Gepost op

Joden dankbaar voor hulp van Koningin

Russische troepen hadden de documenten na de oorlog naar Rusland meegenomen. „De meer dan 100.000 bladen historisch materiaal, die eerst verloren waren gewaand en alweer zo’n tien jaar geleden werden ontdekt, zijn nu weer bij de eigenaren teruggekeerd”, aldus Ruben Vis, secretaris van het genootschap.

„Onder meer bij een recent gehouden officiële overdrachtsbijeenkomst in het Nationaal Archief kwam van overheidswege diverse malen tot uitdrukking op welke intensieve wijze de Koningin persoonlijk heeft aangedrongen op daadwerkelijke overdracht van de archieven door de Russische autoriteiten aan ons land”, zegt Vis. Volgens hem heeft haar persoonlijke betrokkenheid bij dit onderwerp, onder meer tijdens het staatsbezoek aan de Russische Federatie in 2001, ertoe geleid dat het teruggaveproces werd bespoedigd en succesvol afgerond.

„Bij het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap heerst een gevoel van grote opluchting en diepe tevredenheid over de uiteindelijke terugkeer op Nederlandse bodem. In het voortdurende besef dat wij zo veel zijn kwijtgeraakt, in menselijk opzicht, in materieel en immaterieel opzicht, werd de terugkeer van een zo grote collectie documenten zo lang na de oorlog, niet meer voor mogelijk gehouden”, schreef het genootschap aan de Koningin. De teruggekeerde archieven vormen volgens het genootschap voorzover bekend de omvangrijkste nog te ontsluiten bronnencollectie voor kennis van de Joodse geschiedenis in Nederland.

De documenten zijn inmiddels ondergebracht in openbaar toegankelijke archiefcollecties bij de gemeentelijke archiefdiensten van Amsterdam, Den Haag en Utrecht.

Gepost op

Expositie Kamp Vught met spellen en puzzels uit oorlogstijd

Gejus van Diggele is samensteller van de expositie ‘De oorlog op tafel’ met spellen en legpuzzels uit oorlogstijd.

Getroffen door een granaatscherf, drie beurten wachten. U heeft toch getelefoneerd tijdens het luchtalarm, vijf plaatsen terug. De meeste mensen zullen zich andere kreten herinneren op het ouderwetse ganzenbord. Ook een kaartspel uit 1933 met een afbeelding van een joodse man in de gevangenis met kogel om zijn been met de tekst ‘eindelijk ben je waar je thuis hoort’ roept heel andere gevoelens op dan spelletje doorgaans doen. De spellen maken deel uit van de expositie’ De oorlog op tafel’, de komende maanden te zien in het Nationaal Monument Kamp Vught. Oorlogsspel Samensteller van de expositie en eigenaar van de spellen en puzzels is Gejus van Diggele. De spelletjesliefhebber begon in 1970 met zijn verzameling. De interesse voor spellen en legpuzzels uit de Tweede Wereldoorlog kwam toen hij in 1992 zijn eerste ‘oorlogsspel’ in handen kreeg. "Ik hou van dingen met een verhaal. Een spel is niet alleen een vorm van tijdverdrijf, maar het -het geeft ook een reflectie van de tijd waarin het gespeeld werd", licht Van Diggele zijn voorliefde voor spelletjes toe. Ruim de zolder op, dat verminderd brandgevaar. Leg ‘s nachts kleren en een koffer bij de hand. Een bordspel uit 1944 om Nederlanders te leren zichzelf te beschermen bij een vijandige luchtaanval. Of een distributiespel uit 1945: wie het eerst genoeg distributiebonnen heeft voor een volledige maaltijd en een stuk zeep, heeft gewonnen. "Spelletjesmakers spelen altijd in op de belevingswereld van mensen in een bepaalde tijd", vertelt Van Diggele. "Dat was ook zo in de oorlogstijd." Ook -de zelfgemaakte spelletjes vertellen veel over de gevoelens van mensen tijdens -de Tweede Wereldoorlog. Zoals het kaartspel waarbij foto’s van de koninklijke familie op stukjes karton zijn geplakt.

