Gepost op

?Bang voor schoppende soldatenlaarzen?

Henny van ’t Vlie, nu 75 jaar, woont nog in hetzelfde Zwolse huis als waar haar ouders in de Tweede Wereldoorlog onderduikers een veilig onderkomen verschaften. Ze zaten in een kamertje boven: de Joodse moeder en dochter Keizer en later ook opa en oma.

„De inrichting is nu niet meer hetzelfde hoor”, verontschuldigt mevrouw Van ’t Vlie zich. Dat is geen wonder: tegenwoordig huist er een jonge kostgangster in de ruimte, die een en ander aan het interieur veranderde.

In de eerste oorlogsjaren was het kamertje het domein van Henny, die 12 jaar was toen de oorlog uitbrak. „Ik kan me nog het plechtige gezicht herinneren van mijn vader, toen hij op een avond aan me vroeg: „Hen, zouden Hansje en haar moeder jouw kamer mogen hebben?””

’Hen’ stemde toe, vanzelfsprekend. Het waren voor haar ook geen vreemde onderduikers die huize Van ’t Vlie kwamen verrijken. Hansje was Henny’s schoolvriendinnetje, waar ze regelmatig thuis kwam.

„Op een dag kregen Hansje en haar moeder bericht dat ze de volgende dag klaar moesten staan om naar Amsterdam te worden gebracht. Vanaf daar werden de Joden afgevoerd naar concentratiekampen”, zegt mevrouw Van ’t Vlie. „Mijn vader had drommels goed in de gaten wat er dan met hen zou gebeuren. Nog diezelfde avond kwamen Hansje en haar moeder bij ons in huis.”

Twee jaar en negen maanden zaten de onderduikers in de Zwolse woning. „Het leven ging eigenlijk gewoon door”, blikt mevrouw Van ’t Vlie terug. „Wij leefden beneden en zij leefden boven. ’s Avonds, als de verduistering voor de ramen zat, kwamen ze wel naar beneden. Dan gingen we met z’n allen om de grote uitschuiftafel jokeren. Dat was altijd heel gezellig.”

Familie Van ’t Vlie ging zelfs op vakantie. De onderduikers bleven achter. „Maar toen ontplofte in Zwolle een kruitschip. Wij waren juist een weekend in Haarlem. Hoewel ons huis een eind van de rampplek stond, waren alle ruiten gebarsten en ook de deur was ontwricht.” Buren van de Van ’t Vlie’s gingen het huis in om te kijken of alles ’in orde’ was.

Mevrouw Van ’t Vlie, verontwaardigd: „Ik kan me er nog kwaad om maken. Ze liepen naar boven en keken overal. Hansje en haar moeder vluchtten naar de zolder, maar daar kwamen ze ook. Hansje viel flauw en lag in de armen van haar moeder, achter een gordijn. Toen werden ze ontdekt door de buren.”

Toch liep de affaire goed af. De buren wisten te zwijgen, en Henny ook. Dat ging niet altijd zonder moeite. „Mijn vader had gezegd: „Denk erom, Hen, als jij je mond opendoet, gaan wij er allemaal aan.” Dat heb ik goed in mijn oren geknoopt. Toch ging het een keer bijna mis, toen ik wat over Hansje wilde vertellen tegen mijn vriendinnen. Ik heb de zinnen toen heel raar afgemaakt. Dat vergeet ik nooit meer.”

Later kwamen ook de ouders van moeder Keizer in huis. Dat liep niet altijd even lekker. „Soms was er visite, en dan ging ’opa’ gewoon naar de wc en trok door. Wij voerden dan gauw een toneelstukje op. „O, de wc is kennelijk kapot”, zei ik in zo’n geval. We waren dan heel nonchalant. Maar als de visite weg was, werd mijn moeder toch kwaad! Zij was heel kordaat in die dingen.”

Dat bleek wel toen er een groep Duitsers aan de deur stond voor inkwartiering. Met kwinkslagen en grollen wist moeder Van ’t Vlie de Duitsers ervan te overtuigen dat alle kamers ?cht nodig waren voor de familie, waarbij ze een verzonnen zoon toevoegde. „Gelukkig controleerde de man van de gemeente het niet op zijn lijst, anders was het niet zo fraai afgelopen”, meent Van ’t Vlie zestig jaar later.

Regelmatig denkt ze terug aan de benauwende tijd. Met Hansje kan ze er nog over spreken: de inmiddels 75-jarige vrouw en ook haar 102-jarige moeder wonen tegenwoordig in Jeruzalem, waar de Zwolse hen een paar keer opzocht.

