Gepost op

Krassen op de ziel bij overlevenden Kamp Vught

Bij de start van de documentaire ‘Tussen Hemel en Hel, leven met Kamp Vught’ wordt de kijker over een smal pad meegenomen naar de poort van het voormalig Kamp Vught. Aan weerszijden van het pad staan bomen en het is er vooral stil. Je voelt je meteen ??n met de 30.000 gevangenen die per trein zijn aangevoerd. Mannen, vrouwen en kinderen. Zonder vorm van proces worden zij na een lange tocht door de poort het kamp binnengeleid. Binnen de poort wachten onzekerheden, maar vooral de drang om te overleven. Het verhaal speelt zich af in de maand januari 1943. 0p de kop af zestig jaar geleden toen Kamp Vught werd geopend. Eenmaal binnen dit voormalige ‘Konzentrationslager Herzogenbusch’, het enige Nederlandse SS-kamp, zit je als kijker op het puntje van je stoel. In de documentaire vertellen ex-gevangenen op een indringende wijze hun verhalen. Over de gruwelijkheden, intimidatie, vernedering en overlevingsdrang.

Kappers
"Bij binnenkomst stonden drie kappers klaar. De haren op je hoofd werden weggeknipt. Dit gebeurde ook onder je oksels en de geslachtsdelen", vertelt Gerrit Gremmen. Omdat hij als ambtenaar distributiebonnen voor de joden had verduisterd kwam hij in het kamp terecht. Gruwelijk was de ervaring van Harriet Flatow waarbij het verhaal over een huilende baby haar leven lang niet los liet. Omdat een baby niet wilde stoppen met huilen werd het kind (door een Nederlandse bewaakster) in het zwaar onder stroom staande prikkeldraad gegooid. Het zijn momenten van de film die over de ziel krassen. Met regelmaat werden er gevangenen op transport gesteld naar vernietigingskampen. Bijna 1300 joodse kinderen onder de vier jaar werden meteen naar de gaskamers van Auschwitz afgevoerd. Uit de boeiende monologen blijkt dat voor zowel het mannen- als vrouwenkamp de regels streng waren. Het kamp werd met name bewaakt door Nederlandse bewakers. Ondanks de vernederingen en ontberingen hielden veel gevangenen de rug zoveel mogelijk recht. Het is zoals Cor Koster het uitdrukt een kwestie van letterlijk overleven. "Je zat erop te loeren als iemand dood neerviel. Dan kon je zijn bord met eten pakken." Naast de ontberingen was er sprake van solidariteit en hielden met name muziek en zang de moed erin. "Om de ellende niet te hoeven zien keek ik vaak naar de blauwe lucht. Want daar was de vrijheid", tekent Lottie Veffer aan. Uit de film van de Bredase filmmaker Joost Seelen blijkt duidelijk dat mensen in extreme omstandigheden een intens instinct hebben om te overleven. Over kamp Vught is veel geschreven en gefilmd. Het is voor het eerst dat er een documentaire is gemaakt waar overlevenden z?lf aan het woord komen. Het is de inzet van filmmaker Seelen dat hij het vertrouwen van de overlevenden wist te winnen. De film ‘Tussen hemel en hel’ is met name door haar sobere opzet en de aangrijpende verhalen een boeiende tijdsdocument.

Gepost op

Voertuigen, soldaten, nepbloed en rook realistisch decor filmopname Hilvarenbeek

Dolenthousiast zwaait Truus Vermeij naar de legervoertuigen met stoere manschappen die door de Hilvarenbeekse Gelderstraat rollen. "Ik was pas tien toen we in Lisse werden bevrijd, maar alles van de oorlog komt weer boven. De gaarkeuken, de tulpenbollen die ik heb gegeten en de vliegtuigen die voedsel afwierpen", zegt de 68-jarige Amsterdamse geëmotioneerd. Deze zaterdag maakt ze de bevrijding opnieuw mee. Vanuit een Diessense vakantiebungalow is Vermeij naar Hilvarenbeek gekomen voor de opnames voor de film ‘De graankorrel’. Het is een megaproject van de Tilburgse amateurfilmer Jan Robben (52). In de rolprent, waarvan het eerste deel op video en dvd rond de feestdagen in de winkel moet liggen, vertelt Robben het verhaal van twee broers. Hun belevenissen worden geplaatst in de laatste oorlogsjaren en de bevrijding.

Triomftocht
Voordat de gerestaureerde legervoertuigen met de Tilburgse Dutch Piper Band hun triomftocht maken, is het op het Vrijthof ?cht oorlog. Na het helse luchtalarm ontploft een nepbom, die in de hoek met de Koestraat een heleboel rook oplevert. Als de walm is opgetrokken, liggen er vijf ‘zwaargewonde’ en ??n dode wegwerker. De grimeafdeling heeft ze met namaakbloed en ‘lijkengrijs’ prachtig toegetakeld. Een afgerukte nep-arm maakt de verschrikkelijke gevolgen van de inslag nog een beetje realistischer. Allesdoener -Robben loopt minuten -met het bloederige rekwisiet rond voordat hij er een geschikt plekje voor heeft gevonden. "Mijn droom komt uit", zegt Robben tijdens een pauze. Hij struikelt over zijn woorden om zijn dank (‘Grandioos’) uit te spreken voor de 175 mensen die belangeloos meedoen en wier geduld erg op de proef wordt gesteld. Dineke van Gisbergen (55) speelt overtuigend een boerenvrouw die door twee Duitse soldaten wordt belaagd die haar fiets willen afnemen. Met een hoop geschreeuw verzet ze zich, maar moet haar tweewieler uiteindelijk toch afstaan. "Heel leuk om mee te doen. Ik heb veel aan toneel gedaan, maar dit is helemaal improvisatie. Fijn als je eens geen tekst van buiten hoeft te leren", zegt Van Gisbergen.

