Gepost op

Papon blijft trots op zijn verleden

De rechtbank die hem veroordeelde, moet zich schamen. Dat zegt Papon vandaag in een interview met het tijdschrift Le Point.

De publicatie van het artikel valt samen met de behandeling van Papons verzoek om een nieuw proces. Papon is in Frankrijk veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf vanwege zijn daden.

„Ik ben er trots op dat ik mijn land zo goed mogelijk heb gediend”, zei Papon, die in de Tweede Wereldoorlog politiecommissaris was in Vichy-Frankrijk, dat collaboreerde met de nazi’s.

„De schande is niet voor mij maar voor degenen die me berecht hebben”, aldus Papon, die zich voorts het slachtoffer noemde van een lynchpartij door de media.

Papon is te ziek om zijn straf uit te zitten. De Fransman werd al in september 2002 in vrijheid gesteld op grond van een wet die stelt dat oude en zieke gedetineerden vervroegd vrij mogen komen. Hij had toen drie jaar van zijn straf uitgezeten. Zijn invrijheidsstelling leidde tot grote protesten onder het Franse publiek.

Gepost op

Eerste gevangene Auschwitz (88) overleden

Ryniak werd al in 1940 gearresteerd door de Gestapo, de geheime Duitse politie, een jaar nadat Hitler Polen was binnengevallen. Ryniak was lid van het Poolse verzet.

„Ik weet niet hoe ik het klaar gespeeld heb om te overleven, hoe ik de kracht heb gevonden het uit te houden", zo citeerde het Poolse persbureau PAP in 1995 tijdens de herdenking van de bevrijding door het Sowjet–leger vijftig jaar eerder.

Gedurende de Tweede Wereldoorlog zijn bijna 1,5 miljoen mensen, voornamelijk joden, in Auschwitz en het bijbehorende Birkenau omgekomen. Vanuit heel Europa werden de joden hiernaar toe en naar andere kampen gebracht op bevel van Hitler die alle joden in Europa wilde uitroeien.

Ryniak woog op het moment van zijn bevrijding 40 kilo. Na de oorlog ging hij studeren en werd later architect.

Gepost op

De trieste historie van de Jodenhoek

De Joden kwamen hier in de zeventiende eeuw vanwege de vrijheid. In de Tweede Wereldoorlog was hun positie echter dramatisch veranderd en verloren velen van hen het leven. Het Ignatiushuis en het Abdijhuis organiseerden vorige week een wandeling langs overgebleven sporen in de Amsterdamse ”Jodenhoek”. Van Goedereede tot Drenthe waren mensen naar Amsterdam gekomen.

„We staan hier op historische grond”, zegt gids drs. Th. A. Fafi?. Hij en zijn vrouw, drs. Petra N. Renes, verwelkomen de deelnemers vlak voor het standbeeld de Dokwerker, symbool van het Amsterdams verzet tegen de bezetter. In deze omgeving kwamen eeuwen geleden de eerste Joden en de eerste rabbijn vanuit Spanje, verdreven door de inquisitie van Portugal. Ze kwamen naar Mokum, „de plaats waar je mag zijn.”

Fafi?: „In tegenstelling tot andere plekken in Europa hoefde men hier geen Jodenster te dragen of in een getto te leven. Joden konden met niet-Joodse mannen of vrouwen trouwen. Wel werden ze uitgesloten van de gilden. De Joden noemden zich Portugese Joden omdat Nederland net van de Spaanse dwingelandij was verlost.”

De plek rond de Portugees-Israëlitische synagoge groeide uit tot wat in de volksmond de ”Jodenhoek” werd genoemd. Het beeld dat alle Joden rijk waren klopt niet, zegt de gids, want het grootste deel leefde in grote armoede en was tewerkgesteld in bijvoorbeeld ongezonde diamantslijperijen, waar tuberculose aan de orde van de dag was.

Hoog rijst de synagoge boven de omgeving uit, meteen naast het Waterlooplein. „De synagoge moest de allure hebben van de tempel van Jeruzalem, een hoog gebouw met een voorhof.”

Om de synagoge bevindt zich een ring van kleine gebouwtjes en huisjes. Op een van de deurposten is een mezoeza te zien. Fafi? legt uit dat dit kokertje een velletje perkament bevat met daarop het ”sjema” uit Deut. 6:4: „Hoor Israël, de Heere onze God is een enig Heere!”