Bietsen
Een bijzonder bezit vindt Van Diggele de kaartspelen die door gevangenen in concentratiekampen werden gemaakt en gespeeld. Soms op lege sigarettendoosjes, soms op een flitterdun papiertje getekend. "Voor een stok kaarten had je 32 lege sigarettendoosjes nodig. Het kostte heel veel moeite -om zoveel doosjes bij de kampleiding bij elkaar te bietsen. Een gevangene tekende vervolgens met grote zorg de afbeeldingen op de kaartjes. Dat maakt het voor mij heel ontroerend materiaal." Zeker de helft van de spellen heeft Van Diggele – reclamemaker van beroep – via internet op de kop getikt. Zo’n zestienhonderd heeft hij er nu in bezit waarvan een -deel uit de oorlogstijd. Zijn tentoonstelling ‘De oorlog -op tafel’ is al te zien geweest op verschillende tentoonstelligen in Nederland, België, Finland en Duitsland. Van Diggele geeft ook lezingen in binnen- en buitenland.
‘De oorlog op tafel’, expositie van spellen en legpuzzels uit de Tweede Wereldoorlog. Te zien tot en met 9 januari 2004 in Nationaal Monument Kamp Vught. Di t/m vrij 10-17 uur. Za en zo 12-17 uur. Maandag gesloten.

Bron: Brabants Dagblad

Gepost op

Munitieruiming Peest grootste in Nederland

Jongste berekeningen geven aan dat de kosten uitkomen op 5 miljoen euro, ongeveer een half miljoen meer dan berekend bij de start. Toen de geallieerden het militaire vliegveld bij de bevrijding naderden, ondermijnden de Duitsers de start- en landingsbanen met bommen. Van 1945 tot 1953 werd het terrein bovendien gebruikt om overgebleven munitie onschadelijk te maken. Een groot deel daarvan verdween niet-geëxplodeerd in de grond.
Het Explosieven Opruimingscommando van de Koninklijke Landmacht maakt de vondsten wekelijks onschadelijk. De zoekactie gaat nog tot halverwege 2005 duren, een half jaar langer dan verwacht.

Bron: Brabants Dagblad

Gepost op

Canadese veldkeuken bakt oorlogs hamburgers.

De kok en de andere soldaten gaan voor de ca. 150 deelnemers van de veteraan motorenrally die vanaf het begin van de middag in Hengelo gaan finishen een aantal traktaties verzorgen. Ze worden allereerst met originele koffie ontvangen met daarbij de zgn. 3 in de pan cookies. Een soort flensjes die ter plekke gebakken worden. Daarna kunnen de motorrijders nog een originele Canadese hamburger krijgen. De hamburger is in 1944-1945 voor het eerst echt geïntroduceerd in Nederland. De koks van de geallieerde veldkeukens hebben daar veel aan bijgedragen. Het product was voor hen makkelijk te maken en overal ten velde konden ze gehakt maken van alles wat er voor handen was op dat moment. Daarmee werden dan de hamburgers gemaakt en indien voorradig tussen een broodje geserveerd. Een originele traktatie voor de ca. 150 motorrijders die daarna nog tegen de Canadese soldaten kunnen strijden in een brancardrace en een touwtrek wedstrijd.

Canadese schoenmaker in actie.

Als bonus hebben we in het kamp ook een echte Canadese schoenmaker te velde zitten die ter plekke de schoenen voorziet van alle ijzers en spijkers die er in de oorlog onder de zolen hoorden te zitten. Als u nog een paar oude legerkistjes met echte leren zolen op zolder hebt liggen dan mag u ze meebrengen en kunnen ze ter plekke door onze schoenmaker worden beslagen. Ook hakijzers en spijkers voor onder de zolen mag u uiteraard meebrengen. Hebt u vragen bel dan Jean Kreunen 0575-463942.

Het Achterhoeks Museum 1940-1945 hoopt dat we ook dit jaar weer een prachtige dag mogen beleven samen de Hengelose Ondernemers Vereniging op de grote Braderie en de Hamove die de veteraan motorenrally organiseert. Het festijn in Hengelo Gld. begint om ca. 11.00 uur in het centrum van het dorp.