Kijven
Later staat ze verbeten mee te kijven als twee verslagen Duitse militairen door de Beekse bevolking worden uitgejouwd. Onder hen de 33-jarige Ton Smetsers uit Oirschot, die als militariaverzamelaar zijn grijsgrauwe Wehrmacht-uniform op een beurs te pakken kreeg. "Eerlijk gezegd draag ik liever mijn Engelse uniform, maar dat is uitgeleend. En omdat ik al eerder aan opnames heb meegedaan, ben ik gewend aan opmerkingen als ‘Ik wil mijn fiets terug’ of ‘Ga toch terug naar Berlijn’", grijnst Smetsers.

Bombardement
Jaap de Deugd (71) kan de onverwachte aanblik van de drie Duitse militairen nauwelijks verdragen. De Rotterdammer, op vakantie in Esbeek, verloor bij het bombardement zijn neefje, zwager en zijn buurjongetje en diens vader. "Mijn bloed gaat w??r koken", zegt De Deugd en balt zijn vuisten.

Gepost op

Gedenksteen Joden bij Duitse roofbank

De gedenksteen bevindt zich in de gevel van het gebouw, waar tijdens de oorlog de Duitse roofbank Liro was gehuisvest. In het pand van de Joodse bank Lippmann Rosenthal & Co aan de Sarphatistraat bevond zich een nazi-bank, waar Joden vanaf 1941 verplicht werden hun bezittingen in te leveren.

Volgens de Joodse organisaties is de herinneringsplaquette een symbolisch sluitstuk van een periode waarin zij met de Nederlandse banken onderhandelden en samenwerkten om financiële tegoeden terug te krijgen. „Het is onbegrijpelijk dat we pas 58 jaar na de oorlog stilstaan bij de roof”, aldus H. Blocks, voorzitter van de NVB.

Er zijn nog twee stichtingen bezig met het behandelen van individuele claims, op het gebied van effecten en bankaanspraken. Volgens Blocks moeten deze stichtingen in de loop van dit jaar met hun werk klaar zijn. „Dan is het rechtsherstel in financiële zin voltooid. Met de gedenksteen willen we figuurlijk en letterlijk een steentje bijdragen aan het emotionele rechtsherstel.”

In het gebouw van de vroegere nazi-bank zit nu een vestiging van ABN Amro. Die maakte eerst bezwaar tegen de tekst op de gedenksteen: „Liro richtte zich op de stelselmatige beroving van de Joodse bevolking van al haar aardse bezittingen.” ABN Amro wilde niet worden geassocieerd met de praktijken van de nazi-bank, maar ging uiteindelijk overstag.

Lippmann Rosenthal & Co was de eerste Joodse bank die de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog liquideerden. Voor de buitenwereld leek het een gewone bank, die Joden aanmoedigde er hun geld en bezittingen, zoals sieraden en schilderijen, te deponeren. Later moesten andere Nederlandse banken hun Joodse tegoeden naar Liro overhevelen.

Gepost op

Aankoop oorlogsdoek NSB’er

Het Rijksmuseum ziet in Kimpes verleden geen reden Verwoest stadhuis van Middelburg niet te verwerven en te exposeren. Volgens een woordvoerder gaat het om het historisch belang: "Naast schilderijen van het verwoeste Rotterdam, bestaan er weinig werken uit de tijd zelf die oorlogs- of gevechtshandelingen uit de Tweede Wereldoorlog tot onderwerp hebben." De laatste eigenaar van het doek wilde het onlangs verkopen aan de gemeente Middelburg, maar die wilde er niet aan gezien de achtergrond van de kunstenaar. ANP

Gepost op

ZUTPHENSE BOEKENMARKT 27 JULI 2003.

Om 09:30 uur trof ik D. Docter om te kijken of wij onze verzameling nog eens konden uitbreiden. Eerst maakten wij een praatje met dhr. Oskam over zijn aanbod voor de boekendienst waar hij ons meedeelde dat er veel boeken al waren aangevraagd.

