Gepost op

Ontvoerder Adolf Eichmann overleden

Harel was een van de oprichters van de Mossad, waarvan hij van 1952 tot 1963 de leiding had. Ook stond hij aan de wieg van de Shin Bet, de binnenlandse veiligheidsdienst, waarvan hij de eerste directeur was. Een van de voornaamste taken van de Mossad was het opsporen van prominente ex-nazi’s en Eichmann stond hoog op de lijst van gezochte personen. Eichmann werd in 1961 berecht en geëxecuteerd.

(ANP)

Bron: Sp!ts

Gepost op

Zeeuws-Vlaanderen wilde na 1945 bij België horen

Dit staat in het boek Polderschouw, terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog over de terugkeer van evacu?s na de oorlog. De door het Militair Gezag verordonneerde verplichte evacuatie van duizenden westerlingen naar Oost-Zeeuws-Vlaanderen zette kwaad bloed.

Maar vooral het idee dat West-Zeeuws-Vlaanderen bij de hulpverlening werd achtergesteld bij het onder water gelopen Walcheren bracht menigeen ertoe de leus ‘Zet de grenspaal maar midden in de Schelde’, te onderschrijven.

De Zeeuws-Vlamingen hadden het gevoel te behoren tot een vergeten uithoek van Zeeland en Nederland. Dit werd gevoed door een falend noodherstelplan. De afscheidingsgedachte kreeg nooit concreet gestalte in een organisatie. Daardoor kwam er geen brede volksbeweging van de grond. De gevoelens onder de mensen waren echter wel een duidelijke aanklacht tegen de overheid.

In zijn bijdrage aan het boek Polderschouw gaat de historicus Arno Bornebroek uitvoerig in op de moeizame verhouding van de Zeeuwen tot het gezag in de periode 1944-1947. Hij stelt vast dat er (West-)Zeeuws-Vlaanderen sprake was van onbegrip en ongenoegen, en niet ten onrechte. Ook op Walcheren rees verzet tegen de evacuatieplannen van het Militair Gezag, voor een deel gevoed door de orthodox-protestantse geloofsovertuiging.

In beide regio’s mislukte de operatie dan ook grotendeels. De door de oorlog verdreven mensen weigerden, ondanks de grote verwoestingen, hun have en goed opnieuw te verlaten. De burgerlijke bestuurders werkten het Militair Gezag ook tegen.

Bornebroek constateert dat In Zeeuws-Vlaanderen ten onrechte de opvatting heerste dat het gebied bij de hulpverlening werd gepasseerd. ,,Van achterstelling was geen sprake, van gebrek aan belangstelling van de bestuurders evenmin, en feitelijk was het niet te onderbouwen dat Walcheren een voorkeursbehandeling kreeg. Toch was het beeld in de hoofden van de bevolking het tegenovergestelde. De West-Zeeuws-Vlaming voelde zich achtergesteld en onbegrepen door zowel de andere Zeeuwen als de rest van Nederland.”

Dat de Koningin op bezoek kwam, later gevolgd door de minister-president, was niet voldoende om de negatieve stemming te keren. Bornebroek: ,,Er ontstond een sfeer van separatisme. Spottend noemde men de Schelde het ijzeren gordijn.” Hij geeft aan dat het defaitisme en het separatisme een reële voedingsbodem hadden. ,,Voor de Zeeuws-Vlaming was de bevrijding geen feest geweest, zijn geduld werd daarna soms zwaar op de proef gesteld en hij zag zijn verwachtingen meermalen de bodem ingeslagen.”(7 juni 2002)