Het zijn herinneringen, zegt ze, „die niet vergeten mogen worden. Want die oorlog en die angst mag nooit meer terugkomen. Heb je het toneelstuk van Anne Frank gezien? Op het eind wordt het donker, en je hoort soldatenlaarzen de deur intrappen. Daar ben ik ook lang bang voor geweest.”

Dit is de derde aflevering in een vijfdelige serie over bijna vergeten onderduikadressen uit de Tweede Wereldoorlog.

Gepost op

1941: De weg naar Moskou bleek te lang

Voor de Nederlandse Joden verliepen de eerste maanden van de Duitse bezetting tamelijk rustig. Dat was een meevaller. In Polen hadden de Duitsers meteen razzia’s gehouden; duizenden Joden waren geëxecuteerd. Sinds de Kristallnacht van 9 november 1938 waren de pesterijen tegen de Duitse Joden overgegaan in terreur. Niets daarvan in Nederland.

Rijkscommissaris Seys-Inquart probeerde het Nederlandse volk met zachte hand voor zich te winnen. Strenge maatregelen tegen de Joden pasten daar niet bij. Voortekenen van naderend onheil waren er in 1940 wel. Joodse journalisten kregen hun ontslag bij de Telegraaf en het ANP. Joodse ondernemingen moesten zich laten registreren en ritueel slachten was voortaan verboden. De Ariërverklaring leidde tot ontslag van de eerste Joodse ambtenaren.

De Weerbaarheidsafdeling (WA), de knokploeg van de NSB, wilde meer. WA’ers traden op tegen winkeliers die weigerden het bordje ‘Joden niet gewenscht’ voor het raam te plaatsen. Op 9 februari 1941 vernielden ze daarom caf? Alcazar aan het Thorbeckeplein in Amsterdam. Vervolgens molesteerden ze bewoners van de Jodenbuurt. Op 11 februari raakte WA-man Hendrik Koot zwaar gewond bij een vechtpartij met Amsterdamse Joden op het Waterlooplein. Drie dagen later overleed hij. SD-chef Hans Rauter berichtte zijn superieuren in Duitsland, dat een Jood de halsslagader van Koot had doorgebeten en diens bloed gedronken. Voor straf werd de Jodenbuurt afgesloten, kwam er een avondklok en werd de Joodsche Raad in het leven geroepen. Onder voorzitterschap van diamantair A. Asscher en hoogleraar oude geschiedenis D. Cohen moest de Joodsche Raad anti-Joodse maatregelen aankondigen en uitvoeren.

IJssalon
Dat was de Duitsers niet genoeg. Ze wachtten op een aanleiding tot straffer optreden. Die kwam op 19 februari, toen leden van de Grüne Polizei met een bijtende vloeistof uit een ijssalon aan de Van Woustraat werden gejaagd. Eigenaars van de ijssalon waren twee gevluchte Duitse Joden, Kohn en Cahn. Als vergelding pakten de Duitsers ongeveer vierhonderd Joodse jongemannen op. Zij werden uit hun huizen gesleurd, afgeranseld, vernederd en afgevoerd naar de concentratiekampen Buchenwald en Mauthausen.

De inmiddels illegale CPN riep op tot staking, uit solidariteit met het ,,joodse deel van het werkende volk”. De respons was gering. Pas toen de arbeiders van het Gemeentelijk Vervoersbedrijf het werk neerlegden en het tramverkeer ontregeld werd, breidde de staking zich gemakkelijk uit, tot in de Zaanstreek, Hilversum, Utrecht en Haarlem. De Internationale zingend trokken honderden arbeiders naar het centrum van Amsterdam. Rijdende trams werden aangevallen.

Politiechef Rauter trad hard op. Voor de hele stad Amsterdam gold nu de avondklok. Een speciaal aangerukte eenheid van de SS Totenkopf Standarte beschoot toevallig passerende burgers en wierp met handgranaten. Er vielen negen doden en vijftig gewonden. Op 27 februari was het verzet voorbij.

De bezetting verhardde zich. Op 3 maart vond de eerste executie plaats. Slachtoffer was E. Cahn, mede-eigenaar van de ijssalon. Op 13 maart stierven drie leiders van de februaristaking op de Waalsdorpervlakte voor het vuurpeloton, samen met vijftien leden van de verzetsgroep De Geuzen. Van de weggevoerde Joodse jongemannen keerde niemand terug.