Hij was zeer te spreken en hij was alweer bezig een nieuwe lijst samen te stellen voor de volgende terugblik. Tijdens onze tocht over de markt bleek al gauw dat er weer hoge prijzen werden gevraagd. De reden hiervoor was dat er vele antiquairs stonden en handelaren en deze moeten wel hun brood hiermee verdienen. Deze prijzen worden niet gevraagd tijdens onze beurs dus dit is weer een reden om deze wat vaker te bezoeken. Op de markt zagen we weer vele mensen die zich interesseerden voor de Tweede Wereldoorlog en Dirk kreeg weer enkele aanmeldingen voor onze vereniging. Wel kwamen we weer enkele uitzonderlijke stukken tegen die we wat nader hebben bekeken maar naar het horen van de prijs toch maar weer gauw teruglegden. Na een bakje koffie bleek dat de markt al goed bezocht werd want het was al gezellig druk. Na nog een rondje gemaakt te hebben en een praatje met dhr. Oskam besloten we allemaal om huiswaarts te keren. Hierbij nog een tip voor de volgende boekenmarkt. Volgende week en een brug verder wordt jaarlijks in Deventer de grootste boekenmarkt van Europa georganiseerd. Deze is als U te laat komt enorm druk maar wel altijd gezellig. Ook op deze beurs zal dhr. Oskam met een kraam vertegenwoordigd zijn hij zal dan staan op het kleine plein bij de kerk. Wanneer U dan nog niet genoeg hebt is de week daarop nog een beurs in Overloon. Kijk hiervoor ook op onze website, dus de eerste weken hoeft U zich nog niet te vervelen. 

Gepost op

Geen bewijs verzetsdaad filmmaker Van Gasteren

Van Gasteren rechtvaardigt de moord op Oettinger door te stellen dat deze diende te gebeuren in het belang van het verzet. Volgens Van Gasteren was Oettinger een gevaar voor zichzelf en anderen. Hemelrijk trekt zijn motief in twijfel in een open brief aan de Hoge Raad, die zij in 1998 schreef en op internet plaatste.

De rechtbank in Amsterdam stelt nu dat de uitlatingen van Hemelrijk weliswaar inbreuk maken op de privacy en reputatie van Van Gasteren, maar dat dit alles in overweging nemend, niet onrechtmatig is. De rechtbank laat meewegen dat Van Gasteren zelf met zijn verhaal naar buiten kwam in een uitzending van Het Uur van de Wolf. Hij deed dit na een uitspraak van de Hoge Raad over de kwestie.

Roofmoord

Van Gasteren sleepte begin jaren ’90 Het Parool en journalist Bart Middelburg voor de rechter. Deze laatste had in Het Parool geschreven dat Van Gasteren met het doden van Oettinger een roofmoord pleegde. Niet het verzet, maar de portemonnee van Van Gasteren was erbij gebaat.

Het gerechtshof in Amsterdam, en de Hoge Raad bevestigde dit arrest, bepaalde in 1993 dat het Paroolartikel beledigend was. Het Parool en Middelburg moesten 50.000 gulden materiële en 50.000 gulden immateriële schadevergoeding betalen.

Van Gasteren kreeg vorig jaar het Gouden Kalf voor de Cultuurprijs 2002. Hij ontving de onderscheiding voor zijn belangrijke bijdragen aan de Nederlandse filmcultuur. De filmmaker zegt al jaren te werken aan een film over zijn verzetswerk.

Bron: Brabants Dagblad

Gepost op

Een zolder vol oorlogsherinneringen

Op zolder, vitrines met verboden boeken, pamfletten en Vlaardingse kranten. Maar ook opgezette poppen, opgemaakt als gevangene of onderduiker. Uit een onderkast haalt Anderson een doos met huishoudspullen. Een klein blauw pannetje, die hij van een echtpaar heeft gekregen. Een rasp, borden, onderzetters van boomschors met patriottische teksten. ,,Dit soort dingen neem ik mee naar scholen, om kinderen te laten zien hoe het leven in de oorlog eruit zag.”

Hij verzamelt niet om te verzamelen, zegt hij. ,,Ik wil mensen informeren over wat aan een oorlog vooraf gaat, hoe het is om een oorlog mee te maken en wat de gevolgen zijn voor het land en de bevolking.” Als klein jongetje maakte hij van alles mee. De bezetting, overvliegende Spitfires en bombardementen. Beelden die hem tot op de dag van vandaag zijn bijgebleven.

,,Ik wil mensen duidelijk maken dat de oorlog pas zestig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De oorlog staat in veel gevallen synoniem aan de jaartallen 1939-1945, terwijl er veel meer aan vooraf is gegaan.” Mensen moeten zich ook bewust worden wat de gevolgen van een oorlog zijn. Bijvoorbeeld dat het meer dan tien jaar heeft gekost om Nederland op te bouwen. ,,De oorlog was niet in 1945 afgelopen”, zegt Anderson.

Zijn interesse voor spullen uit de oorlog ontstond vlak na de bevrijding toen Anderson een vliegfeest in Ypenburg had bezocht. ,,Toen zag ik die Spitfires van dichtbij. Ik begon spulletjes te verzamelen, uiteindelijk heb ik mijn enorme verzameling ondergebracht in een museum.”

Hij toont enkele foto’s van joodse onderduikers. In het museum is te zien hoe hun schuilplaats eruit zag. Onder het schuine dak is een muurtje getrokken met daarachter een kleine ruimte. Via een doorkijkje is een bed te zien met daarop een verklede pop die de onderduiker moet voorstellen. ,,Dit is vooral om kinderen te laten zien wat onderduiken was.”