Gepost op

Paus Pius XII was geen antisemiet

,,Pius heeft allesbehalve gezwegen over de jodenvervolging.”De paus had een goede reden zijn kritiek in bedekte termen te leveren. Het onomwonden aan de kaak stellen van het antisemitisme had Hitler wellicht aangezet tot een nog wredere aanpak. ,,Met een openbaar protest zou ik misschien de lof van de beschaafde wereld hebben geoogst, maar de joden zouden aan nog zwaardere vervolging worden blootgesteld”, lichtte Pius XII zijn handelen toe.Als belangrijkste bronnen die getuigen van Pius’ afkeer van het antisemitische van Hitler, noemt Jansen een reeks documenten uit het Vaticaans archief over de Tweede Wereldoorlog. De Brit John Cornwell die in 1999 met zijn boek ‘Hitler’s Pope’ (De paus van Hitler) de meest recente aanval op Pius XII leverde, ging volgens Jansen aan die bron voorbij. Het resultaat van die nalatigheid is een afschuwelijke karikatuur van de paus, vindt Jansen.Jansen, die zijn boek beschouwt ,,als een bijdrage om de mythe van de zwijgende en passieve Pius XII te ontmaskeren als een grove leugen”, was aanvankelijk rooms-katholiek priester. Van 1969 tot 1980 werkte hij als hervormd predikant.Jansen werd bekend met zijn tweedelig boek ‘Christelijke theologie na Auschwitz’, waarin hij onder meer stelt dat het Nieuwe Testament een voedingsbodem voor jodenhaat is. Sinds 1990 is hij bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van christelijke literatuur over joden en jodendom aan de Vrije Universiteit van Brussel.

Gepost op

De ‘snelste blanke’ ter wereld

Het was het olympisch podium op de 200 meter, Berlijn 1936. Osendarp won daar ook brons op de 100 meter, weer achter Owens en Ralph Metcalfe. Twee jaar later pakte Osendarp, de beste sprinter ooit in Nederland, goud op 100 en 200 meter bij de EK in Parijs. Na de oorlog werd hij opgepakt, veroordeeld en vergeten. Osendarp overleed vorige week donderdag, 86 jaar oud.

Geleende spikes
Martinus Bernardus Osendarp werd op 21 mei 1916 geboren in Delft en verhuisde later naar Rijswijk, waar hij als rappe rechtsbuiten voetbalde bij VUC. Op aanraden van een trainer deed hij ‘voor de grap’ eens mee aan atletiekwedstrijden. Op geleende spikes werd hij nog dat jaar derde op de 100 meter tijdens de NK.

Een jaar later al, in 1934, pakte hij brons op de EK in Turijn, waar Chris Berger furore maakte met goud op beide sprintnummers. In Berlijn kwam het hoogtepunt in zijn carrière. Zijn werkgever Albert Plesman (KLM) stuurde een Fokker naar de Duitse hoofdstad, om de jonge coryfee naar huis te vliegen. In Den Haag werd hij rondgereden in een open wagen.

De verering duurde niet lang. Enkele maanden na de bezetting verloor hij zijn baan bij de KLM en trad in dienst bij de Haagse politie. In 1941 sloot hij zich aan bij de NSB, later de SS en de Sicherheitsdienst. In de zomer van 1944 werd hij voor het laatst Nederlands kampioen, maar populair was hij toen al lang niet meer.

Tijdens wedstrijden in 1942 al, zo wordt beschreven in het standaardwerk ‘130 jaar atletiek in Nederland’ van Aad Heere en Bart Kappenburg, klonk een gejuich op voor de Joodse sprinter Albert Spree. Toen winnaar Osendarp naar voren werd gehaald, bleef het doodstil.

In het najaar van 1944 werd Osendarp lid van de Commando Leemhuis, in Den Haag berucht om het achtervolgen, oppakken, martelen en doden van verzetsstrijders. Osendarp zou betrokken zijn geweest bij de arrestatie van minstens 26 verzetsmensen. Tien van hen stierven tijdens de gevangenschap. In 1945 werd hij opgepakt, drie jaar later veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf.