Barbarossa
Hitler werkte koortsachtig aan de voorbereiding van operatie Barbarossa, de invasie in de Sovjet-Unie. De vruchtbare grond van de Oekraïne en de olievelden van de Kaukasus moesten Duitsland Lebensraum geven. Miljoenen Duitsers zouden er een nieuw bestaan opbouwen, als kolonisten van het Derde Rijk. De verovering van de Sovjet-Unie was een belangrijk doel van de Duitse agressie in de afgelopen jaren. Om een oorlog op twee fronten te voorkomen, had Hitler in augustus 1939 zelfs een niet-aanvalsverdrag met Stalin gesloten. Zo kon hij eerst afrekenen met Engeland en Frankrijk.

In juni 1940 had Hitler de Fransen verslagen. De Britten hielden twee maanden later ternauwernood stand. Hitler had de handen vrij voor de Sovjet-Unie. Eerst dwong hij Joegoslavië, Hongarije en Roemenië tot een bondgenootschap. Gemakkelijk ging dat niet. Voor de Joegoslavische steun was zelfs een invasie nodig, tot wanhoop van de Hongaarse premier, die liever zelfmoord pleegde dan z’n Joegoslavische bondgenoot verraden.

Ook Mussolini zorgde voor problemen. Aangestoken door Hitlers militaire zeges was hij eind oktober 1940 Griekenland binnengevallen. Met hulp van de Britten hielden de Grieken echter stand. Op termijn bedreigden de Britse troepen zelfs de Roemeense olievelden, die Hitler nodig had voor zijn invasie in Rusland. Daarom hielpen de Duitsers in april 1941 hun Italiaanse vrienden uit het Griekse moeras.

Na de problemen met Griekenland en Joegoslavië viel Hitler op 22 juni 1941 Rusland binnen. Aanvankelijk verliep de invasie als een heet mes door zachte boter. Hoewel het front drieduizend kilometer breed was, kon de Duitse infanterie de pantsertroepen met moeite bijhouden. Hitlers plannen leken aanstonds werkelijkheid te worden: het verdrijven en uitmoorden van de Russen in de bezette gebieden, de totale verwoesting van Moskou en Leningrad. Deze Blitzkrieg overtrof alle vorige, ook omdat Stalin in 1937 en 1938 de Russische legerleiding had uitgemoord.

Herfstregens
Stalins belangrijkste wapen was de tactiek van de verschroeide aarde. Alles wat de terugtrekkende Russen moesten achterlaten, vernielden zij. Fabrieken en treinen gingen in rook op, bruggen werden opgeblazen. De Duitsers moesten alle voorraden uit hun Heimat laten komen. Hoe verder ze oprukten, hoe langer en kwetsbaarder de aanvoerlijnen werden. Herfstregens en de vroeg invallende, strenge winter deden de rest. Tanks liepen vast in de modder. Vlak voor Moskou en Leningrad lagen de Duitsers te kleumen in hun zomertenue. Hitler meende dat ze het volgende jaar hun campagne konden hervatten.

Dat was een illusie. Operatie Barbarossa was niet alleen laat uitgevoerd, ze was ook slecht voorbereid. De Duitse wapenfabrieken hadden de invasie te licht opgevat. Iets meer dan de helft van de Duitse invasietroepen was daarom uitgerust met wapens die op de Fransen waren buitgemaakt. Een strategie was er nauwelijks, want de Duitse generaals verwachtten dat de oorlog in juli voorbij zou zijn. Ze waren overdonderd en verblind door Hitlers succesvolle invasie in Frankrijk, die hij tegen hun wil had doorgezet.

Nu maakte Hitler fouten. Hij viel te laat aan en onderschatte de afstanden naar het front. Ook maakte de invasie een eind aan de levering van Russisch graan, olie, rubber, erts en katoen, waartoe Stalin zich krachtens het niet-aanvalsverdrag van augustus 1939 had verplicht. Op jacht naar grondstoffen sneed Hitler de aanvoer van grondstoffen af.

Terwijl de Duitsers vastliepen, viel Japan de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbour aan. Een dag later, 8 december 1941, verklaarde Amerika Japan de oorlog. Opnieuw maakte Hitler een fout: Hij verklaarde de oorlog aan Amerika. Daarmee kreeg hij de natuurlijke bondgenoten Engeland en Amerika tegenover zich. De Amerikaanse president Roosevelt had dit altijd al gewild, maar de publieke opinie in Amerika was steeds tegen deelname aan de oorlog geweest.