Hij loopt naar een pop die is verkleed als gevangene van het concentratiekamp Buchenwald. Een grijs gestreept pak met een rode driehoek waarop een zwarte letter N is getekend, wat simpelweg Nederlander betekent. ,,Dit is een lid van de Geuzengroep”, zegt Anderson. ,,Dat was een Vlaardingse verzetsgroep.” Even verderop staan vitrines met illegale patriottische brochures, bedoeld om Nederlanders te bewegen in opstand te komen tegen de bezetter. De titels: ‘Ander Inzicht’, Nederland zal herrijzen’ en ‘Om Neerlands toekomst’. In een vitrine ernaast zijn cartoons en tekeningen te zien. Anderson wijst een bruin vel papier aan waarop vier zwijnen zijn getekend. ‘Wie is het grootste zwijn?’, staat er onder. Door de vellen creatief op te vouwen komt het hoofd van Adolf Hitler te voorschijn.

Het museum, dat maar twee uur per week open is, trekt ongeveer 2500 tot 3000 bezoekers per jaar. Anderson is niet van plan om ermee te stoppen. Zijn collectie zal alleen maar groter worden, maar als hij het moet opgeven komt de verzameling onder beheer van de documentatiegroep ’40-’45. Anderson is al sinds 1963 lid van deze groep. De club telt inmiddels negenhonderd leden. Ze zijn allemaal in maar ??n onderwerp geïnteresseerd: de Tweede Wereldoorlog.

Gepost op

‘Ineens had ik vijftig broertjes en zusjes’

Lotgenoten
Na de oorlog was er voor de belevenissen van deze onbekende kinderen geen aandacht. Ze groeiden op bij getraumatiseerde ouders, in pleeggezinnen of in Joodse kindertehuizen. Veel kinderen waren nog te jong om zich hun ervaringen goed te herinneren. De meeste onbekende kinderen wisten tot voor kort niets van hun eigen oorlogsgeschiedenis. Waarom zij de oorlog hadden overleefd, was hen een raadsel. Ze kenden hun lotgenoten niet en vonden weinig begrip. Het duurde tot 1991 voordat journaliste Daphne Meijer de kinderen opspoorde en interviewde. Twee jaar later publiceerde ze een artikel in de Groene Amsterdammer over de jongste generatie overlevenden van de Shoah (jodenvervolging).

Pas vorig jaar kwam de groep onbekende kinderen voor het eerst bij elkaar en werd de Stichting ‘Onbekende Kinderen 13 september 1944’ opgericht. Inmiddels zijn van de vijftig kinderen van toen bijna veertig personen opgespoord, onder meer via van het tv-programma Vermist.

Tyfusepidemie
De meeste betrokkenen zijn erg blij met de kans elkaar te ontmoeten en ervaringen uit te wisselen. Sommige onbekende kinderen wonen nu in het buitenland. E?n van hen is de zestigjarige Bert Hamburger uit Jeruzalem. Als vierjarig kind zat hij samen met zijn negen maanden oude zusje in het weeshuis van kamp Westerbork. Zijn vader was officier in krijgsgevangenschap, zijn moeder zat elders in het land ondergedoken. Hij herinnert zich slechts flitsen uit die tijd.

,,Er heerste een tyfusepidemie in het kamp. Iedereen lag ziek op bed, ook mijn kleine zusje. Tijdens de treinreis naar Bergen-Belsen was er nauwelijks iets te eten en te drinken. Dat was te veel voor het kleine meisje; ze stierf onderweg. De hele reis duurde in totaal vier dagen en drie nachten. Toen we in Bergen-Belsen aankwamen, werden we in het weeshuis apart verzorgd, omdat we allemaal tyfus hadden. De Duitsers waren doodsbang dat ze ook tyfus zouden krijgen. Veel kinderen stierven in het kamp, of werden vergast in Auschwitz. Van de periode dat we bevrijd werden door de Russen, kan ik me niks meer herinneren”, vertelt Hamburger.

Pleeggezin
Na de oorlog werd Hamburger ondergebracht in een pleeggezin in Frankrijk, omdat zijn ouders nog niet gevonden waren. Toen bekend werd dat zij de oorlog hadden overleefd, werd hij teruggevlogen naar Nederland, waar hij hen weer ontmoette. Pas toen Hamburger veertig jaar werd, ging hij op zoek naar zijn oorlogsherinneringen.

,,Ik had als het ware een gat in mijn verleden. Ik miste de periode tussen mijn vierde en achtste levensjaar. Daarom plaatste ik een oproep in een Joods blad, waarin ik vroeg: Wie heeft er in en na de oorlog voor mij gezorgd? Tot mijn stomme verbazing kreeg ik antwoord van de twee dochters van mijn pleegmoeder Kaplan uit Frankrijk. Ze waren bijna boos op me, dat ik niet eerder contact had proberen te zoeken. ,,Onze moeder had het altijd over je. Ze beschouwde je als een zoon”, vertelden ze. Helaas heb ik mevrouw Kaplan niet meer kunnen ontmoeten, ze was al gestorven.”

