Gepost op

Weer een album

De tentoonstelling gaat vrijdag officieel en zaterdag voor het publiek van start. Tot en met 2 januari 2005 zijn diverse facetten van het Nederlandse vorstenhuis van de jaren met een 4 te bezichtigen, beginnend met 1904 en eindigend met 1994. In 2009 zal de hele twintigste eeuw aan bod zijn gekomen.
 
De tentoonstelling bevat in totaal ruim 250 foto’s op dertig panelen. Op elk paneel prijken gedigitaliseerde foto’s die uit allerlei beroemde en minder bekende collecties zijn gehaald. Op die manier ontvouwt zich een overzicht van staatkundige, culturele, sociale en sportieve gebeurtenissen waarbij de koninklijke familie was betrokken. Indirect geeft de expositie een mooi beeld van de ontwikkelingen in een snel veranderend Nederland en daarmee is ze ook interessant voor minder Oranjegezinde mensen.

Te beginnen met 1904: we zien koningin Wilhelmina die rond dit jaar de gelukkigste tijd van haar leven meemaakt. Ze is getrouwd met prins Hendrik en glorieert als vorstin. Er wordt ook gereisd. Vanwege een mazelenepidemie verblijft het paar drie weken in Italië. In het najaar vertoeft het duo anderhalve maand in Dobbin, waar de prins jaagt en de koningin paardrijdt, wandelt, tekent en schildert. Een prachtige bontstola hangt van haar schouders tot aan de heupen naar beneden en op haar hoofd prijkt een hoed met sierlijke veren. Wat vooral van belang is: de jonge koningin straalt.

In dit jaar herdenkt koningin-moeder Emma het feit dat ze een kwarteeuw in Nederland verblijft. Dat wordt gevierd in Den Haag en Rotterdam. Ze krijgt een geldsom aangeboden die ze bestemt voor het Emmafonds. Op de foto verlaat Emma het Stedelijk Museum in Amsterdam – een museum dat recent overigens de deuren sloot om voor jarenlang een grondige renovatie tegemoet te gaan.

Tien jaar later breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Een ernstige gebeurtenis, maar een van de foto’s (gemaakt van een schilderij) is nogal komisch. Onderwerp is een verkleedpartij ter ere van de vijfde verjaardag van prinses Juliana. We zien het ouderpaar en de dochter in oude kostuums. In haar autobiografie schrijft koningin Wilhelmina dat ze tijdens een verblijf in Huis Ten Bosch kostuums aantrokken die drie eeuwen tevoren in hetzelfde huis werden gedragen. De koningin steekt zich dus in de kleding van Amalia van Solms, prins Hendrik verandert in stadhouder Frederik Hendrik en Juliana ziet eruit als hun oudste dochter, Louise Henriëtte.

Wederom kostuums in 1924. Tijdens een vierdaags bezoek van de koninklijke familie aan Zeeland poseert prinses Juliana in Goes met Maatje en Jaantje Meulenberg in Zuid-Bevelandse streekdracht en met Corry Clarijs in katholieke klederdracht. De drie meisjes kleedden prinses Juliana van tevoren in een trein in de kledij die ze zelf hadden gemaakt.

In die jaren, zo gaat het verhaal, hebben koningin Wilhelmina en prins Hendrik besloten zich in het wit te laten begraven. En zo vertrekt de begrafenisstoet van prins Hendrik in 1934 vanaf Paleis Noordeinde en eindigt deze bij de Nieuwe Kerk in Delft, „dat aardige stadje, waar ik me na mijn dood blijvend hoop te vestigen”, zo had de prins eens gezegd.

In 1944 staat de wereld nog volop in brand en poseren koningin en dochter met Engelandvaarders in Oranjehaven op Hyde Park Place 23, een tehuis waar gevluchte Nederlanders worden opgevangen en elkaar kunnen ontmoeten. Dit huis is op initiatief van koningin Wilhelmina gesticht en door haar in 1942 geopend. Ze komt er vaker zomaar binnenvallen. De koningin staat tussen haar manschappen als een kloeke moeder des vaderlands.

In 1954 is prinses Juliana haar moeder opgevolgd. Zij ontvangt in dat jaar de Ethiopische keizer Haile Selassie. In de Ridderzaal in Den Haag zien we de twee monarchen tijdens een ontvangst van de Nederlandse regering, begeleid door minister-president Drees. Links en rechts van de keizer staan de keizerszoon en prins Bernhard.

Daarna volgt het roerige jaar 1964, waarin prinses Irene zonder aanwezigheid van haar familie trouwt met prins Carel-Hugo de Bourbon de Parme in de Borghese-kapel van de Santa Maria Maggiore in Rome. De foto toont een knielend paar dat de zegen ontvangt van kardinaal Paolo Giobbe. Direct erna zal de zegen van de paus volgen. Irenes bruidsjapon, een ontwerp van Pierre Balmain, is afgezet met 200 jaar oud kant uit Oranjebezit.