Het was alsof Hitler zijn onverstand doorzag. Bij de oorlogsverklaring aan Amerika maakte hij een merkwaardige opmerking: ,,We hebben de verkeerde kant gekozen. We zouden bondgenoot moeten zijn van de Angelsaksische mogendheden. Maar de voorzienigheid heeft ons deze fout in de wereldgeschiedenis opgelegd.”


Diverse feiten uit 1941

* Omdat de import van Amerikaanse en Engelse strips is stilgelegd, publiceert de Telegraaf stripverhalen over Tom Poes, geschreven door van de 29-jarige Marten Toonder.* Van het Haagse station Holland Spoor vertrekken 550 Nederlandse strijders naar het Oostfront, de eersten van ruim 20.000. De gereformeerde theoloog prof. H.H. Kuyper, wiens zoon ook naar het Oostfront gaat, zegt het een zegen te vinden als het Sovjet-regime ten val wordt gebracht. De meeste gereformeerden zijn dat niet met hem eens.* Omdat H. Colijn zich steeds duidelijker uitspreekt tegen de Duitse bezetting, groeit de ARP van 70.000 naar 250.000 leden. Alle politieke partijen worden verboden – behalve de NSB – en Colijn krijgt hotelarrest in Valkenburg.* In Auschwitz worden op 3 september voor het eerst gedeporteerde Joden in gaskamers om het leven gebracht. Dat gebeurt met het gifgas Zyklon B. In Babi Jar, bij Kiev, vermoorden de Duitsers 35.000 Joden.

De baby’s van 1941
Jesse Jackson, Amerikaans politicus; Oscar Arias S?nchez, president Costa Rica, winnaar Nobelprijs voor de vrede 1987; Paul Simon, Amerikaans popzanger; Robert Allen Zimmerman (Bob Dylan), Amerikaans popzanger.

De doden van 1941
J.R. Slotemaker de Bruïne, predikant en CHU-politicus (71); James Joyce, Iers schrijver (58); Wilhelm II von Hohenzollern, Duits ex-keizer, inwoner van Doorn (82); Virginia Woolf, Engels schrijfster (59); David Wijnkoop, communistisch politicus (65).

Gepost op

Oud-CdK Van Dijke (82) overleden

CDA’er Van Dijke werd in 1980 door de toenmalige minister Hans Wiegel van Binnenlandse Zaken benoemd tot commissaris in Utrecht. Hij zou dat ongeveer vijf jaar blijven.

Daarvoor was hij onder andere burgemeester van Gouda en secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Nadat hij als commissaris was afgetreden, was hij enkele jaren voorzitter van de NOS.

De op 25 september 1925 in Vlaardingen geboren Pieter van Dijke was in de Tweede Wereldoorlog lid van het verzet bij de Trouwgroep. Na de oorlog en zijn studie rechten belandde hij al snel in de ambtenarij in Utrecht. Hij begon als chef-voorlichting bij de gemeente Utrecht. In 1965 werd hij daar gemeentesecretaris. Daarna vertrok hij naar Gouda.

Gepost op

?Zuurstof kreeg ik door een fietspomp?

Op 7 juli 1943 kreeg Polinder een oproepkaart om in Duitsland te gaan werken. „Ik moest naar Brandenburg. De Duitsers gaven me een pantalon, onderkleding, tweedjas en wat geld voor mijn treinkaartje naar de Duitse stad.”

De Nunspeter was echter niet van plan de Duitsers te gehoorzamen. Als zoon van een boer kon hij thuis nauwelijks gemist worden. Polinders vader verbouwde rogge. Zijn moeder was al in 1942 overleden en thuis waren ze met zes meiden en drie jongens. Een broer en een zus waren al de deur uit.

„Om nieuwsgierige mensen in de omgeving in de waan te laten dat ik daadwerkelijk naar Duitsland vertrok, pakte ik mijn fiets en bond een koffertje achterop. Ik reed wat rondjes door de bossen in de omgeving en ben ’s avonds teruggekeerd naar huis.”

Overdag hielp Polinder thuis op de boerderij en ’s nachts zocht hij steeds elders onderdak. „Het was te link om ’s nachts thuis te zijn. Ieder moment konden de Duitsers op de stoep staan. En dat deden ze bij voorkeur in het donker. Eerst bracht ik de nachten door in het stro bij de buren. Later maakte ik met mijn vader een holle ruimte onder de enorme berg rogge die we achter ons huis hadden opgeslagen. Als het bedtijd was, maakte m’n vader een kleine opening in de rogge, liet mij naar binnen, en stopte de toegang achter mij weer dicht.”