Altijd te laat
Volgens de schrijvers van 130 jaar atletiek in Nederland zou de toenmalige KNAU-voorzitter Adriaan Paulen voor Osendarp op de bres zijn gesprongen, waardoor hij de doodstraf ontliep. Paulen noemde hem ‘eenvoudig van geest’. Karel Lotsy, destijds in Berlijn Chef de Mission, omschreef Osendarp na de oorlog als ‘een sportieve, eerlijke, maar domme jongen die au fond niet pro-Duits was, maar een vader had die hem in die richting heeft gedreven’.

Tegen de Volkskrant zei Tinus Osendarp in 1999, tijdens een van de weinige interviews die hij toestond: ,,Thuis waren ze bij de NSB en zo ben ik er ook bijgekomen. Je bent jong, naïef, je weet niet beter.”

Hij zat aanvankelijk in de gevangenis van Groningen, maar mocht in 1950 in de Limburgse mijnen aan het werk. Toen hij in 1952 vervroegd werd vrijgelaten, bleef hij daar omdat hij geen ander werk kon vinden. Tot 1972, toen hij om gezondheidsredenen vervroegd met pensioen ging, sleet hij zijn dagen in de Emma-mijn. Hij kreeg in 1958 dispensatie van de KNAU, om sprinttrainer van Achilles TOP in Kerkrade te worden, wat hij enkele jaren heeft gedaan.

Uit de Volkskrant in 1999: ,,Eigenlijk was ik niet meer dan een klein mannetje, dat toevallig een bekende Nederlander werd door de sport. Natuurlijk heb ik spijt, maar spijt komt altijd te laat.”

Tinus Osendarp is gisteren in stilte begraven. (1 juli 2002)

Gepost op

In memoriam: Isser Harel (1912-2003)

Niets aan Isser Harel deed vermoeden dat hij een meesterspion was. De in Rusland geboren Jood was nauwelijks 1,40 meter lang. Hij was al vroeg kaal en had enorme flaporen. Vanwege zijn geringe lengte kreeg hij al snel de bijnaam ”Isser de Kleine”. Hij maakte in zijn priv?-leven meestal een introverte en zelfs schuchtere indruk. Toen een van zijn buren hem bij wijze van uitzondering in zijn uniform van luitenant-kolonel zag, riep de man dan ook in verbazing uit: „Hoe kan zo’n rustig mannetje als jij zo’n belangrijke officier zijn?”

Toch was Harel een geboren spion. Toen hij in 1930 op 17-jarige leeftijd van Rusland naar Palestina emigreerde, smokkelde hij al een revolver door de strenge Britse douane. Hij vertrouwde alleen zijn vrouw Rivkah en de agenten die onder zijn bevel stonden. Op de vraag of Isser ook persoonlijke vrienden had, liet een familielid zich eens ontvallen: „Vrienden? Hij kent iedereen en iedereen kent hem. Maar ik geloof niet dat hij ook maar ??n echte vriend heeft. Hij vertrouwt niemand… zelfs ons niet.”

Zijn gevoel voor geheimhouding was legendarisch. Niemand uit zijn omgeving wist wat voor werk hij deed; zelfs zijn vrouw was niet volledig op de hoogte van de activiteiten van haar echtgenoot. Harel liet een dubbele muur in zijn huis metselen, met een geheime toegang, waarachter hij zijn uitgebreide archief verborg. Toen hij eens een taxi in Tel Aviv aanhield en de chauffeur hem vroeg waar hij naartoe wilde, antwoordde hij slechts kortaf: „Mijn bestemming is geheim.”

Isser Harel werd in 1912 in het Russische Vitebsk als Isser Halperin geboren. In 1930 emigreerde hij naar het toenmalige Palestina. In de eerste jaren was hij werkzaam in de landbouw in de kibboets Shefayim, waarvan hij een van de oprichters was. In 1942 voegde hij zich bij de Joodse strijdmacht Haganah. Na een snelle carrière werd hij twee jaar later hoofd van de afdeling inlichtingen van de Haganah.