Een aandoenlijke foto van het defil? voor de 65e verjaardag van koningin Juliana, te midden van haar familie op het bordes van Paleis Soestdijk, komt uit 1974. De prinsen zijn nog klein en prinses Margarita kan amper lopen. In 1994 brengt koningin Beatrix een staatsbezoek aan Jordanië. Ze staat op de foto met koningin Noor, echtgenote van koning Hussein. Beatrix en Noor mogen elkaar graag, zo blijkt uit Noors biografie ”Een leven in het teken van vrede”. De Jordaanse van Amerikaanse afkomst noemt de Nederlandse Koningin „een van de warmste en vriendelijkste mensen die ik ken.”

De tentoonstelling in Paleis Het Loo, Koninklijk Park 1 te Apeldoorn, is behalve op maandag dagelijks te zien van 10.00-17.00 uur.

Gepost op

Meer joden in katholieke gemeenten overleefden oorlog

Dat blijkt uit een onderzoek van historicus en politicoloog M. Croes en socioloog P. Tammes, waarop zij volgende week dinsdag aan de Katholieke Universiteit Nijmegen promoveren. Croes en Tammes hebben als eersten de percentages overlevende joden per plaats en provincie geordend. Hun conclusies wijken af van eerdere bevindingen van de oorlogshistoricus L. de Jong.

In Nederland is tot nu toe, op basis van het onderzoek van De Jong, aangenomen dat de overlevingskans van joden relatief hoog was in gemeenten waar veel gereformeerden woonden. Croes en Tammes stellen op basis van archiefonderzoek dat juist het omgekeerde het geval is geweest.

Zij onderschrijven dat gereformeerden opvallend vaak betrokken zijn geweest bij georganiseerd verzet tegen de Duitsers. Dat had echter een onbedoeld bij–effect: de Duitsers richtten hun aandacht meer op deze gemeenschappen en deden daar meer invallen. Daarbij vonden zij ook meer ondergedoken joden, die vervolgens zijn gedeporteerd.

De beide onderzoekers schatten op basis van tot nu toe ongebruikte bronnen dat in Nederland 27.995 joden hebben geprobeerd onder te duiken. Dat aantal is aanzienlijk hoger dan de ruim 22.000 die tot nu toe als maximum gold. Croes en Tammes denken bovendien dat het werkelijke aantal onderduikers nog enkele duizenden hoger heeft gelegen. Zij hebben voor 306 van de vijfhonderd gemeenten waar joden woonden het percentage overlevenden kunnen uitrekenen. Zo overleefde in Amsterdam maar een kwart van de joden de oorlog, terwijl in Enschede meer dan de helft in leven is gebleven.

Joden die onderdoken in gemeenten met een relatief hoog aantal ’foute’ Nederlandse agenten, zijn het meest betrapt en opgepakt. Ook in gebieden met een radicaal bureau van de Duitse politie was de overlevingskans klein volgens de promovendi. In plaatsen waar veel Nederlandse nationaal–socialisten deelnamen aan de vrijwillige politie volgde het aantal razzia’s elkaar snel op, omdat de Duitsers daar voldoende handlangers hadden.

Croes en Tammes menen dat de rol van de katholieke kerk tijdens de Tweede Wereldoorlog nader onderzoek verdient. Zij constateren dat het aantal leden van de vrijwillige hulppolitie afnam naarmate er meer katholieken in een gemeente woonden. De onderzoekers vermoeden dat dit een gevolg is van de stellingname van de bisschoppen tegen het nationaal–socialisme en de jodenvervolging.

Gepost op

Ik acht het mijn plicht

„Door een ongeluk belandde ik op 29 november 1937 met zwaar letsel in het Amsterdamse Burgerziekenhuis. Toen mijn schoonmoeder op ziekenbezoek kwam, vertelde ik haar dat ik degene die het ongeluk had veroorzaakt een proces wilde aandoen. „Wij voeren geen processen”, was haar even kordate als afdoende reactie.
 
Nu, 66 jaar later, zou een dergelijke reactie minder evident zijn. Immers, in recentere tijd zijn in zaken met voornamelijk een priv?-karakter met medeweten van de bestuurlijke verantwoordelijken wel processen aangespannen door leden van het Koninklijk Huis. Dit mede om principiële grenzen te trekken ten aanzien van wat wel en niet toelaatbaar is.
 
Terugkijkend vind ik het soms wel jammer dat dit niet eerder mogelijk bleek te zijn. Ik denk dan met name aan de zogenaamde biografie van Klinkenberg uit 1979, waar veel publicisten uit putten en geput hebben onder het excuus dat ik dit boek nooit heb aangevochten. De gang naar de rechter werd mij destijds ontraden. Immers, niet reageren op verhalen met een onjuiste strekking gold algemeen voor premiers als wijs beleid.
 