Deze mezoezas zijn aangebracht op de deurposten van Joodse huizen en hebben een plaats op de gebedsriemen. De rolletjes kosten zeker 50 euro, aldus de gids, omdat ze handgeschreven zijn en geen enkel schrijffoutje mogen bevatten. Dat geldt overigens ook voor de thorarollen in de Portugese synagoge. Met een jat (metalen staafje) wordt de tekst aangewezen en gelezen, want ??n lettertje weg als gevolg van aanraking door de vingers zal de heiligheid van het boek aantasten.

Vanaf het Daniel Meijerplein gaat de tocht naar de ”Vaz Diasbrug”, genoemd naar de Portugese Jood die aan het begin van de twintigste eeuw op basis van zijn ervaring als verslaggever van de Amsterdamse gemeenteraad een eigen persbureau begon. Over de brug heen naar de Plantage Middenweg lopend, toont Fafi? een van de meest idyllische plekken van Amsterdam. Aan de ene kant zijn de synagoge en het Joods Historisch Museum te zien, aan de andere kant de Hortus Botanicus van de Universiteit van Amsterdam. Vroeger was dat een tuin waar Joden op de sabbat even een luchtje gingen scheppen. Het was allemaal op directe loopafstand van elkaar. „Joden mochten op de sabbat niet meer dan 880 meter lopen. Vandaar dat ze op een kluitje zaten bij deze synagoge.”

In de Joodse buurt bij de Portugese synagoge verrezen in het verleden verschillende Joodse theaters. In de omgeving van Artis, ook zo’n stadstuin op loopafstand van de synagoge, dringen de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog zich op. Op de voorgevel aan een straat staat te lezen ”Joodse gemeente”. In de oorlog was het het onderkomen van de Joodsche Raad, die de vreselijke klus had om te bepalen welke Joden afgevoerd moesten worden. De Hollandsche Schouwburg is een van de meest schrijnende herinneringen aan die tijd. Vanaf deze plek werden 80.000 Joden weggevoerd naar Westerbork en van daaruit naar de vernietigingskampen.

De schouwburg deed in de oorlog dienst als gevangenis. Ouders en kinderen werden gescheiden. Kinderen moesten naar het hervormde weeshuis aan de overkant, waarvan destijds het CHU-kamerlid prof. J. W. van der Hulst directeur was.

De gids laat zien welke bijzondere dingen er ook in die tijd gebeurden. Hij wijst op twee trams die elkaar kruisen op de Plantage Middenweg en bij de halte stoppen. Dat was in de oorlog net zo. Op het moment dat dit gebeurde, kon men vanuit de Hollandsche Schouwburg niet zien wat er zich aan de overkant afspeelde. Hulpvaardige Amsterdammers zorgden er toen voor dat Joodse kinderen het weeshuis verlieten en naar onderduikadressen werden gebracht. Vergelijkbare ontsnappingspogingen hadden ook plaats in de tuin van het weeshuis. Op deze manier slaagden Ed van Thijn (de latere burgermeester van Amsterdam) en Hedy D’Ancona (de latere minister) erin hun leven te redden. In de schouwburg zijn nu de namen te lezen van 6700 families waarvan een of meer personen zijn omgekomen.

Tegenover Artis stond voorheen een van de Joodse theaters, genaamd Plancius. De davidsster staat er nog op. Schuin ertegenover, aan de kant van Artis, was vroeger het Amsterdamse bevolkingsregister. Daarop is een aanslag gepleegd, maar de kaarten stonden te dicht op elkaar, zodat er geen zuurstof genoeg was om alles vlam te laten vatten. De aanslag was bedoeld om te voorkomen dat de bezetters op de kaart de komaf van Joodse Amsterdammers konden lezen en hen daarop konden pakken. De daders moesten het allen met de dood bekopen. Hun namen staan vermeld op een herdenkingsplaat. Een van hen, W. J. C. Arondeus, een Joodse homoseksueel, werd pas enkele jaren geleden postuum met een verzetsherdenkingskruis geëerd omdat men het na de oorlog ongepast vond om zoiets te doen.

Vanaf Artis gaat de weg via de Henri Polaklaan weer terug. Polak was ook een bekend figuur in de Joodse wereld. Hij was diamantslijper en richtte in verband met de slechte arbeidsomstandigheden in de diamantslijperijen een bond op, de Algemene Nederlandse Diamantwerkers Bond, waarvan de initialen nog op het oude gebouw staan. Ertegenover was een Joods ziekenhuis gevestigd. Het symbool van een pelikaan die haar jongen voedt met haar eigen bloed, is nog duidelijk zichtbaar.