Gepost op

Verschil tussen het boek en de bronnen

Jonathan Daniels (1903-1981) wist met zijn boek tot vandaag toe de toon te zetten met het door hem bedachte concept van Harry Truman als „alledaagse Amerikaan” die zijn kracht ontleende aan zijn „ongewone gewoonheid.” Dr. Hans Veldman dacht dat meer informatie over de schrijver interessant zou zijn. Het proefschrift ”De perschef als biograaf” is een biografie van de biograaf en dit werpt inderdaad nieuw licht op de president ?n op het werk van zijn voormalige perschef.

Daniels’ vader, Josephus, was wisselend hoofdredacteur van The News & Observer in het zuiden van de VS en politicus. Hij diende als minister van Marine onder president Woodrow Wilson en had de flamboyante politicus Franklin D. Roosevelt als staatssecretaris. In die atmosfeer werd Jonathan geboren.

In het begin van de Tweede Wereldoorlog werd Daniels op verzoek van -de door hem bejubelde- president Roosevelt benoemd als lid van een adviesraad op defensiegebied. Daniels raakte daar teleurgesteld vanwege de vele interne ruzies waarin hij verzeild raakte. Korte tijd later werd hij echter naar het Witte Huis gepromoveerd en werd daar politiek assistent van president Roosevelt (in Veldmans boek vaak met zijn initialen FDR aangeduid).

Roosevelt vertrok in januari 1945 naar de conferentie van Jalta, om daar met Churchill en Stalin de toestand in de wereld te bespreken. Daniels moest op het Witte Huis perschef Stephen Early vervangen.

Dat was een weinig eervolle taak. De Grote Drie waren overeengekomen dat er geen pers bij de conferentie zou zijn en dat er alleen achteraf foto’s zouden worden gemaakt door fotografen van de marine. Daniels wist dus niets over hetgeen werd besproken.

Het meest curieuze zit echter in de foto’s van de conferentie. In Jalta waakte Early als een arend over de presentatie van de zieke president. FDR mocht koste wat het kost niet met krukken of in een rolstoel worden vereeuwigd. De fotografen mochten alleen afdrukken als de perschef ”shoot” riep.

Vervolgens werden de foto’s naar Daniels in Washington gestuurd, die ze dan aan de hand van uitgebreide instructies moest schiften. Foto’s waarop Roosevelt te mager naast de weldoorvoede Churchill en de glunderende Stalin stond afgebeeld, werden achtergehouden. Veldman publiceert er enkele die hij in het archief van Daniels heeft gevonden.

Veldman vermoedt dat Daniels nauwelijks iets wist van de werkelijke gezondheidstoestand van de president. Ook na de terugkomst van Roosevelt eind februari 1945 -toen Daniels door het vertrek van Early definitief als perschef werd benoemd- ontkent hij „absoluut” berichten uit Europa dat het niet goed zou gaan met FDR.

Zelfs de slechte presentatie van de -door zijn staf- goed voorbereide toespraak van de president in het Congres over Jalta, alarmeerde de presidentiële staf niet. Terwijl Daniels het publiek nog verzekerde dat de president gezond was, kwam op 12 april het bericht dat hij was overleden. Het verraste en verdoofde Daniels.

De nieuwe president, Harry S. Truman, beviel Daniels niet. Hij ging terug naar de journalistiek van The News & Observer. De oud-perschef dacht zoals de Christian Science Monitor later diepzinnig schreef, dat Truman zoveel had „om nederig over te zijn.”

Daniels matigde zijn positie echter vrij snel. Truman vroeg hem in 1948 een biografie over hem te schrijven. In oktober 1950 verscheen ”The Man of Independence”.

Alle stappen van zijn onderzoek had Daniels vastgelegd in zijn zogenaamde ”Research Notes”. Veldman beschrijft hoe de Notes op veel punten sterk afwijken van het boek. De Notes bevatten de feiten, het boek is met een uitdrukkelijk doel geschreven. Veldman heeft de verschillen tussen de Notes en het boek geanalyseerd en die zijn veelzeggend.