Puzzelstukjes
Achteraf is Hamburger blij dat hij op zoek is gegaan naar zijn oorlogsverleden. Doordat hij ontdekte wie hij als klein jongetje was, werd het zoeken naar zijn eigen identiteit iets makkelijker. ,,Ik heb de periode tussen mijn vierde en zesde levensjaar niet als veilig kunnen ervaren. Terwijl deze periode juist zo belangrijk is voor je gevoel van eigenwaarde en veiligheid. Daardoor miste ik als volwassene dit fundamentele gevoel van veilig zijn. Ik zag de wereld lange tijd als vijandig en gevaarlijk.”

Nadat Hamburger vorig jaar in contact kwam met de stichting Onbekende Kinderen, vielen de onbekende puzzelstukjes van zijn jeugd op hun plaats. Ineens kreeg hij er vijftig onbekende broertjes en zusjes bij. ,,Je herkent zo veel gemeenschappelijke emoties bij elkaar, het is alsof je in een warm bad terechtkomt. Je voelt dat je dezelfde gedeelde geschiedenis hebt.”Nog steeds heeft de zestiger het moeilijk met zijn oorlogsverleden. ,,Ik kan bijvoorbeeld niet in de rij staan in een overvol restaurant. We hebben in het kamp te vaak moeten wachten op eten. Die beelden blijven me achtervolgen.”

Hamburger is erg blij met het werk dat Daphne Meijer verzet heeft voor het boek en de tentoonstelling ‘Onbekende Kinderen’. ,,Haar boek duwt ons met de neus op de feiten; het blijft bijzonder, dat wij als groep onbekende kinderen de oorlog overleefd hebben.” De Amsterdamse onderzoekster ziet het boek als de afronding van al het journalistieke werk dat ze verzet heeft. ,,De tragiek van de onbekende kinderen blijft doorgaan totdat de laatste tien opgespoord zijn.”

©Nederlands Dagblad

Gepost op

Anny Sulzbach overleefde kindertransport uit Vught

Natuurlijk, Anny Sulzbach heeft een uitnodiging gehad voor de herdenking van morgen. Ze heeft de reis van Amsterdam naar Vught niet willen maken. Niet omdat het te zwaar zou zijn voor de 88-jarige, maar omdat ze er geen zin in had. De nieuwbouw van het Nationaal Monument Kamp Vught mag dan nog zo magistraal en indrukwekkend zijn, Anny Sulzbach hoeft het niet te zien.

In haar woning in Amsterdam-Zuid wijst ze naar een stapeltje boeken op de kast. ,,Allemaal over de holocaust, toegestuurd door vrienden. Ik heb er niet ??n van gelezen.” Ook tv- of radiodocumentaires over de jodenvervolging zijn niet aan haar besteed. ,,Ik heb er zo veel over gedroomd dat ik er geen behoefte meer aan heb. Ik heb ??n keer een stukje op tv gezien, maar ik dacht: ik ben stapelgek, straks kan ik weer niet slapen. Een achterkleinkind dat hoge koorts heeft, is nu veel belangrijker dan die oorlog. Als je alles wilt lezen en zien, word je gek.”

De hoogbejaarde maar actieve Amsterdamse behoort tot de zeer selecte groep die nog uit eigen ervaring kan vertellen over ??n van de grootste tragedies die zich in de Tweede Wereldoorlog afspeelde binnen het prikkeldraad van Kamp Vught: de kindertransporten van 6 en 7 juni 1943.

Moeders moesten mee

Op zaterdag 5 juni lieten de Duitsers in het joodse deel van het concentratiekamp bekend maken dat alle kinderen van nul tot zestien jaar het kamp moesten verlaten. De moeders moeten mee, de vaders moeten veelal blijven.

De 4-jarige Evelyn Sulzbach is ??n van de 1269 kinderen die op transport worden gesteld. Al sinds haar aankomst in februari leeft ze, apart van haar ouders, in een van de kinderbarakken van Kamp Vught. Binnen een paar weken wordt ze, net als de meeste andere kinderen, doodziek. Roodvonk, longontsteking, longpest: wie zal het zeggen? Moeder Anny krijgt slechts enkele keren toestemming om haar dochtertje te zien.

De proclamatie van de kindertransporten komt niet onverwacht: het gerucht dat de Duitsers de kinderen willen lozen, doet al langer de ronde. De nazi’s dragen de joodse kampleiding op de uitvoering van het decreet ter hand te nemen. In iedere barak wordt de onheilstijding voorgelezen, inclusief een troostend bedoelde passage dat er ‘goede hoop bestaat’ dat de kinderen in Nederland zullen blijven, in speciale kinderkampen.

Anny Sulzbach: ,,Iedereen wist dat dat onzin was. Dit is het einde, dachten we allemaal. Over vergassen wisten we niks, maar je wist wel dat als je naar Westerbork moest, je het uiteindelijk niet zou overleven. De treinen naar het oosten gingen vol weg, maar kwamen altijd leeg terug”.

Het kindertransport betekent voor Anny de hereniging met haar dochter en het afscheid van haar man Jakob, die te werk is gesteld in kamp Moerdijk. Pas als hij terugkomt in Vught, hoort Jakob dat zijn vrouw en zijn kind weg zijn.