Onderweg komen we nog door het Wertheimpark, dat herinnert aan een Joodse bankier die zich inzette voor tal van charitatieve doeleinden. Op het Auschwitz-monument van Jan Wolkers, met de gebarsten glazen spiegels, herinneren verwelkte bloemen aan de laatste herdenking van de holocaust.

Via de Nieuwe Herengracht, waar vroeger de welgestelde Joden woonden, gaat het weer terug naar de synagoge. Een synagoge die een van de meeste bijzondere en historische waardevolle ter wereld is, aldus de gids. Zo zelfs dat de nazibezetter er met zijn handen vanaf bleef. Kennelijk waren de Joodse synagogebezoekers minder waard dan het gebouw.

Gepost op

Gezonken oorlogsschepen bedreigen Stille Oceaan

Het gaat om Japanse en Amerikaanse schepen. Vaak zitten ze vol olie. De scheepswrakken zijn in kaart gebracht sinds de USS Mississinewa in 2001 olie begon te lekken in een lagune die werd bevist door de zevenhonderd inwoners van de atol Ulithi. De Amerikaanse marine heeft uiteindelijk miljoenen liters olie uit het schip gepompt.

De meeste eilandstaatjes in het gebied hebben niet de middelen om olie uit zee te pompen, waarschuwt de South Pacific Regional Environmental Program, een samenwerkingsverband van de landen in de Stille Oceaan.

Gepost op

Loopgraaf gevolg van totaliteitsdenken

In het ultramoderne Th?âtre des Champs-Elys?es aan de Avenue Montaigne in Parijs vindt op donderavond 29 mei 1913 de première plaats van Igor Stravinsky’s ballet ”Le Sacre du Printemps”. In de zwaar geparfumeerde zaal, tegen de achtergrond van het zwart-wit van de rokkostuums en het purperkleurige pluche van het theaterinterieur, wordt deze ultramoderne dansofferande uitgevoerd. Stravinsky beeldt in dit ballet een heidens ritueel uit waarin een tot offer uitverkoren maagd zichzelf dood danst. De thema’s van deze dansofferande van de Sacre zijn geboorte, lente en dood, eros en thanatos (doodsdrift), kortom de meest fundamentele ervaringen van alles wat leeft. Leven en dood worden getoond zonder duidelijk ethisch commentaar, zonder enige moraliteit. Om het slachtoffer wordt niet gerouwd, het wordt geëerd. De maagd onderwerpt zich aan een lot dat van hogere orde is.
 
De muziek van de Sacre wordt als schokkend ervaren. Versiering ontbreekt, hier en daar wat korte melodische motieven geënt op Russische volksliedjes, maar verder houdt de muziek geen rekening met de negentiende-eeuwse traditie. Wetten van harmonie en ritmiek lijken te worden overtreden.
 
De première veroorzaakt een der grootste schandalen uit de Parijse muziekgeschiedenis. Over de première schrijft een toneelcriticus van de New York Press dat al direct na het inzetten van de droefgeestige klarinet het gesis en geschreeuw begint: „Al na de eerste maten barstte er een fluitconcert los, daarna volgde een hoop geschreeuw, dat weer teniet werd gedaan door het daarop volgende applaus. (…) Zo’n veertig protesterenden werden uit de zaal verwijderd, maar dat maakte geen einde aan de beroering. Men had alle lichten in de zaal aangedaan, maar het lawaai duurde onverminderd voort en ik weet nog hoe mademoiselle Piltz (de uitverkoren maagd) haar vreemde dans van religieuze hysterie volbracht op een toneel dat werd verduisterd door de felle lichten in de zaal, ogenschijnlijk begeleid door het onsamenhangend geraaskal van een menigte boze mannen en vrouwen.” Ooggetuigen zijn nogal tegenstrijdig, maar de chaos lijkt in de concertzaal compleet. Toeschouwers slaan hun parasols op elkaars hoofden kapot en dames vallen in de loge flauw. Een recensent schrijft over een ”Massacre” in plaats van over de Sacre.
 
Tijdgeest
 
Eksteins begint zijn boek (oorspronkelijke titel ”Rites of Spring” (1990)) over de Eerste Wereldoorlog met een uitvoerige beschrijving van deze dansofferande. Dit past uitstekend in het concept van het boek. De auteur probeert de betekenis van de Eerste Wereldoorlog duidelijk te maken door zich te verdiepen in de belangen en gevoelens die ermee samenhingen, in de meer algemene termen van de cultuurgeschiedenis. Het is dus een onderzoek naar de tijdgeest, waarbij muziek, ballet, kerkhoven, zeden en gedragingen, gebruiken en waarden aan de orde moeten komen. De Sacre ziet Eksteins als het startschot van het modernisme: „Het modernisme was v??r alles een cultuur van het opzienbarende gebeuren, waardoor de kunst en het leven een kwestie van energie worden en als zodanig samensmelten.”