Daniels verzweeg in zijn boek Trumans falen als zakenman. Verder blijft diens vroegere lidmaatschap van de racistische Klu Klux Klan onbesproken. Hij negeerde HST’s driftbuien en diens -waarschijnlijke- drankprobleem. De aantekeningen maken aannemelijk dat Truman al als senator wist van het (kostbare) atoomprogramma, terwijl Daniels in het boek doet voorkomen alsof Truman daarvan pas in zijn eerste week als president hoorde.

In de jaren tachtig en negentig waren Daniels’ ”Research Notes” weer een belangrijke bron voor ten minste drie nieuwe biografieën over Truman. Op basis van deze aantekeningen lag immers een heel ander boek voor de hand dan dat Daniels had geschreven.

Veldman concludeert dat Daniels’ biografie eigenlijk een doelgericht campagneboek was en verbaast zich erover dat het boek steeds zo gezaghebbend is geweest. Historici die Truman welgezind waren en zijn, hebben het doorlopend gebruikt als een klassieke bron over Truman. De constructie van HST als „alledaagse Amerikaan” is bewust door Daniels bedacht, maar is tot op heden algemeen in de ”trumaniografie” aanvaard. Sterker: terwijl Daniels in de jaren zeventig reeds erkende dat hij Truman te weinig als „reëel politicus” had beschreven, stelde Daniels’ eigen News & Observer in 1998 Trumans vermeende integriteit nog als voorbeeld voor president Clinton in de zaak-Lewinsky. Veldmans boek biedt een aardig kijkje achter de schermen van de Amerikaanse politieke geschiedschrijving.

Titel: ”De perschef als biograaf”
Auteur: Hans Veldman
Uitgeverij: Aspekt, Soesterberg, 2003
ISBN 90 75323 96 4
Pagina’s: 221
Prijs: € 19,90.
Geschreven door: Evert van Vlastuin

Gepost op

Tijd dringt na dood Hoogendam

Zes Nederlandse oud-SS’ers zijn na de oorlog bij verstek ter dood veroordeeld door Nederlandse rechters. Van tenuitvoerlegging van die straffen kwam het de afgelopen decennia niet, ondanks inspanningen van justitie, politici en de media. Pogingen om de oorlogsmisdadigers uitgeleverd te krijgen, mislukten de afgelopen jaren steevast doordat de inmiddels bejaarde criminelen vlak na de oorlog Duits staatsburger waren geworden.

Hoogendam en zijn medewerkers Auke Pattist (in Spanje overleden) en Van Oort voerden in 1944 en 1945 een waar schrikbewind in Hollandscheveld, waar ze jacht maakten op partizanen en joden. Hoogendam wordt in het Drentse dorp verantwoordelijk gehouden voor de dood van zeker acht mensen.

Zijn bijnaam luidde ‘de Bokser’ omdat hij zijn slachtoffers bij voorkeur hard in het gezicht stompte. Hij ontsnapte in 1946 uit een gevangenkamp, nog voordat zijn proces begon. Hij nam vervolgens de wijk naar Duitsland, waar hij Duits staatsburger werd en de schuilnaam Dieter Hohendamm aannam. Een journalist van de Telegraaf spoorde hem in 2001 op.

De rechtbank in Assen veroordeelde Hoogendam bij verstek ter dood, een straf die later werd omgezet in levenslang. Diverse pogingen om hem terug te halen naar Nederland mislukten doordat Duitsland geen Duitse staatsburgers uitlevert.

Vorige maand vroeg minister Donner (justitie) de Duitsers om Hoogendam alsnog voor een Duitse rechtbank te brengen, samen met vijf andere Nederlandse oorlogsmisdadigers. E?n van hen is Herbertus Bikker (87), de Beul van Ommen. Bikker staat volgende maand in Duitsland terecht voor de moord op de Nederlandse verzetsman Jan Houtman in 1944. Bikker werd na de oorlog net als Hoogendam ter dood veroordeeld, maar ontsnapte in 1952 naar Duitsland. Zijn bijnaam verkreeg hij door zijn gewelddadige gedrag als bewaker in het werkkamp Erica.