Ook nu daarvoor met inachtneming van de ministeriële verantwoordelijkheid meer ruimte is, ben ik nog altijd terughoudend met het bewandelen van de weg naar de rechter, ondanks het feit dat ik nog steeds het doelwit ben van vele, vaak gemene en ongefundeerde aantijgingen in publicaties en in de media. Hoge bomen vangen nu eenmaal veel wind. Bovendien heb ik leren leven met de beperkingen die mijn positie met zich meebrengt. Ondanks die beperkingen kijk ik met voldoening terug op mijn leven. En nog steeds is dat de moeite waard, ook al staan mijn levenslust en mijn fysieke gesteldheid nogal eens met elkaar op gespannen voet en ben ik mij ervan bewust dat een langetermijnplanning niet zinvol is.
 
Juist om die laatste reden acht ik het mijn plicht om aan de reputatie van mijn ouders recht te doen en mij mede uit eigen eergevoel over een aantal aantijgingen te uiten. Dat ik dat op dit moment doe, houdt mede verband met de hardnekkig terugkerende stelligheid waarmee beledigende onwaarheden in publicaties over mijn familie en mij worden uitgestort. De grenzen van fatsoen zijn door publicisten als Kikkert, Tomas Ross, Hans Galesloot en Philip Dröge mijns inziens ver overschreden.
 
Aangezien ik mij vooral concentreer op zaken uit het verdere verleden, acht ik een gang naar de rechter echter minder toepasselijk en bovendien erg tijdrovend. Ik wil niet het risico lopen dat ik de uitspraak niet meer meemaak.
 
Het is evident dat ik mij beperk tot de zaken die ik kan staven en tot de onderwerpen die ik als kwetsend en onwaar beschouw.
 
Ten aanzien van de zogenaamde Hofmanszaak roep ik in herinnering dat de commissie-Beel hiernaar in 1956 een uitputtend onderzoek heeft ingesteld. Het rapport van deze commissie is om formele redenen nog niet openbaar, daarom volsta ik er hier mee mijn vertrouwen uit te spreken dat de openbaarmaking te zijner tijd de rol van alle betrokkenen in deze gecompliceerde aangelegenheid in het juiste daglicht zal stellen.
 
Voor alles wat Lockheed betreft wil ik hier verwijzen naar het uitvoerige rapport van de commissie die deze zaak onderzocht.
 
Wat betreft de verhalen over buitenechtelijke kinderen volsta ik met op te merken dat de hardnekkigheid waarmee het onzinverhaal over twee vermeende ’Londense zoons’ recentelijk steeds weer bovenkomt mij echt heeft verbaasd. Deze ’zoons’ zouden door mij in de oorlogsjaren zijn verwekt bij een goede vriendin, Lady Ann Orr Lewis.
 
Kennelijk wordt hier de bewijslast omgedraaid, in die zin, dat ik moet bewijzen wat er niet is. Een onmogelijke opgave. Toch heb ik laten vaststellen dat de Britse geboorteregisters uit die jaren geen inschrijvingen van kinderen van Lady Ann bevatten. Daarnaast heeft de beste vriendin van Lady Ann uit die jaren een beëdigde verklaring afgelegd met de verzekering dat haar vriendin in die jaren nooit zwanger is geweest.
 .
Ook het verhaal dat mijn vrouw Lady Ann niet heeft gekend is onjuist. Zij was al in 1946 en volgende jaren ons beider gast tijdens de wintersportvakanties in familieverband.
 .
Als een van de meest bizarre aantijgingen geldt voor mij een tweetal aangelegenheden die verband houden met de periode 1940-1945, namelijk een veronderstelde betrokkenheid bij verraad van de Slag om Arnhem en de zogenaamde Stadhoudersbrief.
 
Voor wat betreft het eerste onderwerp wil ik een bijzonder interessant nieuw document niemand onthouden. Het gaat om een beëdigde verklaring van een hoge officier die zelf aan Duitse zijde een belangrijke rol speelde bij de Slag om Arnhem. Ik verwijs daarvoor naar het beschikbare rapport en de daarbij behorende documenten.
 
Bij de zogenaamde Stadhoudersbrief gaat het om een vermeende brief van 1942, die door mij en volgens sommigen zelfs door mijn vrouw ondertekend zou zijn en waarin ik Hitler (volgens anderen Himmler) zou hebben aangeboden Nederland namens de bezetter te besturen.
 
