oorlog nam het aantal verzetsacties tegen de Duitse bezetters toe. Daaraan deden volgens Van Riet ook regelmatig agenten van het Rotterdamse korps mee. Bij een van die acties nam de Duitse politie wraak door onder meer een gevangengenomen oud-pelotonscommandant van de Rotterdamse politie te fusilleren.

„Extra schrijnend was dat de man werd geëxecuteerd door een van zijn vroegere onderdanen bij het Rotterdamse peloton dat in de loop van de oorlog was opgeheven. Duitsgezinde agenten uit dat peloton waren overgelopen naar het Duitse politiekorps. In een gesprek met de dader heb ik hem met die situatie geconfronteerd. Hij wist het zich niet meer te herinneren, zo zei hij me veelzeggend.”

Handhaven onder de nieuwe orde. De politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog; uitg. Aprilis, 2008; ISBN 978 90 5994 193 9; 816 blz.; € 39,00.

Gepost op

Lid Documentatiegroep ’40-’45 onderscheiden met lintje.

Zijn particuliere verzameling van oorlogsmateriaal en documentatie is onderbracht in de Stichting Collectie Zwolle 1940-1945 en wordt beheerd door het Historisch Centrum Overijssel. Daardoor is de collectie voor een breed publiek toegankelijk.

De heer Harmens is niet alleen een deskundig en betrokken adviseur, maar voor veel nabestaanden ook vertrouwenspersoon. Door zijn medewerking aan publicaties en het aanschouwelijk maken van onderwijs over de Tweede Wereldoorlog draagt hij bij aan een groter maatschappelijke besef, ook bij volgende generaties.

Tweede Wereldoorlog

Ruim 25 jaar geleden begon u met onderzoek naar alles wat betrekking heeft op de Tweede Wereldoorlog. Uw netwerk, parate kennis en fotografisch geheugen op dit gebied zijn enorm. Het is materie die u van jongs af aan enorm heeft gefascineerd en waarmee u zich tot op de dag van vandaag intensief en in de volle breedte bezighoudt. In al die jaren heeft u in uw vrije tijd een schat aan waardevolle, vaak unieke informatie en documentatie verzameld en in eerste instantie ook  beheerd. De collectie is onderbracht in de Stichting Collectie Zwolle 1940-1945 en wordt beheerd door het Historisch Centrum Overijssel (HCO). Het overdragen van de collectie naar het HCO is een bewuste keuze geweest. Het materiaal wordt daar onder optimale omstandigheden beheerd en is voor een breed publiek toegankelijk. Als beschermheer van de stichting Collectie ’40-’45 juich ik dit van harte toe.

Jongere generaties

Grote verdienste van u is dat hij u uw collectie en know-how in dienst stelt van de samenleving. Het HCO ontwikkelt educatieve projecten voor leerlingen uit de groepen 7 en 8 voor het basisonderwijs. U verzorgt daarbij tentoonstellingen, lesmateriaal en gastlessen. Zo heeft u bijvoorbeeld kledingstukken die in concentratiekampen werden gedragen in de collectie. Beladen, tastbare herinneringen aan de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog. Daardoor slaagt u erin de Tweede Wereldoorlog voor kinderen van nu aanschouwelijk te maken. Daarnaast had en heeft u een belangrijk aandeel in publicaties over Zwolle en de Tweede Wereldoorlog.

Joodse slachtoffers

Door u te verdiepen in de Tweede Wereldoorlog komt u in aanraking met mensen en hun emoties. Voor velen, nabestaanden en vakcollega’s, bent u vraagbaak en vertrouwenspersoon. Betrokken en integer adviseert en ondersteunt u mensen en draagt u bij aan de verwerking van traumatische ervaringen. Bijzondere aandacht heeft u daarbij voor de Joodse bevolkingsgroep. Voor uw onderzoek naar Zwolse Joodse slachtoffers ontving u de gouden penning van de Israëlitische gemeente Zwolle. Illustratief voor de maatschappelijk waardering van uw inzet is ook dat Yad Vashem Nederland u raadpleegt bij de aanvraag van onderscheidingen.

Steun aan nabestaanden

Daarnaast zet u zich in voor kinderen van zogenaamde oorlogsvaders, vanuit de idee dat iedereen het recht heeft om te weten wat zijn of haar wortels zijn. Veel kinderen, verwekt tijdens of na de Tweede Wereldoorlog zijn nog altijd op zoek naar hun onbekende vader. Vaak kunt u dan het ontbrekende puzzelstukje vinden, verbanden leggen en uiteindelijk het contact tussen kind en biologische vader tot stand brengen. Dat geldt evenzeer voor kinderen van zogenaamde foute Nederlanders.

Vraagbaak op vakgebied

Door uw specifieke kennis kunt u belangenorganisaties op het gebied van de Tweede Wereldoorlog van de nodige informatie en adviezen voorzien. Als voorbeelden kunnen genoemd worden: de stichting Hart voor Kamp Amersfoort, de Stichting Leven achter prikkeldraad 1940-1945, en het Achterhoeks Museum 1940-1945, dat mede door uw inzet een officieel geregistreerd museum is geworden.

Onderscheiding

Voor uw bijzondere maatschappelijke verdiensten past waardering. Vanuit Staphorst is Kóninklijke waardering aangevraagd. Omdat u juist in Zwolle voor velen zo vertrouwd bent, is ervoor gekozen de onderscheiding Lid in de Orde van Oranje-Nassau hier aan u uit te reiken.

Gepost op

Groots spektakel Barendrecht 8 mei 2008/Presentatie Boek

Aanleiding om dit jaar groter dan anders uit te pakken, is de officiële uitreiking van de eerste exemplaren van het boek “Meer Schetsen uit de Nacht; Barendrecht 1935-1950, 15 bewogen jaren” dat in 650 pagina’s een beeld geeft van Barendrecht en haar bewoners tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar ook in de jaren daar omheen. Niet alleen de historische beschrijvingen, maar met name de opgetekende herinneringen van bewoners en de bijzondere foto’s, briefwisselingen en documenten maken dit nieuwe boek tot een unieke historische uitgave, waarmee Barendrecht als een van de eerste gemeenten in Nederland die roerige periode op deze wijze heeft vastgelegd.

Daarmee heeft de uitgave ook een nationale uitstraling. Het boek is geschreven door Hans Onderwater, gemeentearchivaris van Barendrecht. Het drie jaar durende onderzoek werd door hem gedaan in samenwerking met burgemeester Drs. Jan van Belzen, Bert Huisman, Koos Dekker, Peter Groenveld en Jan van Mastrigt.