Spokenjacht

Historicus Albert Metselaar uit Hoogeveen heeft uitputtend onderzoek gedaan naar de handel en wandel van Hoogendam en Pattist en Van Oort. De drie voormalige oostfrontstrijders joegen in Hollandscheveld en omstreken op joden en partizanen, maar volgens Metselaar waren daar toen helemaal geen partizanen. ,,Hoogendam was op spokenjacht en werd steeds gewelddadiger omdat hij niets kon vinden. Dat heeft hij nooit willen erkennen.”

Eigenlijk komt Hoogendams dood iets te vroeg, vindt Metselaar. ,,Hij heeft niet afgemaakt wat hij had m?eten afmaken. Mensen wilden met hem praten, hem zien, zijn verhaal horen. Ze wilden weten wat hij met hun vaders heeft gedaan, hoe hij zijn daden kon verantwoorden, waarom het allemaal nodig was. Ze hebben hem brieven geschreven, bij hem op de stoep gestaan, maar hij reageerde niet. Het tv-programma Heilig Vuur heeft geprobeerd om ons samen voor de camera te krijgen, ergens in Duitsland, maar dat wilde zijn advocaat niet. En dan te bedenken dat hij na zijn ontdekking beweerde dat hij spijt had.”

Berouw

Op de Duitse televisie zei Hoogendam in juni 2001 dat hij berouw had van zijn gedrag tijdens de Tweede Wereldoorlog. ,,Het is te laat om te zeggen dat ik berouw heb; berouw komt altijd te laat. Maar zoals ik er nu over denk, zou ik het nooit weer doen. Wij hebben alleen partizanen en Duitsers die Engelsen hebben geholpen, mishandeld”, aldus Hoogendam.

Een weinig geloofwaardige lezing, oordeelt historicus Metselaar: ,,Ik zie geen emotie bij deze man. Wie hij opgepakt heeft waren onschuldige burgers of burgers die onderduikers hadden, of van wie de kinderen waren ondergedoken. Maar dat waren geen partizanen.” De historicus denkt wel een verklaring te hebben voor Hoogendams halsstarrige opstelling. ,,Hij heeft tot zijn dood niet onder ogen willen zien wat hij heeft gedaan.”

Bron: Nederlands Dagblad

Gepost op

De wurggreep van de oorlog

”Liefdesmeer” valt uiteen in twee helften: ”Na de oorlog” en ”Voor de liefde”. In het eerste deel staan 25 verhalen uit haar twee bundels, het tweede bevat zeven in tijdschriften verschenen en vijf nieuwe verhalen.

Het overkoepelende thema in de eerste aangrijpende verhalen uit ”Na de oorlog” is de schrijnende en bittere herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, waarin vele Joodse gezinnen voorgoed uiteen werden gerukt. Het zwijgen over die herinnering valt niet vol te houden; steeds weer blijkt hoezeer de oorlog doorwerkt in het leven van hen die in de oorlog kinderen of volwassenen waren. Ook wie na de oorlog is geboren en een of twee Joodse ouders heeft, kan zich niet ontworstelen aan de wurggreep van de gruwelen.

In het eerste verhaal, ”De optelsom”, kan een vrouw pas 25 jaar na de oorlog, na altijd maar te hebben gezwegen over het verleden, de optelsom maken. „Voor het eerst kon ik dat. De optelsom van allen die er niet meer waren. Ik heb ze opgeteld. Allemaal, behalve jou en mij en mijn oude moeder.”