De schuilplaats was weliswaar warm en veilig, maar toch nog dicht bij het ouderlijk huis, zo vond de toen 22-jarige Nunspeter. „Mijn zoektocht naar een veiliger plek ging door. Vlak bij onze boerderij stond veel hakhout. Dat waren boompjes die vaak al na enkele jaren gerooid werden. Voordeel van die plek was de dichte begroeiing. Daarom besloot ik daar een hut te graven. Het gat was ongeveer 2 bij 2 meter en 2 meter diep. Met behulp van balken en wat kleiner hout maakte ik de hut dicht. Op de bodem legde ik een beetje stro en een matras. Om het geheel goed te camoufleren gooide ik grond boven op de schuilplaats en pootte daar plantjes, kruid en wat grotere struiken in.”

Drie maanden lang zat Polinder in zijn zelfgemaakte hol. „Het was er bedompt, vochtig en pikdonker. Frisse lucht was er nauwelijks. Die kreeg ik slechts door het pijpje van een fietspomp die ik door het dak had gestoken. ’s Nachts sliep ik met mijn kleren aan, klaar voor ieder gevaar dat er dreigde.”

Dat gevaar deed zich voor in de nacht van 10 oktober 1944. De Duitsers hadden een grote razzia georganiseerd. In die nacht had Polinder gezelschap van zijn broer en een andere onderduiker. „De Duitsers kamden alles uiterst nauwkeurig uit. Ieder bosje, hooiberg en veld werd in linie doorzocht. Het waren erg benauwde uurtjes voor ons. Mijn hart ging tekeer als een bezetene. We hoorden de krakende voetstappen van de soldaten naderen. Ze doorzochten het hakhout boven onze hoofden. In de verte klonken schoten. Later hoorden we dat er geschoten was op iemand die wilde vluchten. Ik weet nog hoe opgelucht we waren dat de Duitsers onze schuilplaats voorbijgingen. De camouflage had haar werk gedaan.”

De oorlog was nadrukkelijk aanwezig rond het ouderlijk huis van Polinder. „Enkele maanden voor de grote razzia stortte er in de nacht van 12 op 13 juni 1944 een Engelse bommenwerper neer in het roggeveld van mijn vader. Op dat moment zat ik in het hol. Een brullend geluid drong mijn ondergrondse schuilplaats binnen, gevolgd door een enorme dreun. Ik ben direct gaan kijken en zag een oranje vuurgloed achter onze boerderij. Ik schrok in eerste instantie ontzettend, omdat het leek alsof ons huis in brand stond. De Lancaster-bommenwerper was neergehaald door een Duitse nachtjager. De piloot Duncliffe heeft kans gezien met zijn parachute uit het toestel te springen. Hij is naar het onderduikerskamp in Vierhouten gebracht. Later heb ik nog een foto van deze man gehad. In 1996 overleed hij aan kanker.”

In een periode van zestig jaar is de zelfgemaakte hut van de Nunspeter totaal verdwenen. „In 1950 is het hakhout gerooid en de grond omgewoeld. De hut is daarbij uiteraard verdwenen. In die tijd dacht je er helemaal niet aan om zoiets te bewaren voor het nageslacht. We waren blij dat de oorlog achter de rug was.”

Dit is de tweede aflevering in een vijfdelige serie over bijna vergeten onderduikadressen uit de Tweede Wereldoorlog.

Gepost op

Pater Titus Brandsma krijgt eigen museum

De stichting Titus Brandsma Museum heeft voor 600.000 euro een grachtenpand aan de Grote Dijlakker in het Friese stadje gekocht, waarvan 150 vierkante meter als expositieruimte wordt benut. Het archief-documentatiecentrum rooms-katholiek Friesland vult de overgebleven ruimte in.

Er is drie jaar voorbereiding aan voorafgegaan voordat de prominente hoogleraar, journalist en verzetsheld zijn eigen museum heeft gekregen. De Jong denkt dat er genoeg animo voor een museum over de pater is. „We hebben een haalbaarheidsonderzoek gedaan en met 4500 bezoekers draaien we quitte. Dat moet lukken. Brandsma was landelijk bekend en is in rooms-katholieke kringen zeker een prominente figuur. We hebben 35 vrijwilligers, dus ook dat is geen probleem.”