Het boek beschrijft de periode vanaf eind 1934, toen de in Barendrecht woonachtige vlieger Dirk Asjes in de Panderjager/Postjager een mislukte gooi deed naar het winnen van de Londen-Melbourne Race, tot de begrafenis in 1950 met militaire eer van de tijdens de oorlog aan 322 Squadron verbonden Barendrechtse jachtvlieger Jochem (Jo) Bakker. Het boek is een uitbreiding en volledige herziening van het in 1982 verschenen boek ‘Schetsen uit de Nacht’, dat de jaren 40-45 in Barendrecht beschreef.

Met de financiële steun van het Barendrechtse bedrijfsleven, en door het belangeloos meewerken van de auteurs zal het boek voor de inwoners van Barendrecht te koop zijn voor een sterk gereduceerde, niet commerciële prijs van 14,95 Euro.

Deze prijs geldt tot Vaderdag, waarna de prijs 29,95 Euro zal zijn.

De eerste exemplaren zullen op genoemde datum worden uitgereikt aan o.a. een aantal nabestaanden van in Barendrecht omgekomen geallieerde en Duitse militairen en aan de ambassadeurs van Canada, Australië, Duitsland en de Verenigde Staten. Voorts worden exemplaren uitgereikt aan de zoon van een in Neuengamme omgekomen Barendrechtse verzetsstrijder, aan een vertegenwoordiger van de senioren en een vertegenwoordiger van de Barendrechtse schooljeugd.

De uitreiking wordt voorafgegaan door het binnentrekken op hetzelfde tijdstip als in mei 1945 van een militaire colonne waarin onder andere een Nederlands wielrijdersdetachement en het Erepeloton Waalsdorp van de Binnenlandse Strijdkrachten te zien zullen zijn. Aan het hoofd gaat een colonne van Canadese jeeps en militairen, destijds de bevrijders van Barendrecht. Deze colonne wordt gevormd dankzij de medewerking van de Koninklijke Landmacht en Keep them Rolling. Alle militaire uniformen zijn, evenals de voertuigen, uiteraard zoals in ‘40-‘45. Ook zullen er saluutschoten te horen zijn en als klap op de vuurpijl een fly-past over de gemeente door een B25 Mitchell bommenwerper.

De officiële gasten zal na de eerste uitreikingen een receptie worden aangeboden in de hal van het Gemeentehuis.

Ook de Cultuur krijgt de nodige aandacht. Het gehele feest wordt omlijst door muziek uit onder andere  de jaren ‘40-‘50, die ten gehore zal worden gebracht door diverse ensembles van de Harmonievereniging Barendrecht. Ook zal de winnaar van de jaarlijkse gedichtenwedstrijd “Vrijheid in weinig woorden” bekend worden gemaakt.

Om de Barendrechters van nu te laten ervaren, en Barendrechters van toen opnieuw te laten beleven van welk veringsysteem de trucks van onze bevrijders waren voorzien, zal het mogelijk zijn een rondrit door Barendrecht te maken in de historische militaire voertuigen van “Keep them Rolling”.

Ten slotte zal de bevolking, teneinde een brug naar de huidige tijd te slaan, een multiculturele ‘markt’ worden aangeboden waar diverse NGO’s en ander organisaties die binnen het kader ‘Vier de Vrijheid’ werkzaam zijn, zich kunnen presenteren. Kortom, een feest waar nog tijden over gesproken zal worden. Tevens zal op het marktplein het dan zojuist verschenen boek te koop zijn.

Maar niet alleen het hier en nu telt. Met dit programma denken en hopen wij de in de laatste jaren opgeleefde aandacht voor de nagedachtenis van de oorlogsslachtoffers en het terugkrijgen van onze vrijheid, en wat die voor ons en anderen betekent, een verdere positieve impuls te geven. En daarmee tevens een goede basis te leggen voor de herdenkingen en activiteiten rondom het thema “Vier de Vrijheid” in de komende jaren.

Wij hopen u allen te mogen begroeten op 8 mei.

Eregasten op 8 mei:

De heer Wim Veldhoen, zoon van de op 28-01-1945 in Neuengamme overleden verzetsman Jan Veldhoen.
Mr. Okla Elmer Edgell, Boordschutter en overlevende van de op 07-04-1945 aan de Voordijk in Barendrecht gecrashte Amerikaanse B24H Liberator bommenwerper ‘Pin Up Girl’.
Mrs. Joyce Morgan. Zus van de op 17-03-1945 te Heinenoord neergestorte en te Barendrecht begraven Australische vlieger W/O Jack D. Green .
Herrn Manfred Großblotekamp, zoon van de op 13-05-1940 bij de VELO fabriek te Barendrecht gesneuvelde Duitse soldaat Bernard Großblotekamp.
Herrn Lothar Mehler, roer van het op 13-01-1945 in de Paddewei gecrashte Duitse Ju88 bemanningslid Heinz Mehler.
De ambassadeurs cq militaire attachés van Australië, Canada, Duitsland en de Verenigde Staten.
De Generaal-majoor H. Morsink namens de Strijdkrachten.
Majoor-vlieger Patrick Tuit Klu, namens 322 Squadron Klu.
De heer Dick Mooijaart, voorzitter van de Historische Vereniging Barendrecht.
De heer Ton van de Garde, amateur historicus te Barendrecht.
Mevrouw Corrie Elzerman, vertegenwoordigster van de senioren van Barendrecht.
Vincent Langenhuijsen, vertegenwoordiger van de jeugd van Barendrecht.

Gastheer is burgemeester Drs. Jan van Belzen van Barendrecht.

De presentatie en de daar omheen uit te voeren activiteiten zijn vrij toegankelijk.

Het programma begint om 1900 uur. De binnenkomst van de militaire colonne, het overvliegen van de B-25 Mitchell en het afvuren van het saluutschot door burgemeester Van Belzen en Okla Elmer Edgell zullen plaatsvinden tussen 1915 en 1930 uur, waarna de presentatie aanvangt.

Op 4 mei zullen de heer Edgell en mevrouw Morgan aanwezig zijn bij de Dodenherdenking in de Dorpskerk en op het Doormanplein te Barendrecht, waar zij kransen zullen leggen op de herdenkingssteen voor de Amerikaanse gevallenen van de bommenwerper en voor W/O Jack Dawson Green. De jaarlijkse 4 mei lezing wordt gehouden door hans Onderwater.