Verspreid over twee dagen worden bijna drieduizend mensen naar het station in Vught gebracht. Anny en Evelyn Sulzbach horen bij de eerste groep, die zondagavond 6 juni vertrekt. ,,De kinderen werden op de grond gelegd, ziek, hongerig, huilend. De moeders moesten blijven staan, tegen elkaar gedrukt. Tegen de ochtend, tien uur na ons vertrek, kwamen we aan in Westerbork.”

Joodsche raad

Met Evelyn op haar arm sluit Sulzbach aan in de rij, om zich te laten registreren. Dan wordt ze aangesproken door iemand van de Joodsche Raad, die in Westerbork op bevel van de nazi’s het kamp beheert. ,,Bent u de vrouw van Jakob Sulzbach?”, vraagt de man. Na haar bevestiging mag ze mee naar een kamertje, waar ze haar dochter wat te eten kan geven en even later te horen krijgt dat ze ‘voorlopig’ mag blijven in Westerbork. De reddende engel blijkt een jeugdvriend van haar man te zijn, die enkele weken later ook zelf naar Westerbork wordt overgebracht. Uit de twee Vughtse groepen worden op die manier nog zo’n tweehonderd mensen gered. De overigen gaan op dinsdag 8 juni door naar het Sonderlager in het Poolse Sobibor, waar ze op 11 juni onmiddellijk na aankomst de gaskamers in worden gedirigeerd.

Dankzij een nagemaakt Hondurees paspoort weet de familie Sulzbach de oorlog te overleven. In februari 1944 moet de familie naar Bergen- Belsen en nog weer later naar Biberach, in het zuiden van Duitsland. Op 1 mei 1945 worden ze bevrijd door Franse soldaten. De terugkeer in Amsterdam is uiterst kil. In 2001 schrijft Anny Sulzbach daar een boekje over: Terug maar niet thuis.

In 1998 heeft ook al haar levensverhaal op schrift gesteld. Het gemeentebestuur van Speyer, haar Duitse geboortestad, laat het in boekvorm uitgeven. In 1936 was ze Speyer ontvlucht, nadat ze als joodse studente geweigerd werd aan de universiteit. De presentatie van haar boek betekent dat ze voor het eerst sinds de oorlog weer voet op Duitse bodem zet. Ook dochter Evelyn is er bij. ,,Voor haar was het de eerste en laatste keer dat ze in Duitsland was, ik ben later nog ??n keer terug geweest. Ik wil niet meer terug. Bij iedere oudere die ik zie, vraag ik me af wat hij in de oorlog deed. Ik weet dat het overdreven is, maar het is nu eenmaal zo. Ik ken er ook niemand meer, dus ik heb er ook niks te zoeken.”

Evelyn Sulzbach, nu 64, woont met haar Franse echtgenoot in Parijs. Van Kamp Vught herinnert ze zich niets meer, zegt haar moeder. ,,Dat hoor je ook bij onderduik-kinderen: dan gaat het luikje van het geheugen dicht, uit zelfbescherming. Ook wat ik er over geschreven heb, raakt haar niet. Ze voelt geen behoefte om nog ooit terug te gaan en ze wil er ook liever niet over lezen. Ze is haar kleuterjaren verloren, misschien is het maar beter zo.”

Anny Sulzbach is alleen nog in Vught geweest voor de onthulling van het monument dat herinnert aan de kindertransporten. Dat was in 1999. ,,Ik vond dat ik dat verplicht was. Dat ze het blijven herdenken is prima, het mag niet vergeten worden. Maar ik hoef er niet heen, het is voor de mensen die het n?et hebben mee gemaakt. Die moeten weten dat Vught erger was dan Bergen-Belsen. De angst, de vernederingen, het sadisme van de bewakers. Maakt u zich reisvaardig: zo’n zin kan ik nu niet meer horen. Je moet ook niet denken dat je er normaal uit komt, iedereen houdt er wat aan over.”

Gepost op

Frederik Bolks uit Nordhorn zoekt zijn vader

Hier in Nordhorn is hij geboren en getogen. Maar hij is, en blijft, Nederlands staatsburger. Zijn grootvader trok begin deze eeuw naar de Duitse textielstad en voorstad van Twente, vlak over de grens bij Oldenzaal. Geboren in de Graafschap Bentheim en goed Alt-Reformiert, volgde vader Heine Bolks de oproep van dominee Frits Slomp, die over de grens fietste om voor de Duitse gereformeerden te preken.Heine Bolks vond de dood als verzetsheld, op 8 maart 1945. Hij was toen 29. Op die dag in maart schoten de Duitsers 49 Nederlanders dood, als vergelding voor de aanslag op Rauter, bij Woeste Hoeve. Van hen waren 48 de dag ervoor Kamp Amersfoort binnengebracht. Ze kwamen uit de gevangenis van Scheveningen. De negenenveertigste was daar al enkele maanden: Heine Bolks.