Titus Brandsma werd in 1881 in de buurtschap Oegeklooster bij Bolsward geboren. In 1923 was hij een van de oprichters van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Als hoogleraar filosofie en de geschiedenis van de Nederlandse mystiek publiceerde Brandsma in kranten en tijdschriften. Al voor de Tweede Wereldoorlog waarschuwde hij op die manier voor het gevaar van de nazi-filosofie. De Duitsers pakten hem in de oorlog op, omdat hij zich openlijk verzette tegen het verbod op persvrijheid. Brandsma stierf door een dodelijke injectie op 26 juli 1942 in Dachau.

Het Titus Brandsma Museum wordt pas in het najaar officieel geopend.

Gepost op

Berging Duits vliegtuigwrak verloopt voorspoedig

Bij de berging is reeds een aanzienlijk deel van het Duitse jachtvliegtuig geborgen. Naast onherkenbare vliegtuigwrakdelen, zijn ook duidelijk herkenbare motoronderdelen, delen van de cockpit, de vleugels en het staartwiel geborgen. De Explosieven OpruimingsDienst (EOD) van de luchtmacht heeft inmiddels de boordwapens, enkele honderden granaten van 20 mm en de boordmunitie geborgen en veiliggesteld.

Donderdag zijn de laatste vliegtuigwrakdelen uit de kuil naar boven gehaald. In totaal wordt ruim 300 m3 uitgegraven grond doorzocht. Tijdens de berging zijn ook kleine hoeveelheden asbest en licht radioactief materiaal geborgen. In de Tweede Wereldoorlog werden cockpitinstrumenten enigszins lichtgevend gemaakt door ze met radiumverf te bewerken en werd asbest in remvoeringen en motoronderdelen gebruikt. Binnen de bergingsdienst van de Koninklijke Luchtmacht is de expertise aanwezig om deze materialen volgens de huidige regelgeving op veilige wijze te verwerken. Metingen hebben aangetoond dat er geen restmaterialen op de plaats van de opgraving zijn achtergebleven.

Ministerie van Defensie

Gepost op

Themadag Market Garden III. 10-05-2003.

We starten om 09:00 uur bij Airbornemuseum waar wij met de bus richting Nijmegen gaan.
Onderweg krijgen wij uitleg van Wybo Boersma van wat er in die periode hier allemaal heeft afgespeeld.
Als eerste stoppen we bij de begraafplaats Jonkerbos waar in ieder geval 60 graven te vinden zijn die betrekking hebben op deze excursie.
Het gaat hier vernamelijk om mannen die in het noodhospitaal (Kostschool Jonkerbosch) in Nijmegen aan hun verwondingen zijn overleden.
Verder liggen hier ook nog de mannen die verdronken zijn of betrokken waren bij een vliegtuigcrasch.

Nadat iedereen eerbiedig over de begraafplaats had gelopen vertrokken we richting Nijmegen.
Hier nam Eug?ne Wijnhoud het over van Wybo om ons als gids te begeleiden.
Wij reden dwars door Nijmegen om o.a. vanuit de bus de noodhospitalen en het postkantoor waarin de Amerikanen de centrale ontsteker van de verkeersbrug dachten te vinden waarmee de brug zou worden opgeblazen.
Na verovering van dit postkantoor werd hier gedurende 4 dagen hevig gevochten.
Aangekomen bij het kantoor van de NUON hadden wij vanaf het dak een goed overzicht over de Waal.
Hier zagen wij dan ook het gebied waar de Waal-crossing plaatsvond.
Tevens kon men vanaf de andere kant van het gebouw het kon men goed zien vanaf welke afstand de bombardementen op Oosterbeek werden uitgevoerd door de artillerie.
 

Monument Waalcrossing

Nadat iedereen van het perfecte uitzicht en de daarbij behorende informatie van alles had opgestoken vertrokken we richting de Waalbrug.
Hier kregen we weer van Wybo uitleg over hoe de gevechten rondom de brug waren verlopen. Opmerkelijk was hier wederom de grote afstand die toentertijd overbrugt moest worden.
Nadat we ingestapt waren reden we via Lent naar Oosterhout waar we reden over de weg die op de Engelse route lag, hier was een heftige slag geleverd.

Toen de Engelsen in Lent aangekomen waren zochten zij een plaats om te overnachten.
Maar in de tussentijd kwam de Amerikaanse commandant Captain Mofatt Buriss hier aan en vroeg waarom de tanks niet doorreden , het antwoord was dat hier geen opdracht voor was gegeven. Wij reden via Elst waar een heftige tankslag was geleverd richting Valburg.
Wederom reden wij over de smalle weggetjes waar na de tankslag enkele Tiger tanks waren uitgeschakeld.