Oorlogsverdriet
Ook in ”De envelop” lukt het een Joodse vrouw niet haar verleden te vergeten. De lezer ziet haar door de ogen van haar zoontje, die de enige lijkt te zijn die nog aan zijn overleden vader denkt, nu zijn moeder is hertrouwd. „Zijn moeder had het heel druk – het huis, de vader, de kleine zusjes, de vrienden die kwamen, de familie, ze was altijd bezig.” Maar toch breekt op een dag de waarheid door in het schijnbaar hernomen leven van zijn moeder. „Zijn moeder zette zich op de rand van het bed en trok Davy naast haar, tegen zich aan en begon hardop de brief te lezen die ze uit de envelop had gehaald. Ze las de naam van zijn vader en waar hij omgekomen was en de datum. Toen zag Davy dat ze huilde. De smalle hoge kamer verstilde en in Davy’s lijf sloeg de eenzaamheid aan stukken. Verliet hem ??n weldadig ogenblik, een ogenblik als een eeuwigheid. Dichter kroop hij tegen zijn moeder aan, maar zij hield het gezicht verborgen in haar handen. De brief en de envelop met het rode kruis waren van haar schoot gegleden en flonkerden genadeloos aan haar voeten.”

In de andere verhalen beschrijft Polak op dezelfde, licht afstandelijke, manier verschillende vormen van oorlogsverdriet. Zo is er de kleine Ruth, mager, met twee strakke vlechten en hoekige schouders, die niet alleen een bril moet dragen, maar ook degelijke hooggesloten schoenen vanwege haar zwakke voeten. Daar komt nog bij dat haar moeder in de oorlog is omgekomen. Dit ongelukkige meisje wordt door de gymnastiekjuffrouw zo vernederd, dat ze niet meer met de lessen mee wil doen.

En er is Martha, die nu in een bejaardenhuis zit en zo graag even een wandelingetje buiten maakt: „Weet je, al is het maar even, al ben ik er maar een kwartiertje uit. Het is anders net of ik weer ben ondergedoken.” Er zijn de nabestaanden die de vernietigingskampen bezoeken, de vrouwen die geen kinderen hebben omdat ze in Auschwitz zijn gesteriliseerd, het kind dat na de oorlog niet bij haar Joodse ouders wil blijven wonen, maar naar haar onderduikouders terugkeert, de Joodse vrouw die niet bij haar man blijft, maar weer bij haar vader gaat wonen met wie ze herinneringen aan de oorlog kan ophalen en, om niet meer te noemen, de vrouw die door een opgedoken foto het gemis van haar omgekomen vader weer ten volle voelt schrijnen.

Dubbelrol
De verhalen in de tweede helft van ”Na de oorlog” gaan bijna niet meer over de oorlog, maar meer over eenzaamheid. Toch eindigt het ook hier weer met de oorlog. In het laatste verhaal speelt een actrice een pijnlijke dubbelrol: ze moet haar filmkind bij onderduikouders achterlaten, terwijl zij dat zelf vroeger als kind heeft moeten meemaken. „Op de gang wacht Violet met broodjes en koffie, stralend: „Eindelijk gelukt. Je was fantastisch, een broodje?””

De titel van het tweede deel, ”Voor de liefde”, is nogal misleidend, maar de verhalen blijven in de lijn van de vorige: mensen zoeken hun geluk in de liefde, maar komen bedrogen uit en blijven dus ten diepste eenzaam. Een overspelige relatie loopt stuk, een kunstenaar benadert een breekbaar model veel te bruusk en kan haar beeld niet op papier krijgen, een vrouw wacht en wacht op het moment dat haar vriend nu eindelijk eens bij zijn vrouw weggaat. Het lange titelverhaal ”Liefdesmeer” behandelt het stuklopen van een vriendschap na het huwelijk van een van hen en het onvermogen de vriendinnenrelatie te herstellen.