Met deze onzin geconfronteerd tijdens zijn wekelijkse persconferentie op 8 december 1978 verwees toenmalig minister-president Van Agt het verhaal naar de prullenbak. Ook het NIOD blijft eenzelfde mening toegedaan. Zo schreef het NIOD begin 2003 dat „er niets aan het licht gekomen (is) dat maar enigszins wijst in de richting van de aanwezigheid van deze brief in de NIOD-archieven.”
 
Na het verschijnen van het boek van Aalders over Leonie Pütz handhaaft het NIOD zijn mening dat er geen feiten of aanwijzingen aan het licht zijn gebracht die het bestaan van zo’n brief waarschijnlijk maken. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat ook buiten de NIOD-archieven de bewuste brief of een kopie daarvan nooit is gevonden.
 
Nog geheel los van mijn integriteit en persoonlijke loyaliteit ten opzichte van Nederland en de geallieerden, behoeft het nauwelijks betoog hoe absurd ??k deze aantijging weer is. In april 1942 -dat wil zeggen op het moment dat het in de ”geallieerde wereld” duidelijk is dat de oorlog zal eindigen met een Duitse nederlaag- zou ik mij hebben aangeboden landvoogd te worden over Nederland als verlengstuk van dit Duitse regiem? Onzin!
 
Over mijn moeder zijn vaker heel gemene fantasieën gepubliceerd, zoals het verhaal dat zij in haar jonge jaren een losbandig leven leidde en de suggestie dat zij pro-nazi was. Alle verhalen over danspartijen en dergelijke zijn onzinnig: mijn moeder k?n niet eens dansen en was totaal a-muzikaal. De verzinsels over de nazi-gezindheid van mijn moeder zijn evenzeer kwalijk. Politiek lag niet in haar belangstellingssfeer en het nationaal-socialisme was totaal in strijd met haar karakter.
 
Ik wil daarbij nog wijzen op het feit dat mijn moeder in september 1944 uit haar huis werd gezet toen de SS Schloss Woynowo vorderde. (De kolonel -Pantchoulidzew- was toen al gedwongen tewerkgesteld bij de Duitse Spoorwegen.)
 
Zeer grievend en ontoelaatbaar acht ik de volgende niet te onderbouwen passage over mijn met naam en toenaam genoemde moeder in het boek van Ross:
 
„Ze herinnerde zich dat ze onder een brug, bij een van de pijlers in een roeibootje op een nacht de liefde had bedreven met twee officieren.” Dit is zonder meer gelogen. Het geeft een beeld van mijn moeder dat ook volgens iedereen die mijn moeder van nabij heeft gekend volledig onwaar is. Recent nog hebben twee goede vriendinnen van mijn moeder zich daarover uitdrukkelijk uitgesproken.
 
Dan wordt er ten onrechte nog beweerd dat mijn moeder er langdurig een intieme relatie op na hield met kolonel Pantchoulidzew, met wie ze zelfs gehuwd zou zijn geweest. Ook is beweerd dat de kolonel mijn natuurlijke vader is en dat mijn ouders hem bij testament hebben aangewezen als voogd over mij en mijn broer. Kennelijk heeft de kolonel zonder daar zelf debet aan te zijn geweest de fantasie van menig auteur geprikkeld.
 
Laat ik beginnen met te stellen dat mijn ouders een heel gelukkig huwelijk hadden, waarin liefdevol met elkaar en ook met de kinderen werd omgegaan. Echtelijke spanningen, die er ongetwijfeld ook wel eens waren, bleven voor mijn broer en mij onzichtbaar. Mijn vader was op-en-top een gentleman in taal en gedrag en deelde met mijn moeder strenge normen.
 
Wat naast de kinderen mijn ouders in sterke mate bond was de liefde voor de paardensport, die het merendeel van hun contacten met vrienden en kennissen bepaalde. Ook het contact met de begenadigde ruiter- en paardensportliefhebber Pantchoulidzew kwam hieruit voort. Op 7 juli 1922 kwam hij als vriend voor het eerst bij ons in huis. Ik was toen inmiddels 11 jaar oud.
 
Na het overlijden van mijn -voor alle duidelijkheid: echte- vader in 1934 bleef de kolonel bij ons en was hij tevens meer en meer behulpzaam bij het beheer van Woynowo, het grote landgoed van mijn ouders.
 .
Ook na de Tweede Wereldoorlog bleef de kolonel mijn moeder tot grote steun, maar hun onderlinge verhouding werd tot aan zijn einde toe gekenmerkt door een bepaalde mate van afstandelijkheid. Voor de kolonel bleef mijn moeder zowel naar binnen als naar buiten toe Prinzessin en Sie. Ieder die mijn moeder goed heeft gekend weet overigens dat zij een ontwikkelde vrouw was met nogal strenge normen en waarden en tegelijkertijd een lieve en verstandige moeder en grootmoeder.
 