In Valburg aangekomen werd eerst de lunch genutigd die goed verzorgd was.
Na de lunch vertrokken wij richting Driel waar wij natuurlijk onderweg wederom veel uitgelegd kregen.

Geert Maassen verteld ons meer over de acties van de Polen in Driel

In Driel werden wij weer opgewacht door een andere gids die ons de landingsterreinen liet zien van de Polen.
Hier aangekomen kregen wij een zeer goede uitleg van wat zich allemaal in Driel had afgespeeld.
Er werden hier vele vragen gesteld en de gids had hierop antwoorden waarbij weer e.e.a. werd uitgelegd. Wij liepen verder en kwamen bij het hoofdkwartier van Generaal-Majoor Sosabowski aan en hier volgde wederom een uitleg.
Hoofdkwartier Generaal-Majoor Sosabowski

Wij liepen verder richting het Poolse Monument waar wij bleven stilstaan bij de weinige bezienswaardigheden die nog overgebleven zijn.
Na een korte toelichting liepen we langs de kerk richting de bus waarna wij weer richting Oosterbeek reden.
Onderweg kregen wij voor de laatste keer enige informatie van dit gebied want in Oosterbeek aangekomen mochten wij nog even gratis het Airborne Museum bezoeken waar vanaf 25 april t/m 2 november 2003 de tentoonstelling is “ Vuursteun voor de Airbornes”

Na de bezichtiging vertrok na het afscheid nemen van elkaar de reis weer huiswaarts.
Wij hadden weer een zeer leerzame dag achter de rug die weer veel stof gaf om toch nog een paar boeken aan te gaan schaffen om meer van deze dagen te weten te komen.

Ik dank iedereeen van de organisatie voor deze intressante dag en zeker wil ik bij de volgende weer aanwezig zijn.

Gepost op

?Genocide was erger dan die van Saddam?

E?n les trok de nu 84-jarige Van Dien uit zijn onderduiktijd. De les dat het „de enkelingen zijn die de wereld draaiende houden.” Voor die enkelingen, zoals zijn helpers in de oorlog, heeft de oude man diepe achting. Ze stimuleerden hem tot een project waarbij zijn onderduikplaats -een hol in de bossen bij Valthe, niet ver van Emmen- minutieus nagebouwd wordt. „Maar”, kan hij niet ophouden te benadrukken, „de redders en niet de geredden staan daarbij centraal.”

In het Emmen van 1919 kwam de Joodse Ab ter wereld. Nog voor de oorlog in Nederland losbrak, was hij met zijn 19 jaren betrokken bij het transport van Duitse vluchtelingen, die in het holst van de nacht naar Nederland gesmokkeld werden. Het opende zijn ogen voor het schrijnende leed voor veel Duitse Joden, dat later ook Nederland in zijn greep zou krijgen.

„In 1942 dook ik onder. Niet alleen omdat ik van Joodse afkomst ben en naar Westerbork moest, maar ook omdat ik veel wist. Ik hoorde wat er met de Joden gebeurde: een genocide die erger was dan die van meneer Saddam.” Van Dien zwijgt een moment, bedachtzaam. En brengt dan -opnieuw- zijn levensfilosofie te berde. „Zo zal het altijd blijven. Mensen bedreigen elkaar en het zal altijd de enkeling zijn die de eer van zijn land redt.”

Zes weken zat Van Dien ondergedoken in een huis op de Nederlands-Duitse grens, in Barger-Compascuum. Toen hij daar niet langer kon blijven, voerde zijn reis naar een slagerij in hetzelfde dorpje. „Daar stond een grote turfbult die vanbinnen hol was. Daar moest ik in. Ik wist niet wat me overkwam.” Maar ook deze plaats verliet Ab weer snel: de boel werd verraden en de slager kwam om in een concentratiekamp. Na drie maanden met twaalf anderen in een kippenhok vertoefd te hebben, trok de club onderduikers het bos in bij Valthe. „Daar hebben we een kuil uitgegraven, zo goed als met blote handen, en er een plaggenhut neergezet.”

Tweeënhalf jaar hield Ab het daar uit. „We zijn er eigenlijk doorheen gekomen vanwege de corveetaken. Elke ochtend om zes uur en elke avond om zeven uur camoufleerden we de hut. Daarbij letten we op elk takje, elk blaadje dat onze aanwezigheid zou kunnen verraden. Het ging zo goed, dat zelfs de medewerkers van Staatsbosbeheer ons niet opmerkten toen die op minder dan 10 meter aan het werk waren.”