Hemel
Opvallend is het ontbreken van de naam van God -behalve in een enkele vloek- en het heenwijzen naar de genezing die Hij kan geven voor de diepe wonden waar de verhaalpersonen onder lijden. Het laatste verhaal wil dat goed maken. Het begint met de zin ”God was thuis verboden”. De ikpersoon probeert wel te bidden, maar houdt daar weer gauw mee op, omdat ze geen opening naar de hemel krijgt, maar alleen zichzelf ziet staan. Tot haar verbazing komt ze na haar dood in de hemel terecht („terwijl ik niet eens in Hem geloofde”) en een engel laat haar zien waardoor dat komt: in een moment van dankbaarheid, terwijl ze naar haar tweede echtgenoot aan het kijken was, heeft ze gefluisterd: ”Adonai, Adonai…”

Polak bedoelt met dit verhaal een positief einde aan deze bundel vol triestigheid te geven; in de laatste zinnen wijst de verteller erop dat ze het licht van de hemel herkent: het is hetzelfde als het licht dat elke ochtend opnieuw na de nacht tevoorschijn komt, „het licht waarin bomen en takken en vogels geboren worden, elke ochtend opnieuw.” Wie dat beseft, hoeft niet meer te treuren, want de hemel is al aanwezig op aarde, lijkt Polak te willen zeggen. Zulke aardse gedachten over de hemel geven geen hoop, maar stemmen nog droeviger.

Titel: ”Liefdesmeer & andere verhalen” door Chaja Polak
Uitgeverij: Vassallucci, Amsterdam, 2003
ISBN 90 5000 468 7
Pagina’s: 174
Prijs: €16,95.

Geschreven door Els Bruss?-Dekker

Gepost op

Veteranendag op verjaardag prins

Staatssecretaris Van der Knaap van Defensie nam donderdagmiddag in Den Haag het initiatief voor een Nationale Veteranendag over van de commissie-Van Eekelen. Die vindt dat het evenement een bijdrage moet leveren aan de maatschappelijke erkenning van oud-militairen die onder oorlogsomstandigheden of in crisisbeheersingsoperaties hebben gediend.

Landen als Groot-Brittannië en de Verenigde Staten kennen al een aparte dag voor veteranen. Nederland telt ongeveer 70.000 veteranen. De bedoeling is dat de eerste veteranendag op dinsdag 29 juni 2004 wordt gehouden.

Het evenement is niet gebonden aan een vaste locatie. Commissievoorzitter Van Eekelen: „We kunnen op verschillende plaatsen in het land beginnen en centraal eindigen. Met een ArenA- of RAI-achtige bijeenkomst.” Scholen moeten actief bij de herdenking worden betrokken.

Van der Knaap kondigde donderdag aan het veteranenmonument zoals gepland te laten oprichten in Roermond. De bouw was tijdelijk stopgezet in afwachting van de discussie over de plaats van de veteranendag. Het monument zal op 24 oktober, de Dag van de Verenigde Naties, worden onthuld.

De commissie wilde de veteranendag niet op een nationale feestdag of op 4 of 5 mei zetten. De verjaardag van koningin Wilhelmina (31 augustus) viel af omdat die te dicht zit bij 7 september, de Indië-herdenking in Roermond. Van Eekelen: „Toen kwamen we uit bij de levende veteraan bij uitstek: prins Bernhard.”

Van der Knaap overhandigde het rapport van de commissie donderdagmiddag op Paleis Soestdijk aan de prins. Bij die gelegenheid kreeg de prins ook het draaginsigne van de veteranen opgespeld. Het insigne wordt de komende weken verstuurd aan alle 70.000 veteranen.

De prins vervulde in het verleden verschillende militaire functies, waaronder bevelhebber van de binnenlandse strijdkrachten. In die hoedanigheid was hij op 5 mei 1945 aanwezig bij de overgave van de Duitse troepen in hotel De Wereld in Wageningen.

Onbekend is dat de prins in de eerste dagen van de oorlog zelf het wapen ter hand nam. De historicus Teo van Middelkoop uit het Zeeuwse Kapelle hoorde het uit zijn eigen mond. Van Middelkoop publiceerde eind vorig jaar een boek over generaal Winkelman, opperbevelhebber van de Nederlandse troepen in de meidagen van 1940. Afgelopen maandag overhandigde hij in Paleis Soestdijk het boek aan prins Bernhard.

Bij die gelegenheid vertelde de prins dat hij in mei 1940 vanuit de tuin van het paleis in Den Haag op Duitse toestellen had geschoten. „Verbazingwekkend”, aldus Van Middelkoop. „De prins was kort na zijn huwelijk buitengewoon loyaal met de Nederlanders. Hij schoot nota bene op zijn landgenoten.”