Doelstelling Stichting Boek Barendrecht 1935-1950
1. De stichting stelt zich ten doel: te bevorderen dat de uitgifte van een historische documentaire over de geschiedenis van de gemeente Barendrecht gedurende de periode negentienhonderd vijfendertig (1935) tot en met negentienhonderd vijftig (1950) financieel mogelijk wordt gemaakt.
2. De stichting tracht dit doel ondermeer te bereiken door: het inzamelen van gelden ter (gedeeltelijke) financiering van de in het vorige lid bedoelde uitgifte, teneinde te bewerkstelligen dat zoveel mogelijk inwoners van de gemeente Barendrecht en leerlingen van de in Barendrecht gevestigde scholen van vorenbedoelde documentaire kunnen kennisnemen en voorts al hetgeen te doen wat met het voren-staande rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords.

Bestuur
Het bestuur van de Stichting bestaat uit de navolgende personen:
• Drs. J. van Belzen, burgemeester van Barendrecht, onderzoeker, voorzitter
• J.G. Onderwater, gemeentearchivaris van Barendrecht, auteur van het boek ‘Meer Schetsen uit de Nacht; Barendrecht 1935-1950’, secretaris
• B. Huisman, onderzoeker, penningmeester
• Mr. E.W. Groenveld, notaris, bestuurslid
• J.J. Dekker, onderzoeker, bestuurslid
• J.G. van Mastrigt, onderzoeker, bestuurslid
• P. Groenveld, onderzoeker en fotograaf, bestuurslid

Het boek is uitgevoerd in A-4 formaat op glanzend paper met ingebonden kaft en stofomslag.  Omdat de schrijver en medewerkers afzien van enige vergoeding en door de ruimhartige bijdrage van het Barendrechtse bedrijfsleven worden de eerste 2500 exemplaren tegen kostprijs geleverd.

De Barendrechtse boekhandels Onnink en Edel hebben een samenwerkingsverband gesloten om het boek gezamenlijk te verkopen.

Gepost op

Wereldoorlog II Kleine keuzes, grote gevolgen

Met onder meer:

• Secret Courage:
The Walter Suskind story. Het verhaal van een verzetsgroep die zo’n duizend kinderen uit handen van de Nazi’s wist te redden.
• Westerbork Girl. Over het opmerkelijke verhaal van Hannelore Eisinger-Cahn, die door haar geliefde op spectaculaire wijze uit Westerbork werd bevrijd maar een week later vrijwillig terugkeerde.
• Plaats van Herinnering: Westerbork.
Mini-documentaire met persoonlijke herinneringen van Virry de Vries Robles over een verblijf in ‘doorgangskamp’ Westerbork. Zie ook www.plaatsvanherinnering.nl
• Plaats van Herinnering:  Kamp Amersfoort. 
Mini-documentaire over Kamp Amersfoort als strafkamp voor oorlogsmisdadigers en ‘foute’ Nederlanders. Zie ook www.plaatsvanherinnering.nl

/Geschiedenis TV is onderdeel van het crossmediale platform /Geschiedenis, waaraan ook o.a. het tv-programma Andere Tijden, het radioprogramma OVT en het Instituut voor Beeld en Geluid meewerken. Samen met musea, archieven en onderwijsinstellingen worden projecten opgezet.

/Geschiedenis TV is te ontvangen via:
• Via www.omroep.nl/geschiedenis. De programma’s zijn deels ‘on demand’ te bekijken
• Op de kabel via digitale televisie van UPC, Casema, Essent@Home of CAIWest.

 

Gepost op

Bommen ruimen op volle zee

De Hr. Ms. Schiedam zet vanuit Scheveningen koers naar volle zee. Een handvol meeuwen scheert rond het schip. Op pakweg 16 mijl (30 kilometer) uit de kust ligt een Amerikaanse vliegtuigbom die geruimd moet worden. De mijnenjager mag de 500-ponder een kopje kleiner maken.

Commandant Sjoerd Feenstra van de M860 tuurt de horizon af. De Schiedam is dagelijks druk met dergelijke ”ernstmissies”. Twee weken lang maakt de mijnenjager deel uit van de NAVO-operatie Beneficial Cooperation, waarbij een vloot van zes marineschepen delen van de Noordzee schoonveegt. Sinds medio 2005 hebben vissers 693 explosieven opgevist, weer overboord gegooid en doorgegeven aan de kustwacht. Daarvan zijn er 470 geruimd. „We krijgen bijna elke dag nieuwe meldingen”, zegt Feenstra.

De Noordzee telt volgens schattingen zo’n 10.000 tot 300.000 niet-ontplofte vliegtuigbommen en mijnen uit de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Britse bommenwerpers die hun dodelijke last niet volledig boven Duits grondgebied kwijtraakten, dumpten deze op de terugvlucht naar Engeland in zee. Landen met scherpe munitie was in Engeland streng verboden.

Op de brug van de Hr. Ms. Schiedam hangt een Explosievenkaart, een schematisch overzicht van het gedropte wapentuig. De marine onderscheidt 27 verschillende mijnen en 5 soorten vliegtuigbommen. Alle explosieven -90 procent bom, 10 procent mijn- liggen op de zeebodem. Soms 15 meter, soms 55 meter diep.

Gevaarlijk
De situatie is niet zonder gevaar voor de vissers. Ook zestig jaar na de laatste oorlogshandelingen niet. Schipper Krijn van de Klooster verloor drie jaar geleden een zoon, een zwager en een matroos, nadat een opgeviste Amerikaanse 500-ponder in het ruim van zijn OD-1 ”Maarten Jacob” ontplofte. De explosie sloeg een groot gat in de kotter.

De visserijsector reageerde verslagen. Het aantal meldingen van aangetroffen bommen steeg explosief. Gaven de 400 Noordzeevissers voorheen hooguit 40 vondsten per jaar door aan de kustwacht, in het jaar na het dodelijke ongeluk kwam het aantal uit op 333. De aandacht van de vissers lijkt inmiddels weer wat te verslappen. In 2006 daalde het aantal meldingen naar 193, nog een jaar later naar niet meer dan 138. Voor het eerste kwartaal van 2008 staat de teller op 27. „Het belang van het melden van explosieven lijkt wat minder op het netvlies van de visserij te staan”, aldus marinewoordvoerder Valerie Meelker.