In het ballet zijn dood en leven volstrekt met elkaar verweven. Toeschouwers zijn participanten geworden. De dansers van de Sacre dansen op het lawaai dat door het publiek wordt gemaakt. Eksteins noemt dit veelzeggend. Het publiek maakt evenzeer deel uit van deze voorstelling als het ”corps de ballet”. Eksteins probeert aan te geven dat in de twintigste eeuw in toenemende mate mensen meedansen op het ritme van de spraakmakende cultuur. Voortdurend benadrukt hij de totaliteitsgedachte, het ”Gesamtkunstwerk”. Stravinsky beoogt een allesomvattend ballet tot stand te brengen, van de oosterse en de westerse wereld, van het moderne en het feodale, van decadentie en barbarisme enzovoort. Daarmee is de Sacre ook het werk van het nihilisme, een dionysische orgie waar Nietzsche van droomde en die was opgeroepen door zijn profetische wens de inspiratiebron te zijn voor een wereld die de dood in razend tempo tegemoet snelde.
 
Op meesterlijke wijze weet Eksteins deze culturele ontwikkelingen te plaatsen tegen de achtergrond van de Eerste Wereldoorlog. Zo ziet hij de ontwikkelingen die leiden tot deze afschuwelijke oorlog als een samengaan van genomen stappen door politici en strategen -plannen à la Von Schlieffen en Moltke- en de rol van de ’toeschouwers’. De massa’s gaan aan de vooravond van de oorlog de straat op. In Berlijn bijvoorbeeld is het enthousiasme van het publiek over de ingezette koers zo groot, dat we moeten beseffen dat de gedenkwaardige beslissingen van de laatste dagen voor het uitbreken van de oorlog genomen zijn tegen de achtergrond van geestdriftige menigten. Geen enkele politicus zou nog in staat geweest zijn de massale roep om actie te kunnen weerstaan. De Duitsers zijn ??n, alle onderscheid is weggevallen. De korte speech van keizer Wilhelm II op zaterdag 1 augustus 1914 wordt begroet met gejuich en gezang en het traditionele strijdlied van de protestanten, ”Ein’ feste Burg ist unser Gott”.
 
Totaliteitsgedachte

Op zondagochtend om 11.30 uur vindt in de openlucht een oecumenische (!) kerkdienst plaats bij het monument van Bismarck, voor het gebouw van de Rijksdag. De dienst wordt geleid door de keizerlijke predikant Döhring, die voor de gelegenheid de tekst: „Trouw tot in de dood” heeft gekozen. Volgens Döhring wordt de Duitsers de oorlog opgedrongen. De dienst eindigt met het lied uit de vierde eeuw: ”Grosser Gott, wir loben dich”. Protestant en katholiek worden weer ??n!
 
De Eerste Wereldoorlog blijkt een gruwelijke uitputtingsoorlog te worden. Dood en leven staan naast elkaar, worden volstrekt met elkaar verweven. Een oorlog die „fris en vrolijk” start, ontpopt zich tot een veelkoppig monster. Eksteins weet veel gruwelijke details op te diepen. De volstrekt ontspoorde loopgravenoorlog heeft een lucht van ontbinding om zich. Ledematen en rompen worden door voortdurende bombardementen omhoog geslingerd. Mannen die loopgraven graven of repareren, stuiten herhaaldelijk op lichamen in alle stadia van ontbinding en verminking. Er komen gedeelten van lichamen in zandzakken terecht. Als die openbarsten, komt de inhoud soms op een zo walgelijke manier naar buiten dat er maar ??n remedie is tegen de hysterie, namelijk zwarte humor. Eksteins: „Bij Ieper moesten de manschappen die werden afgelost op zeker ogenblik langs een arm die uit de wand van de loopgraaf stak. Ze gaven hem allemaal een hand: „Nou, dag Jack.” De mannen die hen kwamen aflossen deden bij aankomst hetzelfde: „Hallo, Jack.””
 
In deze uitputtingsoorlog ontwaart Eksteins alweer de totaliteitsgedachte. Zo’n oorlog is slechts een uitloper van een manier van denken. Deze maakt het noodzakelijk dat in toenemende mate het verschil tussen burger en militair verdween en veroorzaakt een samengaan van doodsverachting en verheerlijking van het leven.
 