Een ander opmerkelijk detail is dat prins Bernhard wist dat de Duitse inval aanstaande was. Van Middelkoop: „Hij kreeg van zijn broer die bij de Wehrmacht diende en in april 1940 aan de Nederlandse grens lag, een kaartje met de mededeling dat de broer binnenkort bij familie in Nederland op bezoek zou gaan. Daaruit leidde Bernhard af dat de Duitsers zouden komen. Hij gaf de informatie door aan generaal Winkelman.”

De koninklijke familie vluchtte kort na de inval naar Engeland. Van daaruit leidde Bernhard het Nederlandse verzet. Voor zijn verdiensten in de Tweede Wereldoorlog ontving de prins in 1946 het commandeurskruis van de Militaire Willemsorde en voor zijn operationele activiteiten het Vliegerskruis.

Volgens Van Middelkoop, docent geschiedenis aan het Calvijn College in Goes, had de prins grote achting voor Winkelman. „Het was een goeie vent, een dappere vent, vertelde hij me. Van kritiek op het functioneren van Winkelman wilde hij niets horen.”

Ten tijde van de oorlog groeide de verjaardag van de prins uit tot Anjerdag, genoemd naar de bloem die Bernhard vaak in het openbaar droeg en draagt. De 29e juni, de eerste ’Oranjedatum’ na 10 mei, bleek voor veel Nederlanders een uitgelezen gelegenheid om spontaan blijk te geven van hun vaderlandsliefde en hun aanhankelijkheid aan het koningshuis.

Op 29 juni 1940 tekende generaal Winkelman zelf het felicitatieredonderdag op Paleis Noordeinde in Den Haag. Dit tot ergernis van de Duitsers. Nog diezelfde middag maakten de bezetters een einde aan het festijn.

Dit najaar verschijnt een geheel herziene druk van het boek van Van Middelkoop. De prins heeft toegezegd op een aantal vragen van de auteur persoonlijk antwoord te geven.

Geschreven door: Riekelt Pasterkamp

Gepost op

Familie Sprengers ging de schuilkelder niet in

Morgen ontvangen de twee zonen van Petrus en Hermiena Sprengers-van Tellingen in het Verzetsmuseum in Amsterdam de Yad Vashem-onderscheiding, die postuum aan hun ouders is toegekend. Degenen die in de oorlog Joden het leven hebben gered, krijgen van het Yad Vashem-instituut in Jeruzalem verder de eretitel Rechtvaardige onder de volkeren.

Behalve aan de Sprengers wordt de Yad Vashem-onderscheiding verleend aan Cornelis en Johanna Slobbe-Boogaard (beiden postuum) en hun dochter Corrie Mol-Slobbe. Deze familie uit Haarlem had in 1942 het 15-jarige meisje Rotie Salomons uit die plaats als onderduikster opgenomen.

Cultureel attach? Eldad Hayet van de Israëlische ambassade reikt ook een onderscheiding uit aan Theodora van Royen-Saltet en postuum aan haar man Sebald van Royen te Vlaardingen, die in 1943 de 31-jarige Edith Menko uit Enschede in huis namen.

Een onderscheiding is er ook voor Christina van der Wouden-Koning uit Amsterdam. Terwijl haar man in Duitsland te werk was gesteld, nam zij als 21-jarige pasgetrouwde vrouw de tweejarige Elly Bles op. Aan haar man is de onderscheiding postuum toegekend.

De 9-jarige Henny van Stratum uit Den Haag kwam in 1943 als onderduikster terecht bij Berend en Trientje Ebbens-de Haan in Spijk bij Delfzijl. Nog steeds heeft de in Israël woonachtige Henny Koppenheim-van Stratum contact met de kinderen van Berend en Trientje. Aan die twee is de Yad Vashem-onderscheiding postuum toegekend.

Sinds 1933 heeft het instituut een onderscheiding verleend aan ongeveer 17.500 mensen, onder wie bijna 4500 Nederlanders.