Defensie dringt er bij vissers op aan opgeviste vliegtuigbommen door te geven. „Het mooiste is als de vissers een sonarreflector aan het explosief vastmaken voordat ze dit weer overboord zetten. Maar ik kan me voorstellen dat ze zoiets niet altijd aandurven.”

Met hun sonarapparatuur kunnen de mijnenjagers ijzeren reflectoren vrij eenvoudig terugvinden. Sonar kan in principe over een afstand van 900 meter de zeebodem afzoeken op metalen voorwerpen. Door het troebele Noordzeewater beperkt het zicht zich in de praktijk echter tot zo’n 400 tot 600 meter.

Zware jongen
Zeemijnen kunnen op drie manieren worden geactiveerd. „Door magnetische velden, door waterdruk en door geluid”, somt Feenstra op. De taak van de mijnenjagers stelt speciale eisen aan het ontwerp. Om de invloed op magnetische velden te minimaliseren is de scheepshuid van de Alkmaarklasse gemaakt van met glasvezel versterkt polyester.

Verder is de waterverplaatsing met 855 ton relatief gering om de waterdruk zo klein mogelijk te houden. Bovendien beschikken de boten behalve over een krachtige dieselmotor (15 knopen) ook over twee stille elektromotoren (2 knopen) om te voorkomen dat de bom afgaat door geluidsgolven van het schip.

De Hr. Ms. Schiedam mindert vaart. Het schip nadert de ligplaats van de Amerikaanse vliegtuigbom. De bemanning maakt zich gereed voor de detonatie van bom BC684. Voorzichtigheidshalve schakelt de stuurman over op de elektromotoren.

De bom is een week eerder opgevist door de schipper van de GO-8 ”Eben-Haëzer” uit Goedereede. De visser heeft de exacte coördinaten van de vindplaats doorgegeven aan de kustwacht. Daarna heeft hij de zware jongen volgens voorschrift weer overboord gezet. De Schiedam mag het klusje klaren.

De marine hanteert twee methoden om de zeebodem op te schonen: met duikbootjes of met duikers. De onbemande onderzeeërtjes moeten 90 kilo springlading op maximaal 1,5 meter afstand van zeemijn of vliegtuigbom leggen om deze te laten ontploffen. Duikers kunnen volstaan met het plaatsen van 18 kilo TNT boven op de bom. Het effect is hetzelfde. Een onderwatervaartuig kan echter op grotere diepte en bij zwaardere stroming opereren.

Duikbootje
Geroutineerd zetten drie matrozen op het achterdek van de M860 een onbemand duikbootje met een camera in zijn neus klaar. Onder de buik van het 2,5 meter lange, gele gevaarte hangt 90 kilo TNT. Elke mijnenjager beschikt over een oorlogsvoorraad van 22 mijnvernietigingsladingen (mvl).

Een hijskraan zet het onbemande onderzeeërtje overboord. Vanuit een duistere mijnjachtcentrale onder in de Schiedam volgt sergeant Otto de verrichtingen. Alleen een paar beeldschermen lichten op. Met twee joysticks dirigeert hij het vaartuigje naar de plaats van bestemming, pakweg 150 meter verderop.

Via de camera speurt hij de zeebodem af. Het zicht is slecht. Zand dwarrelt voor de lens. Onder water is het knap donker. Toch is het duikbootje binnen 5 minuten op locatie. Het lossen van de explosieve lading blijkt nog niet zo eenvoudig. „Er staat een stevige stroming”, legt Feenstra uit. Behendig laat de sergeant het bootje duiken naar een diepte van 27 meter. Vlak bij de bom laat hij zijn TNT vallen. „Netjes gedropt, Otto”, prijst de commandant. De onderzeeër maakt rechtsomkeert.

De tijd dringt. De bemanning kan de de springlading na een kwartier activeren. Met een akoestisch signaal kan de mvl vervolgens op afstand tot ontploffing worden gebracht. „We hebben een halfuur de tijd om de zaak te laten springen”, legt de commandant uit. Na een halfuur is de springlading weer gedeactiveerd en kan ze niet meer tot ontploffing worden gebracht.

Uitgraven
De Schiedam vaart voorzichtig een eindje weg. Op 300 meter afstand blijft de mijnenjager liggen. Een satellietverbinding houdt het schip exact in positie, ongeacht stroming, golfslag of windrichting. Alleen mijnenjagers beschikken over deze geavanceerde techniek om te ”bufferen”.

Het uur U nadert. De bemanning houdt de adem in. Ook al is het een routineklus, de spanning stijgt bij elke detonatie weer. De brug stroomt vol met sterren en strepen. De commandant telt door de geluidsinstallatie af. „Tien, negen, acht, zeven…. twee, één.” Een schokgolf dreunt door het zeewater. Een watermassa golft omhoog. De mijnenjager trilt onder het geweld van de onderzeese explosie. Het water borrelt en bruist. Dan wordt het stil. Bom BC684 is geruimd. De Schiedam kan terugkeren naar Scheveningen.

Voor de veertigkoppige bemanning wacht morgen een nieuwe klus: drie bommen midden op de Noordzee. Soms is het knap lastig opgeviste en weer overboord gezette bommen te lokaliseren. „De zeebodem is voortdurend in beweging. Een bom kan na een paar dagen onder een halve meter zand zijn verdwenen.” De marine rest in zo’n geval niets anders dan een duiker het ding te laten uitgraven. Met een schep.

——————————————————————————–
Tien mijnenjagers

Zeemijnen zijn goedkoop, effectief en gevaarlijk. De kleinste variant kost slechts 15 euro.

Alleen een -valse- melding van een geplaatste mijn is al voldoende om het scheepvaartverkeer ernstig te ontregelen. De Koninklijke Marine staat paraat om in te grijpen. Defensie telt tien mijnenjagers. Niet erg riant. Voor 1989 had Nederland dertig stuks in de vaart.

De vaartuigen hebben hun diensten de afgelopen jaren bewezen bij crises in de Rode Zee, de Golf van Oman, de Perzische Golf en de Adriatische Zee. Eén mijnenjager vaart permanent bij een NAVO-bestrijdingseenheid.

De Nederlandse mijnenjagers, behorend tot de Alkmaarklasse, zijn zo’n twintig jaar in dienst. De schepen ondergaan op dit moment allemaal een midlife-update, waarbij de sonarapparatuur, de mijnjachtcentrale (de controlekamer aan boord) en de onbemande onderwatervaartuigjes ingrijpend worden vernieuwd.