Zes weken later werd het kamp bevrijd – te laat. De familie in Duitsland zou de vader nooit meer terugzien. De jeugd, en eigenlijk het hele leven, van de vier kinderen werd overschaduwd door het gemis. Frederik Bolks was toen een baby van ??n jaar.Afgelopen maandag vond hij in de archieven van het NIOD een acte uit ’48, van het Afwikkelingsbureau Vught. Daarin staat de naam van zijn vader. Hij was gevangene nr. 10027. Altijd heeft zijn zoon gedacht, dat de executie van juist zijn vader, op dat moment, perverse willekeur was. Snel iemand aanwijzen om een rond getal te krijgen, en daarbij is dan nog een telfout gemaakt. Zo werd het verhaal altijd verteld. Maar nu begint hij weer te twijfelen.

Zat er toch beleid achter? Koos kampcommandant K.P. Berg bewust voor zijn vader? Vanwege diens verzetsdaden? En zo ja, is daarvan dan iets terug te vinden in de justitiële verhoren, die men Berg heeft afgenomen alvorens hem de doodstraf te geven? En kan hij op die manier misschien nog iets zinnigs over het leven en sterven van zijn vader te weten komen? Vragen, vragen, en slapeloze nachten.Nu Frederik Bolks afgekeurd is en met zijn 57 jaar thuiszit, heeft hij veel tijd om na te denken. ,,Mijn moeder bleef alleen met de kinderen achter. De eerste jaren zonder kinderbijslag. Die gaven de Duitsers niet aan zo’n Nederlands gezin. Ze zweeg. Zo lang ze leefde, heeft ze nergens over gepraat. Zij was Duitse van geboorte en aan haar familie had ze niets. Haar eigen broer heeft zich op zijn achttiende bij de Wehrmacht gemeld als vrijwilliger – wellicht bang dat de oorlog al was afgelopen voordat hij had kunnen meedoen. Ze kon dus met niemand praten. Ze was als versteend. Enerzijds haar broer, bij de Wehrmacht, niet meer teruggekomen. Anderzijds haar man, bij het Nederlandse verzet, ook niet meer teruggekomen. Die twee, denk ik weleens – die hebben levenslang gevochten in haar. Ook mijn grootvader zweeg. Kijk. Deze krant, het Salland’s Weekblad van 7 september 1947, kreeg ik pas op zijn sterfbed van hem. Hierin staat het verslag van mijn vaders begrafenis.”

Behalve een uitgebreide preekbespreking van die (her)begrafenis in Heemse en een lofdicht op de verzetsheld, staat er ook in een tussenzinnetje dat Bolks’ ,,vrouw en kinderen helaas niet aanwezig konden zijn vanwege grensmoeilijkheden”.,,Als kind heb ik de gespleten situatie zelf ervaren toen ik naar school ging. Wat moest ik zeggen? Ik was bepaald niet de enige zonder vader. Sterker nog, de meesten hadden geen vader meer. Elke Duitse familie had geliefden verloren; vader, broer of zoon. Velen stierven ergens in Rusland aan het Oostfront. ‘Mein Vater ist gefallen’, zeiden ze. Dat zei ik dan ook maar. Maar ‘gefallen für das Deutsche Vaterland’, d?t was de mijne natuurlijk niet. Dat wist ik als klein kind al wel. Tja. Als je in Nederland woont, is er begrip. Als je vader op zo’n manier gestorven is, sta je automatisch aan de goede kant. Maar dat geldt hier niet! Als ik er nog aan terugdenk… Er was in al die schooljaren maar ??n jongen die tegen mij zei: ‘Ik wou dat ik zo’n vader had gehad als jij.’ Die had vast thuis van z’n ouders gehoord dat hij in het Nederlandse verzet was geweest. Maar er hardop over praten deed niemand.”

Zijn hele arbeidsleven werkte hij voor hetzelfde bedrijf, en in dezelfde werkplaats, als zijn vermoorde vader. ,,Veel Duitse collega’s hadden hem gekend. Maar meer zeiden ze dan ook niet. Alleen maar: ,,Jao, Jao, den haben wir gekannt”. Nooit een slecht woord, dat niet. Maar ook nooit een goed woord. Dat was misschien te pijnlijk voor ze, wanneer ze zelf fout geweest waren. En dan had ik nog vele Nederlanders als collega’s. Pas later drong het tot me door hoe gek het eigenlijk was dat ik gewoon met mijn Nederlandse paspoort de grens over mocht en zij niet. Nu denk ik dat ze in de oorlog fout waren. Daarom waren ze natuurlijk naar Duitsland gekomen.”Frederik Bolks heeft altijd gedacht dat de dikke deken van zwijgzaamheid en schaamte typisch iets van hier was, iets voor de Duitse kant van de grens. Maar nu is hij daar niet meer zo zeker van. ,,Als ik zie hoe het verleden van Kamp Amersfoort pas nu verwerkt wordt, pas na een halve eeuw bespreekbaar wordt en een herdenkingsplek krijgt, dan is er toch niet veel verschil tussen Nederland en Duitsland.”