En wat de kolonel betreft wil ik nog stellen dat hij door mijn ouders -zoals wordt beweerd- nooit tot voogd over mijn broer en mij is benoemd. Geheel volgens familietraditie werd in de laatste wilsbeschikking van mijn ouders het voogdijschap in handen van een familielid gelegd, te weten van mijn oom Julius Ernst dan wel bij diens ontstentenis van mijn vaders neef Georg von Sachsen-Meiningen.
 
Veel van de in deze reactie bedoelde auteurs hebben met elkaar gemeen dat hun verantwoording van de gedebiteerde aantijgingen volstrekt ondeugdelijk is. Veelal bestaat die verantwoording uit weinig anders dan het verwijzen naar eerdere soortgelijke publicaties, die bij nader inzien ook weer geen openbare bronnen vermelden. Ook het alibi van anonimiteit van de bron is een veelvoorkomend verschijnsel.
 
Teneinde niet zelf ook deze fout te maken heb ik enige tijd geleden aan mr. M. J. D. van der Voet, voormalig hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst, gevraagd onderzoek te doen naar de achtergronden en beweerde bronnen van bovenstaande aangelegenheden. Zijn rapport is voorzien van bewijsmateriaal, namelijk beëdigde verklaringen en archiefbronnen.
 
Om volledige openheid te geven en om te voorkomen dat men bij gebrek aan duidelijkheid nog ongestraft genoemde aantijgingen als ”de waarheid” kan blijven herhalen, heb ik besloten het betreffende rapport inclusief het bronnenmateriaal openbaar te maken. Samen met deze verklaring vormen ze een geheel waarvan vrijelijk gebruik kan worden gemaakt.
 
Ik leef ondanks mijn leeftijd nog altijd met relatief veel plezier en dat om twee redenen. Toen mij in 1995 het eredoctoraat van Nijenrode werd toegekend, noemde ik mezelf de grootste bedelaar van Nederland. Daar zit een kern van waarheid in, want ’gebedeld’ heb ik, maar altijd ten behoeve van goede doelen. Het succes van het door mij opgerichte Prins Bernhard Natuurfonds ten behoeve van kleinschalige projecten op het terrein van natuurbehoud, biedt mij nog altijd veel voldoening. De strijd ten gunste van een gezonde natuurlijke omgeving voor mens en dier is immers een van de belangrijkste uitdagingen van dit moment. Dat verklaart ook mijn betrokkenheid bij en inzet voor de Peace Parks Foundation en African Parks.
 
Het belangrijkste element voor mijn voldoening echter wordt gevormd door de contacten met mijn vele gezins- en familieleden. Ik zie het als iets kostbaars op 92-jarige leeftijd tegelijkertijd echtgenoot, vader, grootvader en overgrootvader te zijn. En ook dat ik nog steeds in staat ben om op te komen voor mijn dierbaren, voor mijn ouders en voor mezelf.
 
Prins der Nederlanden
 
Soestdijk, februari 2004”

Gepost op

Bergers willen slagschip Graf Spee boven water brengen

De bergingsoperatie zal zeker drie jaar in beslag nemen en vele miljoenen euro’s kosten. De regering van Uruguay draagt bij aan de kosten van de berging. Volgens de Uruguese duiker Hector Bado, die het wrak in 1997 ontdekte, is de bedoeling om de Graf Spee in stukjes en beetjes boven water te krijgen om het schip vervolgens aan land weer te assembleren. „We willen van de Graf Spee het beste zeevaartmuseum ter wereld maken”, aldus Bado, die benadrukt dat er wereldwijd geen enkel ander Duits slagschip uit de laatste wereldoorlog meer valt te bergen.
 
Voor het Chileense Robinson Crusoë eiland in de Stille Oceaan ligt op 70 meter diepte het wrak van de Dresden, een voorloper van de Graf Spee uit de Eerste Wereldoorlog, die eveneens door de eigen bemanning naar de diepte is gestuurd na een treffen met een Brits eskader.
 
Hoewel De Graf Spee op een diepte ligt van amper 8 meter onder de zeespiegel, maakt het buitengewoon troebele water van de Rio de la Plata en het vaak minder aangename weer in de regio de bergingsoperatie tot een uitdaging van formaat.
 
De duikersploeg van Hector Bado wil allereerst de antennemasten en de radarinstallatie van de Graf Spee bergen. De 27 ton zware communicatie- en vuurleidingtoren van het schip bevat elektronische en optische instrumenten die toentertijd uniek waren. De Graf Spee, en haar twee zusterschepen de Scheer en de Lutzow, beschikten als eerste oorlogsschepen over bruikbare radarapparatuur.
 