Defensie onderzoekt mogelijkheden om opnieuw mijnenvegers in dienst te nemen. Het geavanceerde type schip -sinds 1989 wegbezuinigd- sleept apparatuur achter zich aan waarmee ook in het zand verstopte mijnen via magnetische golven en geluidsgolven tot ontploffing kunnen worden gebracht.

Gepost op

Yad Vashem onderscheidt vader en zus Corrie ten Boom

De ceremonie heeft plaats op de geboorte– en sterfdag van Corrie ten Boom, die na de oorlog een wereldberoemde evangeliste werd. Het huis aan de Barteljorisstraat in het centrum van Haarlem, waar vader Ten Boom een horlogemakerszaak had en Corrie en haar broer en twee zussen opgroeiden, is nu een museum.

Casper ten Boom was 81 jaar toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. In de oorlog heeft hij naar schatting ongeveer tachtig mensen, vooral joden, in zijn woning laten onderduiken. Betsy ten Boom, die ook met de Yad Vashem–medaille wordt geëerd, was bij het verzetswerk betrokken.
bron: www.reformatorischdagblad.nl

Gepost op

Dolly redde mijn leven

De omgekomen militaire verpleegster heette Wilma, maar werd Dolly (popje) genoemd omdat ze zo klein was: 1,60 meter. Klein, maar dapper: ze nam dienst bij de Amerikaanse krijgsmacht als ”flight nurse.” Deze verpleegsters vlogen mee met transporten die zwaargewonden ophaalden vanachter het front.

Van de 350.000 vrouwen in het leger van de Verenigde Staten waren de meesten actief als administratieve kracht of secretaresse, of ze herstelden uniformen of zorgden voor de voedselvoorziening. Er waren echter ook vrouwelijke piloten die bommenwerpers van Amerika overvlogen naar Engeland, waar de mannen ze overnamen voor de gevaarlijke vluchten boven vijandelijk gebied. Andere vrouwen waren vlieginstructrice.

Wilma R. Shea, geboren Vinsant, was een van de 500 vliegende verpleegkundigen. In de Amerikaanse staat Texas groeide ze op als enig kind van een arts en een verpleegster. De opleiding tot ”flight nurse” was zo spartaans, dat vrienden en familie voorspelden dat het voor de tengere Dolly onhaalbare kaart was. Met zware bepakking moest ze in diep water springen en zonder hulp de kust zien te bereiken.

Amok
Aan het risico van een voortijdige landing van een vliegtuig met gewonden aan boord, waar ook ter wereld, besteedde de opleiding veel aandacht. Dat kon in het oerwoud, in de woestijn, in de bergen of op een ijsvlakte zijn. De verpleegkundige moest stressbestendig zijn wanneer patiënten in paniek raakten of amok maakten, of wanneer het toestel in de lucht door de vijand werd beschoten. Dat laatste was niet denkbeeldig: de transportvliegtuigen mochten het Geneefse Rode Kruisteken niet voeren omdat ze ook voor militaire doeleinden werden gebruikt.

Dolly wist de opleiding toch te voltooien. Ze werd in 1943 in Engeland gestationeerd en haalde tijdens de geallieerde opmars na de landing bij Normandië zwaargewonden op vanachter de frontlinie. Soms begeleidde ze een vlucht met gewonden van Londen naar New York. De vlucht boven Duitsland op 14 april 1945, drie weken voordat Duitsland de strijd opgaf, was voor de 28-jarige verpleegkundige haar laatste.

Op 30 maart 2000 kwam een oude vrouw naar het kantoor op begraafplaats Margraten. Een Amerikaanse, helemaal alleen op reis. Ze vroeg naar het graf van Wilma Vinsant. Toen begraafplaatsmedewerker F. Lahaye haar vroeg of ze een familielid was, begon de vrouw hartverscheurend te huilen. Ze zei dat Dolly haar collega in het Army Nurse Corps was geweest.

Vliegquotum
Deze vrouw, Dolores Rike, kon op 14 april 1945 niet naar een feestje van haar vriend, een luitenant, omdat ze moest vliegen. Spontaan bood Shea aan Rikes plaats aan boord in te nemen. „Ga maar lekker feesten”, zei ze.

Dolly’s vliegquotum was al vol. Na een bepaald aantal vluchten gingen de verpleegkundigen naar huis. Na lang soebatten gaf haar commandant echter toestemming: ze mocht ook deze vlucht nog maken, in plaats van Rike. Op de heenweg had het vliegtuig blikken vol benzine bij zich voor de Amerikaanse troepen in Duitsland. Tijdens de terugreis zouden er gewonden aan boord zijn.

In twee dagen tijd stortten drie Amerikaanse vliegtuigen in hetzelfde gebied in Duitsland neer, zo’n 40 kilometer ten noordwesten van Eisenach. Ook de Douglas C-47A, met Wilma Shea aan boord. Rond het middaguur kwam het vliegtuig naar beneden, waarschijnlijk door vijandelijk vuur of door de weersomstandigheden.

De zes inzittenden kwamen om het leven. Ze kregen een tijdelijk graf in Eisenach. Eind juni 1945 werd eerste luitenant Vinsant -op de slachtofferlijsten en op de grafsteen staat haar meisjesnaam vermeld- van de 9 US Airforce herbegraven in Margraten, grafnummer B-17-4.

Schuldgevoelens
Dolores Rike ging naar het feest van haar vriend. Het redde haar leven, maar ze hield er altijd schuldgevoelens aan over, zegt begraafplaatsmedewerker Lahaye. Hij begeleidde haar naar het graf toen ze na 55 jaar naar Margraten kwam. In het gastenboek van de oorlogsbegraafplaats noteerde Rike: „Dolly Vinsant took my place and saved my life” (Dolly Vinsant nam mijn plaats in en redde mijn leven).

„Een heel bijzonder verhaal”, zegt Lahaye. „In de vijftien jaar dat ik hier werk, heeft er verder nooit iemand specifiek naar het graf van Wilma Vinsant gevraagd. Deze oude vrouw, met dit verhaal, kwam speciaal hiervoor naar de begraafplaats.” Lahaye heeft nadien geen contact meer met haar gehad.

Naspeuringen leiden naar een werkgroep binnen de Rooms-Katholieke Kerk in Annandale in de Amerikaanse staat Noord-Virginia die rozenkransen vervaardigt. Dolores Rike, de vroegere militaire verpleegster, begon dit werk in 1965 en zette ook haar negen kinderen erbij in. De kransen zond ze naar zendingsprojecten in het buitenland.