Zijn vader gaf gehoor aan de oproep van dominee Frits Slomp. Frits de Zwerver riep al begin jaren dertig in de Graafschap (Grafschaft Bentheim) op tot verzet tegen de nazi’s. Later werd hij een van de leiders van de Landelijke Ondergrondse. In 1943 ging Bolks de grens over, dook onder bij Nederlandse familie en ging bij de L.O. Heine ging bij een knokploeg die onderduikers hielp, sabotage pleegde, de Duitsers wapens ontfutselde en droppings organiseerde. Eenmaal sprong hij dwars door een raam, om aan de achtervolgers te ontkomen. Een andere keer verkleedde hij zich als Duits soldaat en praatte zich met zijn vloeiende Duits een wapenmagazijn binnen.

Niemand had argwaan, en met twee geweren kwam hij er weer uit. Zo ging dat. Het zijn heldenverhalen, en een held was hij. Eenmaal een Nederlander, altijd een Nederlander. Het verzet zelf dacht daar soms anders over. Bolks moest in het begin argwaan overwinnen, omdat hij in Duitsland geboren was. Ook kreeg zijn gezin geen levensmiddelen of -bonnen. Zaken waarvoor de Ondergrondse normaal zorg droeg als een echtgenoot in het verzet zat. Nordhorn lag voor het Nederlandse verzet te ver weg, of misschien werd een tochtje over de grens te gevaarlijk gevonden.Na zijn arrestatie op 7 oktober 1944 ging hij naar Kamp Erica bij Ommen. Daar moest hij een nacht in ijskoud water staan – gewond, want in zijn been stak een bajonet. De knokploeg wilde hem later nog bevrijden uit het Huis van Bewaring in Zwolle. Maar de Duitsers waren sneller: hij was al in Kamp Amersfoort. De leden van de verzetsgroep danken hun leven aan het feit dat Heine Bolks niet is doorgeslagen tijdens de verhoren.

,,De heer Weitkamp uit Hardenberg werkte met mijn vader samen, en was een van die mensen. Eindelijk hadden we iemand gevonden die uit de eerste hand over hem kon vertellen. Vijftig jaar hadden we daarop gewacht. Maar twee weken voor onze ontmoeting overleed hij.”Met de zoon van Weitkamp zet Frederik Bolks nu zijn speurtocht voort. Bij herdenkingen deelt hij pamfletten uit met een beknopte levensbeschrijving en een oude pasfoto. Wie iets weet of zich iets herinnert, kan dan met Weitkamp bellen (0523-271562).

Soms is hij zo met ‘die oorlog’ bezig, dat zijn vrouw zich zorgen maakt. ,,Laat het toch een beetje rusten.” Maar dat kan hij niet meer. Dodenherdenkingen zijn belangrijk geworden. Bijvoorbeeld in Heemse. Daar ligt, tegenover het borstbeeld van Frits de Zwerver, een zwerfkei met drie namen erop: Heine Bolks, Pieter Arends, Herman Scheffer. ,,Weet je wat ik mooi vind? Dat ze die kei speciaal van vlakbij de grens vandaan hebben gehaald.”,,Elke vijf jaar is de herdenking in Markelo, waar we naartoe gaan. Op het Overijssels Verzetsmonument daar staat immers de naam van mijn vader. En sinds kort hebben Denekamp en Nordhorn samen een herdenking op 8 mei. Nederlanders en Duitsers samen, op de dag van de Auschwitz-herdenking. De offers wil ik herdenken. Niet de daders. Maar wel de Joden, de verzetshelden, de deserteurs, de slachtoffers. Met medeburgers uit Nordhorn herdenk ik ook de Reichskristallnacht. Die noemen wij nu Reichspogromnacht, omdat ‘Kristall’ te lieflijk klinkt. We houden dan een fakkeloptocht door de stad en staan stil bij de huizen van de verdreven Joden. Soms wonen er mensen die het bezit destijds van de Joden geroofd hebben.”

De nieuwe herdenkingsplek bij Kamp Amersfoort is voor hem belangrijk. ,,Das’t daor lopst, en denkst: hier moet het gebeurd zijn. De schietbaan, het beeld van De Stenen Man. Ik ben daor rustig over, as ik weet: daor is het west. Maar het is wel zo, als je een vraag beantwoord hebt, komt er meteen een nieuwe. Dat wordt met de jaren erger. Misschien ook omdat mijn zoon Frank nu 28 is. Bijna de leeftijd die mijn vader had.”Wat heeft Frederik Bolks overgehouden van zijn bijzondere afkomst, de moeilijke jeugd in Duitsland? Een bevochten geloof, overtuigd Nederlanderschap en gemengde gevoelens . ,,Mijn vader is gevallen voor zijn Nederlandse vaderland en dat moet je herdenken. Hij volgde zijn geweten. Maar hij liet een vrouw en vier kleine kinderen achter. Dat was een zeer hoge prijs.”

Zou hij, als ‘derde generatie Bolks’, ooit Duitser worden? ,,Dat is eenvoudig geen kwestie. En voor mijn kinderen ook niet. Mijn dochter studeert Nederlands. Als het niet hoeft, dan liever niet. Je blijft toch Nederlander. Mijn zus is Duits geworden na haar huwelijk met een Duitser, maar na zijn dood wilde ze per se weer Nederlandse worden. Dat kon niet, zeiden ze. Toen hebben we een brief naar Koningin Beatrix geschreven. Toen kon het wel.”

Bron: 05-05-2000 Nederlands Dagblad