De Graf Spee was een zogeheten vestzakslagschip, een formaat net iets zwaarder dan een kruiser. Deze oorlogsbodems hadden kleinere vuurmonden en iets dunnere pantserplaten dan volwaardige slagschepen, zoals de Britse Dreadnoughts uit de Eerste Wereldoorlog, maar waren daarentegen aanzienlijk sneller. De Duitse marine besloot aan het eind van de jaren twintig van de vorige eeuw noodgedwongen tot de bouw van kleine slagschepen omdat het Verdrag van Versailles het land het bezit van grotere marineschepen verbood. Aanvankelijk stonden kleine slagschepen dan ook te boek als zware kruisers, om aan de beperkingen van het verdrag te ontkomen.
 
De Duitse vestzakslagschepen waren hoofdzakelijk bestemd voor het ontregelen van de vijandelijke koopvaardij. De marinestaf in Kiel kreeg met de Graf Spee en haar zusterschepen de beschikking over oorlogsbodems die wereldwijd de oceanen konden afstropen. Tegelijkertijd waren de kleine slagschepen superieur aan de kruisers die gewoonlijk bescherming boden aan handelskonvooien, waardoor zij welhaast ongestoord hun dodelijke gang konden gaan. Juist hierom was het voor de Britse marine destijds een topprioriteit om deze ”roofdieren van de zee” op te sporen en uit te schakelen.
 
Volgens de Britse marinearcheoloog Mensun Bound van de universiteit van Oxford, die de Uruguese bergers bijstaat, was de Graf Spee qua technisch vernuft „een juweel” van haar tijd. „En aan het schip kleeft bovendien geen duistere geschiedenis. De kapitein was een eervol en oprecht man en bij de slag op de Rio de la Plata verloor geen van de partijen haar goede naam”, aldus Bound.
 
De Graf Spee, die in 1936 in de vaart kwam, heeft tijdens haar korte loopbaan in het zuidelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Indische Oceaan zeker negen geallieerde vrachtschepen (totaal ruim 50.000 ton) naar de bodem gestuurd. Het bijzondere hiervan was dat kapitein Hans Wilhelm Langsdorff bij de beschietingen en het tot zinken brengen van deze koopvaardijschepen stipt navolging gaf aan de toen geldende internationale regelgeving en de opvarenden van de koopvaarders die hij in het vizier had ruimschoots de gelegenheid bood om zich met reddingsboten in veiligheid te stellen. Geen enkele zeeman verloor bij acties van de Graf Spee het leven.
 
De laatste vaart van het schip begon 21 augustus 1939 toen de Graf Spee vanuit Wilhemshaven koers zette naar de Indische Oceaan. Op 13 december 1939 hadden de Britten het schip eindelijk gevonden in de Rio de la Plata, de brede, ondiepe zeemond tussen Uruguay en Argentinië. De Britse kruisers Ajax en Exeter, bijgestaan door de Nieuw-Zeelandse kruiser Achilles, raakten prompt slaags met de Graf Spee. Het Duitse schip wist de HMS Exeter uit te schakelen nadat vele tonnen aan munitie over en weer waren geschoten, maar had ook zelf ernstige averij opgelopen.
 
Kapitein Langsdorff moest de slag vroegtijdig afbreken om een neutrale haven binnen te lopen voor de benodigde reparaties. Op donderdag 14 december liep de Graf Spee de haven van de Uruguese hoofdstad Montevideo binnen. Onder het oorlogsrecht van die tijd had Langsdorff het recht om zich gedurende drie dagen schuil te houden en veilig te weten in een neutrale haven.
 
Al snel bleek dat er meer tijd nodig was voor het uitvoeren van de reparaties. Het anders slaperige Uruguay had niet alleen drie dagen lang de volle aandacht van de wereld op zich gericht, maar stond ook onder hevige diplomatieke druk van zowel Berlijn als Londen, die het tegenovergestelde eisten. Duitsland wilde vanzelfsprekend meer tijd, en de Britten verlangden dat de Uruguese regering de Graf Spee terstond de deur wees.
 
Uruguay hield evenwel stand en gunde het Duitse schip precies de drie dagen toegestane respijt. Hierna konden de even buitengaats loerende Britse kruisers de territoriale wateren binnen varen om hun werk af te maken.
 
Terwijl de halve wereld via rechtstreekse verslaggeving op de radio meeluisterde en honderdduizenden toeschouwers op de wal stonden, lichtte de Graf Spee op zondag 18 december 1939 om kwart voor zeven ’s ochtends het anker. Wat niemand wist, was dat het gros van de bemanning in de nacht ervoor van boord was gehaald en een onderkomen had gevonden op een Duits vrachtschip in de haven van Montevideo. Aan boord van de Graf Spee bevonden zich slechts kapitein Langsdorff en een kleine ploeg loyale zeelui die bevel hadden gekregen om even buiten de territoriale wateren van Uruguay de luiken te openen en zodoende het schip tot zinken te brengen.
 