De rest van de dag vulde de groep onderduikers met „lezen, schaken en praten.” En zoeken naar voedsel en water. „Toen we op een keer geen water meer hadden, ging het sneeuwen. Die sneeuw was onze redding; het was voor ons als manna. Met wijd geopende mond liepen we buiten rond. We hielden ons in leven met knollen en aardappels die we ’s nachts van het land stalen.”

Tot de dag van hun ontdekking kwam. „We werden ontdekt door een mannetje dat, samen met zijn vrouw, wel eens hout sprokkelde in de buurt van onze hut, zoals Hans en Grietje in het sprookje. Het waren oude mensen, die eigenlijk buiten het leven stonden. Op een zondagmorgen was hij boven op onze hut hout aan het verzamelen. Hij had helemaal niet door dat er een hut was, totdat hij door het dak zakte. Verbaasd keek hij rond toen hij ons zag. „Zijn jullie padvinders?” vroeg hij. „Zeker”, zeiden wij. We vonden het geen slechte oplossing.”

Van Dien glimlacht als hij aan de gebeurtenis terugdenkt. „Maar hij heeft toen tegen zijn vrienden verteld dat hij padvinders had ontdekt. Een week later kwam de SS. Ternauwernood zijn we aan hen ontsnapt.”

En dan opeens, zichtbaar vermoeid: „Ik ben 84, en ik kan uitsluitend oordelen over mijn eigen ervaringen. Maar die hebben me wel geleerd dat mensen elkaar blijven bevechten en uitmoorden, in ieder tijdperk. Onze wortels liggen in de christelijke beschaving. Die heeft prachtige dingen voortgebracht, maar heeft niet kunnen voorkomen dat mensen elkaar afslachtten. De christelijke beschaving is voor mij met de oorlog opgehouden. Het zijn altijd weer die weinige mensen die onze wereld staande houden.”

Dit is de eerste aflevering in een vijfdelige serie over bijna vergeten onderduikadressen uit de Tweede Wereldoorlog.

Gepost op

Utrechter adverteerde voor onderduikplaatsen

Op die manier hielp hij vele joodse onderduikers aan veilige adressen. Voor dat werk kreeg hij gisteren postuum een Yad Vashem-onderscheiding. Van Dijl werd in 1943 gearresteerd en kwam uiteindelijk in het concentratiekamp Dachau terecht. Twee jaar later bevrijdden de Amerikanen hem. Hij overleed in 1998.Een postume onderscheiding was er ook voor het Groningse schoolhoofd Egbert Star, die aan Sari Magnus en haar moeder, zus en zwager onderdak bood. Star werd volgens Sari door christelijke naastenliefde gedreven. Dat geldt ook voor Willem Kwerreveld en zijn vrouw Josina Kwerreveld-van Kooten uit Wassenaar, bij wie de driejarige Jacob Schilo tot het einde van de oorlog ondergedoken was. Josina nam de onderscheiding voor haarzelf en haar overleden man in ontvangst. Jan Bastiaans (postuum), zijn vrouw Cornelie (postuum) en dochter Truus Warsen-Bastiaans uit Haarlem werden geëerd voor de opvang van Bob Jacobs, een joodse jongen uit Duitsland, en zijn ouders. Hoewel Jan in de loop van de oorlog ernstig ziek en hulpbehoevend werd en in 1944 overleed, konden de onderduikers tot het einde van de oorlog blijven.Adrianus Wijntje, zijn vrouw Hendrika Wijntje-van Ginhoven, broer Jan en schoonzus Johanna Cornelia Segboer hadden aan de Dordtselaan in Rotterdam een centrum voor illegale activiteiten waaraan vele onderduikers hun leven te danken hebben. Zij kregen de onderscheiding allen postuum. De inmiddels overleden Jan de Klerk en zijn weduwe Anna Lambooy-Swagerman vingen in 1942 de pasgeboren Bram Poons op, die met een navelbreuk in het Juliana Kinderziekenhuis in Den Haag lag. Zijn ouders waren al weggevoerd en zijn nooit meer teruggekomen. Na de oorlog moest Bram tot zijn verdriet naar aangetrouwde familie van moederskant. Anna staakte na geruime tijd haar bezoeken aan Bram, omdat zijn nieuwe moeder die niet op prijs stelde. Enkele jaren geleden wist zij Bram via een ouderling van haar kerk op te sporen en kon zijn het contact herstellen.