Verplichte kost
 
Na de Eerste Wereldoorlog ziet Eksteins dit fenomeen voortgezet in het spraakmakende waagstuk van Lindbergh. In 1927 viel hem plotselinge en legendarische roem ten deel toen hij als eerste met een vliegtuig de Atlantische Oceaan overstak. Eksteins ziet dit nadrukkelijk als een exponent van de tijdgeest. Dit staaltje van Lindbergh getuigt van doodsverachting, maar tegelijkertijd van de kracht van de mens om het leven vorm te geven. In deze op zichzelf ook weer niet zo belangrijke gebeurtenis zien we dat een gevoelige snaar van de westerse wereld geraakt wordt. Lindbergh wordt letterlijk verheerlijkt en aanbeden. Eksteins boort echter ook in deze gebeurtenis een diepere laag aan. „Als we verder kijken dan die allereerste opwinding zien we een motief dat steeds weer opduikt – in Lindberghs reisbeschrijving, in het taalgebruik van verslaggevers en commentatoren, en in de gebeurtenissen die Lindberghs verovering van Europa omlijstten; een motief dat in die tijd door niemand uitvoerig besproken is, maar dat als een zwarte draad door het culturele landschap loopt. De oorlog.”
 
Bij de nazi’s komen we hetzelfde spel tussen dood en leven tegen. Enerzijds de rassentheorieën, waarbij het leven verheerlijkt wordt en het arische ras op een voetstuk staat. Anderzijds ook de thanatos, de doodsdrift, vooral gesymboliseerd in de SS en de uiteindelijke moord op miljoenen joden.
 
Natuurlijk valt op het boek van Eksteins af te dingen. Het bevat enkele storende slordigheden, vooral met jaartallen. Bovendien bekruipt me het gevoel dat hij de feiten in zijn eigen denkraam past. Een euvel waaraan overigens meer historici mank gaan. Maar bewondering overheerst bij mij. Eksteins durft het aan om geen platte reconstructies te maken van „wie es eigentlich gewesen ist.” Hij hanteert niet het pistool van juiste argument. In zijn opvatting ligt de waarheid in het culturele, het verstaan van de tijdgeest. Dat vereist empathie. Echte empathie is pas dan mogelijk als alle feiten op een rij staan en echt beheerst worden. Eksteins schrijft in zijn uitleiding dat dit werk hem zeer veel energie en tijd gekost heeft. Begrijpelijk. Het resultaat mag er zijn. Wat mij betreft zou dit verplichte kost moeten zijn voor historici en theologen.
 
Eksteins bouwt zijn verhaal met gevoel voor theater op als een toneelstuk, een balletuitvoering, langs drie akten. Hij eindigt zijn ”Lenteriten” met een geliefd Duits liedje uit 1945: ”Es ist ein Frühling ohne Ende”. De ondertoon mag duidelijk zijn: deze lente is evenals de lente uit de Sacre onlosmakelijk verbonden met de dood. En we weten dat. Het vooruitgangsdenken van de twintigste eeuw is voos, heeft een dodelijke dimensie. Het toneel wordt werkelijkheid. We zien het om ons heen gebeuren.

Gepost op

Hitler-biograaf Bullock overleden

Zijn boek ”Hitler: A Study in Tyranny” verscheen in 1952, maar geldt nog altijd als de onovertroffen biografie van Adolf Hitler. Net als onder anderen A. J. P. Taylor en Hugh Trevor-Roper behoorde Bullock tot een generatie Britse historici die onder academici in hoog aanzien stonden, maar tevens werken schreven die bij een breder publiek goed in de smaak vielen.
 
Bullock werd op 13 december 1914 in Bradford geboren en won na zijn middelbare school een beurs voor de universiteit van Oxford. Na de Tweede Wereldoorlog keerde hij als docent terug in Oxford. Hij vestigde internationaal de aandacht op zich met zijn biografie van Hitler uit 1952. In 1964 publiceerde hij een herziene versie van dit standaardwerk.
 
Verder schreef hij onder meer een boek over de naoorlogse minister van Buitenlandse Zaken Ernest Bevin en was hij in de jaren zeventig voorzitter van een commissie die onderzoek deed naar het onderricht in lezen.
 
In 1991 publiceerde Bullock een studie waarin hij Hitler en Stalin met elkaar vergeleek. In dit werk gaf hij inzicht in karaktereigenschappen van de dictators die jarenlang onderbelicht waren geweest. Bullock werd in 1972 geridderd. Tot 1997 bleef hij lezingen verzorgen.