Een aanzienlijk deel van de 1100 opvarenden van de Graf Spee gaf er later de voorkeur aan om niet naar Duitsland terug te keren en vestigde zich in Argentinië en Uruguay. Enkele van hen, nu hoogbejaard, helpen de bergers thans met het in kaart brengen van het oorlogsschip. Twee dagen na zijn schip tot zinken te hebben laten brengen, pleegde kapitein Langsdorff zelfmoord.

Gepost op

Entree Vught

Dit voorstel van SP en CDA wordt tijdens de Statenvergadering van komende vrijdag waarschijnlijk unaniem aanvaard, verklaart SP-fractievoorzitter N. Heijmans. Met de 450 mille stelt de provincie zich garant voor schuldsanering als het Kamp Vught hiervoor niet op een andere manier geld bij elkaar krijgt.
Vorige week kondigde de directie aan dat per 1 februari entree wordt geheven. Volgens SP en CDA is het belangrijk dat een gedenkplaats voor oorlogsslachtoffers vrij toegankelijk blijft.

Bron: Brabants Dagblad

Gepost op

Tentoonstelling Rotterdam

Ze zijn er allemaal in de Rotterdamse Kunsthal, de grote sterren van het witte doek uit de dertiger jaren, van Charley Chaplin tot Greta Garbo. Met groot raffinnement werden ze geportretteerd door de befaamde Edward Steichen. Het contrast met de ernaast gelegen zaal kan haast niet groter. De glitter en glamour van Hollywood is verre te zoeken op de eerder intieme, haast familiaire studioportretten van Disfarmer. Portretten van kleine blanke katoenboeren en hun gezinnen in het zuiden van de Verenigde Staten, voornamelijk ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.
Het leven van Disfarmer (1884-1959) is in raadselen gehuld. Hij werd geboren als Mike Meyer, maar moet op zeker moment geobsedeerd zijn geraakt door het idee dat hij als kind door een tornado weggesleurd was van zijn ouderlijk huis en vervolgens terecht gekomen bij de boerenfamilie Meyer. Om zich van die boeren (farmers) te distanciëren noemde hij zich voortaan Disfar–mer. Curieus in dit verband is het gegeven dat hij pas met een eigen fotostudio begon nadat een ?chte tornado het huis verwoest had waarin hij met zijn moeder had samengewoond.
Uit het weinige wat bekend is over ‘s mans leven staat vast dat hij een behoorlijke klandizie had aan de agrarische bevolking van Heber Springs, Arkansas. De drieduizend nog bruikbare glasplaten die na zijn dood in 1959 aangetroffen werden, betroffen studioportretten. De feitelijke ontdekking door fotokenners vond pas begin jaren zeventig plaats en sindsdien is Disfarmer een grote internationale naam in de wereld van de fotografie. De Kunsthal brengt als eerste in Nederland een overzicht van zijn werk uit de periode 1939-1946.

Vertrouwelijk
Disfarmer mag dan een vreemde vogel zijn geweest in het provinciestadje Heber Springs, de klanten voelden zich zo te zien echt op hun gemak in zijn sobere studio. Het is tenminste opvallend hoe vertrouwelijk de mensen vaak in de lens kijken. Soms kijken ze ronduit geamuseerd, alsof de fotograaf hen net een goeie bak heeft verteld. Beschouwde hij ze eigenlijk ook niet een beetje als familie?
De portretten van Disfarmer ontlenen hun kracht mede aan een ongelooflijke helderheid. Hun intensiteit wordt nog verstrekt doordat geen protserig decorstuk of andere studioverfraaiingen de aandacht kunnen afleiden. Er zijn individuele portretten, maar de meerderheid wordt gevormd door groepsportretten: twee vrienden, drie vriendinnen, hele families, soldaten voor hun vertrek naar het front, een moeder met haar baby. Saamhorigheid spreekt eruit, tederheid, maar ook een hard leven.
De meeste mensen zijn op hun paasbest naar de studio gekomen, maar hun kledij is armoeiig. En ze staan er vaak heel simpel bij, een beetje stijfjes soms, gewoon de armen langs het lijf hangend. Nee, Disfarmer laat ze geen pose aan nemen, maakt ze niet mooier dan ze zijn. Maar, je krijgt wel sterk het idee dat hij met een ongelooflijke intuïtie het moment heeft gevangen waarop een mens zijn ziel blootlegt.
Toch mooi, om daarna nog even naar Steichens Hollywood Celebrities te kijken, al was -het maar omwille van het contrast.
Disfarmer, de Heber Springs portretten 1939-1946. In de Kunsthal in Rotterdam nog te zien tot en met 11 april. Edward Steichen, Hollywood Celebrities nog te zien 25 april.

Bron: Brabants Dagblad

Gepost op

NIK krijgt documenten terug.