Met de oprichting van het officiële Israëlische leger, de IDF, na de stichting van de staat Israël, werd Harel een van de eerste luitenant-kolonels en kreeg hij de leiding over de binnenlandse veiligheidsdienst Shin Bet. In 1952 werd hij hoofd van de geheime dienst Mossad. Hoewel de dienst toen in naam al bestond, was het Isser Harel die de Mossad uitbouwde van niets tot een van de beste en meest gevreesde inlichtingendiensten ter wereld. De richtlijnen en de stijl die hij invoerde zijn tot op de dag van vandaag in de organisatie terug te vinden.

Harel bereikte dat doel door van zijn mensen absolute toewijding en onbesproken moreel gedrag te verlangen. Hij stond bekend als een harde en veeleisende baas die weinig ophad met sociale activiteiten of ontspanning. Hij had geen gevoel voor humor en was snel op zijn teentjes getrapt. Zijn enige hobby’s waren het beluisteren van operamuziek en het lezen van detectiveromans.

Toch dwong Isser enorm veel respect af, niet het minst bij zijn ondergeschikten. Zijn agenten wisten dat ze altijd en overal op zijn onvoorwaardelijke steun konden rekenen. Het uitgangspunt van veel andere geheime diensten dat een door de mand gevallen of gevangengenomen spion geen waarde meer heeft, was in Harels ogen een gruwel. Persoonlijk nam de Mossad-chef deel aan alle belangrijke operaties die zijn dienst uitvoerde.

In het begin van de jaren ’50 legde Harel zich vooral toe op het volgen van communistische en extreem linkse elementen in de jonge Israëlische samenleving. Door de massale toevloed van Joden was het uiterst lastig zicht te houden op de werkelijke bedoelingen van de immigranten.

Een van de belangrijkste wapenfeiten van Harel op dat gebied was de arrestatie van Israël Beer, een persoonlijk assistent van premier David Ben Gurion. Beer presenteerde zich als Joodse wetenschapper uit Wenen met aanzienlijke militaire ervaring. Daardoor wist hij snel op te klimmen in de rangen van het Israëlische leger. Vertrouwend op zijn natuurlijke achterdocht en intuïtie ontmaskerde Isser Israël Beer als een Sovjetspion.

Het hoogtepunt in Harels carrière vormde echter ongetwijfeld de opsporing en ontvoering van Adolf Eichmann, de man die het brein was achter de formulering en uitvoering van de Duitse ”Endlösung” van het Jodenvraagstuk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Persoonlijk leidde Harel de hele operatie – van de bestudering van de dossiers over Eichmanns rol in de holocaust, de arrestatie van de nazi in Argentinië tot de boodschap aan Ben Gurion: „Ik heb een cadeautje voor u meegenomen.”

Hoewel de opsporing van oorlogsmisdadigers voor de Israëlische geheime diensten altijd al een hoge prioriteit had gehad, begon de Mossad-baas zich in 1957 serieus met de kwestie-Eichmann bezig te houden. In dat jaar ontving Harel aanwijzingen dat Eichmann nog in leven was en onder een valse naam in Argentinië woonde. Vanaf dat moment zette Isser zijn tanden in de zaak. Uiteindelijk ging hij met een team agenten naar Buenos Aires en wist Eichmann op 11 mei 1960 gevangen te nemen. Korte tijd later stond de Duitser voor de Israëlische rechter, die hem ter dood veroordeelde. De reactie van Harel, vier dagen na de ontvoering van Eichmann, was typerend voor zijn totale controle over zijn emoties: „Ik kon alleen maar denken hoe alledaags hij eruitzag.”

Enkele jaren na de triomf van de ontvoering kwam er plotseling een einde aan de Mossad-carrière van Isser Harel. De meesterspion was een terreurcampagne begonnen tegen een groep Duitse geleerden die in Egypte aan een omvangrijk raketprogramma werkten. Volgens Harel vormden de projectielen een serieuze bedreiging voor Israël. Ben Gurion was echter een andere mening toegedaan en beval zijn inlichtingenchef met zijn activiteiten tegen de wetenschappers te stoppen. De onenigheid tussen beide mannen leidde in het voorjaar van 1963 uiteindelijk tot het ontslag van Isser Harel, net voor David Ben Gurion zelf het veld ruimde als minister-president.