Het werk groeide uit. Rike verzamelde een groep vrijwilligers om zich heen die meer dan 65.000, soms wel 100.000 rozenkransen per jaar vervaardigt. Op rooms-katholieke scholen gaf Rike er voorlichting over. Ze was ervan overtuigd dat ze door de gebeden van haar moeder is bewaard toen ze als militair verpleegkundige in Europa was. Daarbij noemde ze dan met name die keer dat Dolly Vinsant haar plaats in een vliegtuig overnam, een vliegtuig dat niet meer terugkwam.

Erg verkouden
Bij Dolores Rike (88) roept de naam Wilma Vinsant nu geen herkenning meer op. De naam Dolly wel. Ze geeft nu een andere lezing van de gebeurtenissen: „Ik was erg verkouden. Daarom stuurde de piloot me terug. Dolly zou de volgende dag naar huis gaan, maar gaf zich op om in mijn plaats met het vliegtuig mee te gaan. Dat vliegtuig is neergestort.”

Meer zegt Rike, die in 1998 weduwe werd, niet meer te weten. „Het is ook zo lang geleden.” Het bezoek aan begraafplaats Margraten herinnert ze zich evenmin. „Ik ben wel in Washington geweest; daar ligt m’n man op de militaire begraafplaats.”

Wilma Shea kreeg postuum enkele onderscheidingen. Een ziekenhuis in de Texaanse plaats waar ze opgroeide, San Benito, draagt haar koosnaampje: het Dolly Vinsant Memorial Hospital. Het ziekenhuis vernoemde een jaarlijkse prijs naar haar, de Dolly Vinsant Flight Nurse of the Year Award.

In de hal van het ziekenhuis hangt haar portret, nageschilderd van een foto. Op een ander schilderij keert ze zich lachend om op de vliegtuigtrap, in vliegenierskledij die veel te groot voor haar lijkt.

Toen Dolly omkwam, was ze net drie maanden getrouwd met militair Walter L. Shea. Vier dagen na zijn 27e verjaardag werd hij weduwnaar.

Shea hertrouwde nooit. Het feit dat zowel hij als zijn vrouw enig kind was, zodat er geen naaste familie is die voor een graf zou zorgen, kan een rol hebben gespeeld in zijn beslissing Wilma’s lichaam niet naar de Verenigde Staten over te brengen, vermoedt de Nederlandse militair historicus J. Gouverne, voormalig luchtmachtofficier.

Walter Shea nam als navigator deel aan oorlogsoperaties boven Korea en Vietnam en was later als kolonel werkzaam in het Pentagon, het Amerikaanse ministerie van Defensie. Hij overleed in 1994 in Florida, 76 jaar oud. Dolores Rike zegt nooit contact met hem te hebben gehad.

Adoptie
Volgende maand (MEI) komt een Amerikaanse filmploeg naar Margraten om opnamen te maken van Memorial Day, de jaarlijkse dodenherdenking van de VS. In het heuvelachtige Limburgse land kregen duizenden Amerikanen, meest jonge mannen, een graf.

Onder de vier vrouwen die hier ter aarde besteld zijn, bevindt zich behalve Vinsant nog een andere vliegende verpleegkundige, Christine Gasvoda, die één dag eerder in hetzelfde gebied omkwam. De derde vrouw was in dienst van het Rode Kruis. De vierde is er in november 1945 begraven nadat ze omkwam bij een ongeval in Antwerpen. Verondersteld werd dat ze militair was, maar Gouverne ontdekte dat ze als burger in Europa op bezoek was bij haar man, die in het Amerikaanse leger diende.

Gouverne adopteerde twee graven op Margraten: dat van Vinsant en van Gasvoda. De 76-jarige oud-officier uit Maarheeze houdt zich al dertig jaar bezig met de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog en schreef een boek over de logistiek van de Amerikaanse troepen in West-Europa. Op Margraten liggen relatief veel luchtmachtmilitairen begraven. „Het verhaal van Wilma Vinsant intrigeerde mij het meest.”

Gepost op

Gered door een mof

Ze danken hun leven aan een snelle actie van een Duitse soldaat. Hij zag hen spelen op het boerenerf van hun ouders en griste hen precies op tijd weg voor een hevige granaatbeschieting van geallieerde troepen. De jeugdige Karl-Heinz Rosch moest zijn optreden zelf met de dood bekopen. „Hij gaf zijn leven voor ons. Om stil van te worden”, zeggen Jan Kilsdonk (67) en zijn zus Toos Hendriks-Kilsdonk (68).

De boerderij in Goirle staat er nog, maar Kilsdonk en zijn zus komen er zelden. Tot begin jaren vijftig hebben ze er gewoond, daarna besloten hun ouders zich elders in het Noord-Brabantse plaatsje te vestigen. De woning is in de loop der jaren meermalen van eigenaar verwisseld en ingrijpend verbouwd. Alleen de waterput, aan de zijkant van de woning, bleef intact.

Niet ver van de bron is de plek waar op vrijdag 6 oktober 1944 Karl-Heinz Rosch, soldaat in het leger van de nazi’s, zijn leven verloor in het spervuur van geallieerde troepen, kort nadat hij Jan Kilsdonk en zijn zus Toos in veiligheid had gebracht. „Had hij ons laten spelen, dan waren wij er niet meer geweest. Aangrijpende gedachte”, zegt Kilsdonk.

Ingekwartierd
Mevrouw Hendriks-Kilsdonk was 5, haar broer 4 jaar oud toen Rosch samen met vijf andere militairen uit Duitsland in de zomer van 1944 in het ouderlijke huis werd ingekwartierd. De oorlog was in volle gang, geallieerde troepen waren vanuit het zuiden opgerukt en probeerden met grote moeite het Duitse leger steeds terug te dringen. Het strijdverloop ging volledig aan de kinderen voorbij, van de Slag om Arnhem hadden ze geen idee. „We leefden in ons eigen wereldje. Honderd meter van onze boerderij hadden de zes Duitsers een kanon opgesteld. Dat zagen we wel, maar in het hoe en waarom hadden we geen interesse.”