Secretaris Ruben Vis van het NIK kreeg eerder inzage in het archief, dat ,,een goed beeld geeft van de ontwikkelingen binnen de joodse gemeenschap in Nederland vanaf 1800 tot ongeveer 1943.”

De documenten zijn voornamelijk afkomstig uit Amsterdam, Den Haag en Utrecht. Het archief kwam na de Tweede Wereldoorlog in handen van Rusland, nadat het in de oorlog door de Duiters uit Nederland was geroofd. Pas in het begin van de jaren negentig, toen in Rusland een opener politieke wind begon te waaien, werd bekend dat het archief in Moskou terecht gekomen was. In 1998 reisde Ruben Vis min of meer op persoonlijke titel naar Moskou met het verzoek om inzage in het archief.

,,Daar hadden ze toen nog wel wat moeite mee. Als een soort compromis besloten ambtenaren dat ik drie van de in totaal tientallen dozen mocht inzien. Ik heb gevraagd om de eerste, de middelste en de laatste uit de rij, zodat ik enigszins een indruk kon krijgen van het hele archief.”

Vis begreep toen al dat het archief een belangrijke aanwinst zou zijn voor inzicht in de ontwikkelingen van de Joodse gemeenschap in Nederland. Bovendien kwam hij tot zijn stomme verbazing in de laatste doos de naam van zijn overgrootvader tegen. ,,Dat was een vondst als een speld in een hooiberg. Ik las met eigen ogen dat hij was geslaagd voor een examen voor godsdienstleraar en dat zijn loopbaan was begonnen.”

In september 2001 reisde Vis opnieuw naar Moskou, als afgevaardigde van het ministerie van buitenlandse zaken. Dit keer kreeg hij inzage in het gehele archief. ,,Alle honderdduizend bladzijden heb ik in mijn handen gehad en bekeken, zowel voor- als achterkant.”

Het oudste document dateert uit de eind achttiende eeuw. Het gaat om een verzoek van een aantal Joden uit Maarssen aan het stadsbestuur van Utrecht, om zich in deze stad te mogen vestigen. Tot die tijd was dat verboden, maar dankzij een nieuwe regeling konden dergelijke verzoeken worden ingediend. Uit andere stukken blijkt dat het verzoek werd ingewilligd.

Vis: ,,Vervolgens zie je door het hele archief welke ontwikkelingen de Joodse gemeente doormaakte tot in de Tweede Wereldoorlog. Eerst trekken steeds meer Joden naar de steden omdat ze zich in kleine woonplaatsen niet meer financieel kunnen redden. In het archief bevinden zich stapels verzoekschriften aan kerkenraden om ontheffing van financiële bijdragen, omdat leden die niet langer kunnen opbrengen. Het aantal leden in de steden groeit, en de gemeenschappen functioneren steeds professioneler. Later komen veel verzoeken bij de gemeenschappen binnen om steun voor Joden in Oost-Europa die steeds vaker lijden onder anti-semitistische tendensen. Nog weer later zijn het Duitse Joden die vragen om ondersteuning, of ze sluiten zich aan bij gemeenschappen in Nederland. Tenslotte komt uit het archief naar voren hoe de gemeenschappen onttakelen in de jaren dertig en in de Tweede Wereldoorlog.”

Voor Ruben Vis persoonlijk is het archief in nog een ander opzicht interessant. Een oudoom, zoon van de eerder genoemde overgrootvader, fungeerde als secretaris van de Joodse gemeenschap in Den Haag. De documenten die hij ondertekende vormen als een rode draad door de opkomst en de ondergang van de Haagse gemeenschap. ,,Bij zijn aantreden telde de gemeenschap in Den Haag tienduizend leden, en dat zou nog stijgen tot vijftienduizend leden. Een keer woonde hij een kerkenraadsvergadering niet bij. Zijn moeder was overleden en het is gebruikelijk om dan een week van rouw in acht te nemen. De volgende vergadering, een paar weken later, kan hij niet bijwonen omdat hij dan inmiddels is gedeporteerd. In de notulen staat dat de andere bestuursleden hierbij hebben stilgestaan en de hoop hebben uitgesproken dat het voor hem goed zou aflopen. Dat is niet gebeurd; hij is tijdens de Tweede Wereldoorlog omgekomen.”

Het ‘jongste’ stuk uit het archief is gedateerd maart 1943. Hierin is vastgelegd dat het bestuur had nagedacht over de vraag hoe zij ??n en ander moesten achterlaten. Vis: ,,Ze zagen wel aankomen dat ook zij gedeporteerd zouden worden als ze niet zouden onderduiken.”

Wanneer het archief daadwerkelijk terug in Nederland is, zal het worden bewaard op plaatsen waar het voor publiek toegankelijk is.

Bron Nederlands Dagblad