De familie had zich zo goed mogelijk in het verblijf van de Duitse eenheid op hun boerenerf geschikt. „Vader vertelde ons later dat hij van de mannen weinig last had. Karl-Heinz hielp af en toe met wat klusjes om het huis. Mijn moeder had hem nog gefeliciteerd toen hij op 3 oktober 18 jaar was geworden. Als er hogere officieren op komst waren voor een bezoek aan de eenheid, liet Karl-Heinz dat altijd ruim van tevoren aan onze ouders weten. Dan konden ze op tijd de radio en hun fietsen in veiligheid brengen. De meeste Duitsers vorderden alles wat los- en vastzat.”

Dat de aanwezigheid van een Duitse stelling bij de boerderij grote risico’s met zich meebracht, bleek in de eerste week van oktober 1944. Toen de geallieerden de grens tussen België en Nederland naderden, kregen zij plaatsen als Tilburg en Eindhoven in het vizier. De opmars ging gepaard met hevige vuurgevechten; ook Goirle bleef niet buiten hun schootsveld.

Vrijdagmiddag 6 oktober 1944 richtte het geallieerde vuur zich op het kanon bij de boerderij van de familie Kilsdonk. „Wij speelden op het erf, in het zand bij de waterput”, vertelt Kilsdonk. „Opeens stapten de Duitsers de boerderij uit. Aan inslagen in de omgeving konden ze afleiden dat ze onder vuur kwamen te liggen. Op een draf gingen ze naar het kanon. Ze liepen ons allemaal voorbij. Behalve Karl-Heinz. Hij stopte, gooide zijn geweer neer, tilde ons op en bracht ons samen onder zijn armen naar de deuropening. Moeder ving ons op en bracht ons naar de schuilkelder.”

Zijn zus: „Alles speelde zich in enkele seconden af. Karl-Heinz keerde meteen terug naar zijn kameraden. Op het moment dat hij op de plaats was waar wij zaten te spelen en bukte om zijn geweer op te rapen, werd hij getroffen door een granaat. Er volgde een enorme explosie. Van Karl-Heinz was niets meer over. Hij werd in stukken gereten. Delen van zijn kleding hingen hoog in de takken van een boom.”

Ruchtbaarheid
Van de tragedie kunnen Kilsdonk en zijn zus zich zelf weinig herinneren. „Vader heeft het ons verteld toen we zo’n tien jaar oud waren. Volgens hem heeft Karl-Heinz Rosch nog diezelfde dag een graf gekregen in de buurt van de boerderij. Vier jaar lang heeft hij daar gelegen, samen met een kameraad die kort daarna om het leven kwam”, zegt Kilsdonk.

Zijn zus: „Wij moesten het huis uit. Dat weet ik nog wel. De gevel was helemaal ontzet. Bij de ouders van onze moeder vonden we onderdak.”

Na de oorlog bleef de reddingsactie van de Duitse soldaat jarenlang onopgemerkt. Kilsdonk noch zijn zus gaf er veel ruchtbaarheid aan, ook hun ouders spraken er nauwelijks met anderen over. Totdat het verhaal Goirlenaar Joop Schepens (73), als vrijwilliger werkzaam bij de Lokale Omroep Goirle, ruim drie jaar geleden ter ore kwam. Hij was diep onder de indruk van de gebeurtenis en besloot op nader onderzoek uit te gaan. Schepens haalde allerlei gegevens van Karl-Heinz Rosch boven water en verwerkte die in 2005 in een documentaire.

Kilsdonk en zijn zus ontkennen dat zij de actie van de Duitse soldaat hebben verzwegen uit gevoelens van schaamte. „Alsof wij er al die jaren niet voor uit hebben durven komen omdat Karl-Heinz een mof was. Zo is het niet. Er kwam gewoon niet van. Wij waren net als iedereen druk met ons gezin en ons werk. Nu we ouder worden, is er meer tijd om terug te blikken in de eigen levensgeschiedenis.”

Ruim zestig jaar na dato kunnen Kilsdonk en Hendriks-Kilsdonk zich nog altijd verwonderen over het optreden van de Duitse militair. „Telkens als ik erover nadenk, word ik er stil van. Dan dringt dieper dan anders tot me door dat het leven een gave is, een geschenk uit de hemel”, zegt Kilsdonk.

Zijn zus: „Toen mijn kleindochtertje het verhaal hoorde, zei ze: „Oma, als u toen was gedood, zou mama er niet zijn geweest en dan zou ik ook nooit zijn geboren.””

——————————————————————————–

„Mijn halfbroer Karl-Heinz was een rustige jongen”
Diethelm Rosch (71) uit Duitsland heeft tot drie jaar geleden nooit geweten dat zijn halfbroer Karl-Heinz in de oorlog twee jonge kinderen het leven had gered. „Wij wisten niet beter dan dat hij in Goirle bij een vuurgevecht was gedood. Het is prachtig wat hij heeft gedaan.”

Rosch woont in Arloff, een klein plaatsje bij Münstereifel. Jaarlijks gaat hij met zijn vrouw twee tot drie keer naar het graf van zijn broer Karl-Heinz, die vier jaar na de oorlog werd herbegraven op een militaire begraafplaats bij Venray. Daar liggen, op Nederlands grondgebied, 32.000 Duitse soldaten die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn gesneuveld.

„Ik herinner me mijn halfbroer als een rustige, opgewekte jongen. We schelen tien jaar. Kort na zijn geboorte is mijn vader van zijn moeder gescheiden. Uit zijn tweede huwelijk ben ik geboren”, aldus Rosch. „Na de oorlog bereikte ons het bericht dat Karl-Heinz was omgekomen. Maar van de toedracht wisten we niets. Pas drie jaar geleden werden we erover geïnformeerd door Joop Schepens uit Goirle. Hij had alles uitgezocht.”

Zijn halfbroer moest zich op 17-jarige leeftijd na het behalen van zijn diploma melden bij het leger. Hij werd ingedeeld bij een regiment dat in Noord-Brabant was gelegerd. Na een militaire opleiding van nauwelijks drie weken vertrok hij in de zomer van 1944 vanuit zijn geboorteplaats Nerchau in Saksen naar het frontgebied in Nederland. „Mijn halfbroer wilde graag een opleiding tot boswachter volgen. Maar die wens ging niet in vervulling. Hij kon onmogelijk aan zijn dienstplicht ontsnappen.”

Vorige week was Rosch op uitnodiging van de plaatselijke omroep in Goirle, waar hij een ontmoeting had met Jan Kilsdonk, een van de twee kinderen die op 6 oktober 1944 door zijn halfbroer zijn gered. Hij kreeg er de helm van zijn halfbroer aangeboden. Die was al die jaren bewaard door een boerenfamilie. Destijds hadden Duitse soldaten de helm op het graf geplaatst dat in allerijl voor de neergeschoten Karl-Heinz Rosch was gedolven.

Rosch werd in Goirle op de hoogte gesteld van het plan om een standbeeld voor zijn halfbroer op te richten. Hij heeft grote waardering voor het initiatief. „Het is zonder meer mooi om te horen”, zegt hij. Toch wil hij voorzichtig een kanttekening plaatsen. „Er zijn meer mensen die hun leven voor anderen hebben gegeven. Zou het niet beter zijn om voor hen allemaal een klein monument neer te zetten?”

——————————————————————————–

„Postuum eerbetoon past bij verbroedering met Duitsers”
Voor oud-raadslid Herman van Rouwendaal (75) en kunstenares Riet van de Louw (75) uit Goirle is Karl-Heinz Rosch een held zonder glorie. Hij verdient postuum een standbeeld in het Noord-Brabantse dorp, zeggen ze. Niet iedereen deelt die mening.

Van Rouwendaal nam deze maand het initiatief om geld in te zamelen voor een bronzen beeld van de Duitse militair. Nauwelijks had hij een artikel over zijn plan in de plaatselijke krant gepubliceerd, of er kwam een stroom van reacties uit het hele land op gang. „De meeste zijn positief. Er zijn ook mensen die het maar niks vinden. Een postume onderscheiding voor een mof, dat doe je toch niet?”

Voor zover bekend zou Karl-Heinz Rosch de eerste Duitse militair zijn die in Nederland een standbeeld krijgt. Zijn reddend optreden is lange tijd onopgemerkt gebleven. „Niemand sprak erover, want hij stond aan de verkeerde kant, de kant van de vijand. Hij was maar een mof. En dan telt een heldendaad niet. Maar inmiddels weten we beter. Alle reden dus om het verzuim goed te maken”, aldus Van Rouwendaal.

Kunstenares Riet van de Louw heeft inmiddels in klei een beeld ontworpen. Het is de bedoeling dat het in brons wordt afgegoten en vervolgens een plaatsje krijgt in Goirle. Van Rouwendaal heeft daarover contact gehad met het gemeentebestuur. Die reageert vooralsnog terughoudend. Burgemeester M. Rijsdorp wil tegenover de media niets zeggen. „Natuurlijk heeft zij weet van de gevoeligheid”, zegt haar woordvoerder. „Maar het standbeeld is een zaak van de commissie kunst en cultuur.”

Het initiatief van Van Rouwendaal heeft in de gemeente een stevige discussie op gang gebracht. Een inwoner omschrijft in de brievenrubriek van het Goirles Belang, een plaatselijke krant, Rosch’ optreden als een „daad van grote menselijkheid en moed, een daad die bewondering wekt. Maar een beeld van hem aan een straat of plein in Goirle? Wie hierover beslist, zou zich moeten afvragen of dat voldoende recht doet aan een evenwichtige weergave van de geschiedenis.”

Inwoner Joop Schepens, die het verhaal van de kinderen Kilsdonk boven water haalde en de twee halfbroers van Karl-Heinz Rosch wist op te sporen, is van mening dat het beeld er moet komen. „Ik ben een voorstander van verbroedering en Wiedergutmachung. Nederlanders kunnen Duitsers toch niet blijven haten? Wat mij opvalt aan alle reacties is dat de mensen die in de oorlog het meeste hebben meegemaakt de minste moeite hebben met het eerbetoon.”

Gepost op

Frank van Riet promoveert op Handhaven onder de nieuwe orde.

Na binnenkomst van de hoogleraren moest hij zijn proefschrift verdedigen en werden pittige vragen gesteld over de tribunalen, de verhouding tussen hoofdcommissaris Einthoven (later een van de oprichters van de Nederlandse Unie) en burgemeester Oud en de rol van hoofdcommissaris Boelstra, een NSB’er.

Na beraadslaging klonk het verlossende woord en was Frank de negende persoon die aan de Universiteit op deze wijze de doctorstitel behaalt.

De Documentatiegroep ’40-’45 feliciteert hem met deze verdiende beloning voor zijn jarenlange onderzoek wat resulteerde in een prachtig, ruim 800 pagina’s tellend boek over de oorlogsgeschiedenis van de Rotterdamse politie.

Te zijner tijd zal een recensie over het boek in ons maandblad de Terugblik verschijnen.

Dirk Docter

Gepost op

Archief maakt dodenlijst compleet

Verhees maakte onder andere gebruik van gegevens in twee kisten in het gedenkteken in de Oranjegalerij in het stadhuis. "Daarin zit een lijstje met 41 namen, onder wie die van 17 militairen en 13 verzetsmensen. Ook wordt in een document in het gedenkteken het aantal van 515 burgerslachtoffers in Den Bosch genoemd. We weten niet precies hoe dat is opgebouwd, maar het lijkt wel een redelijke schatting", aldus Verhees.

Tot in totaal 656 namen komt Verhees, die alle in het boek worden vermeld. Onder hen 34 militairen, 25 mensen die als gevolg van verzetsactiviteiten omkwamen, 13 mensen die gedwongen in Duitsland werkten in het kader van de Arbeitseinsatz, 338 burgerslachtoffers, 291 Joden, en 83 burgers uit Rosmalen, Engelen en Bokhoven, en Empel en Meerwijk. "Dit is echter geen officiële lijst van de gemeente, maar een lijst op basis van beschikbare bronnen, een momentopname."

Bij het samenstellen van de lijst was het vooral zaak diverse namenlijsten en gegevens uit de burgerlijke stand te combineren, dubbeltellingen te voorkomen en vergeten namen op te sporen. Maar toen kwamen de vragen. Telt Theodorus Henskens mee, die net na het uitbreken van de oorlog in september 1939 in de Atlantische Oceaan verdronk? En de Rosmalense broers Jansen die op 20 mei 1945 overleden na het spelen met een granaat? De eerste is in het overzicht niet meegenomen, de twee laatsten wel. Een bijzonder ‘geval’ is Heinrich Jonkmanns, een Duitse slager die in Rosmalen woonde en werkte. Als Duits dienstplichtige werd hij opgeroepen om tegen de Russen te gaan vechten. Daarbij kwam hij om op 1o februari 1943. Ook zijn naam staat op de lijst Rosmalense slachtoffers.