In juni 1966 bracht Paula, de vrouw van Ben Gurion, het tweetal bij elkaar voor een verzoening. De voormalige premier gaf Harel een foto van hemzelf met op de achterkant de woorden ”Voor Isser, een beschermer van de eer, de veiligheid en de geheimen van de staat. David Ben Gurion”.

Harel nam in 1965 zijn oude beroep weer op als veiligheidsadviseur van premier Eshkol. Na tien maanden hield hij het echter alweer voor gezien. De rest van zijn loopbaan vulde hij met politieke activiteiten en schrijven. Dinsdag overleed de meesterspion op 91-jarige leeftijd na een langdurige ziekte. E?n ding is zeker: Harel heeft zijn bijnaam ”Isser de Kleine” bepaald geen eer aangedaan.

Gepost op

Cornelis van Geelkerken, van NSB-leider tot verloren zoon

Hij wordt een vooraanstaand collaborateur, zeer gehaat onder zijn volksgenoten. Maar na de oorlog, in het eerste jaar van zijn gevangenschap, hervindt hij het geloof van zijn jeugd. Met het doodvonnis in het verschiet zoekt hij aansluiting bij de (inmiddels vrijgemaakt-) gereformeerde kerk in Utrecht.

Portret van een verloren zoon.
Kees wordt in 1901 geboren in St. Jans Molenbeek (België), in een gereformeerd gezin in een katholieke omgeving. Als snel verhuist de familie naar Zeist, omdat de heer des huizes op doktersadvies in een bosrijke omgeving moet gaan wonen. Kees is de oudste van twaalf kinderen. Omdat het gezin permanent geldzorgen kent, kan hij een opleiding wel vergeten. Met een baantje op de provinciale griffie in Utrecht helpt hij de kost te verdienen.Hij is een gereformeerde jongeling als vele van zijn leeftijdgenoten. Hij gaat trouw ter kerke, en ,,zijn kennis van de Bijbel, de catechismus en de geloofsbelijdenis was boven het middelmatige”, zal een collega later verklaren. Van vader en grootvader is vooral overgeleverd dat ze streng in de leer zijn. Kees was zeer gevoelig voor hun oordeel. ,,Bezocht hij een enkele maal een bioscoop, dan mocht men dat thuis niet weten.”

In politiek opzicht was hij eind jaren twintig ‘zoekende’, vertelt een familielid dat anoniem wenst te blijven. Hij is een vurig orangist en schurkt aan bij allerlei rechtse autoritaire clubjes, laakt de heersende jansaliegeest, verafschuwt de parlementaire democratie die hij graag zag ingewisseld voor een krachtig leiderschap. Zijn grote idolen zijn Napoleon – van wie hij een buste op zijn bureau heeft staan – en Mussolini.

In de hoop op herstel van orde en gezag richt hij met ir. Anton Mussert de NSB op, tot afschuw van zijn ouders. Meermalen slaakt hij op kantoor de verzuchting: ,,Dat die politiek me veel hoofdbrekens kost, is tot daar aan toe, maar dat gezanik van je familie erover is niet om uit te houden.” Toch blijft de familieband intact.

Kees de Prater
Kees, ‘stamboeknummer 2’, wordt plaatsvervangend leider van de beweging. Mussert zet politiek de lijnen uit, Van Geelkerken is secretaris. In de partij is Van Geelkerken de man van het woord; hij krijgt de bijnaam ‘Kees de Prater’. Anders dan Mussert weet hij met zijn cabareteske betogen uit de losse pols de gewone man voor zich in te nemen. ,,In een bestel van schurken was hij een vrolijke schoft”, zou Elseviers Weekblad hem eens typeren.

De Gereformeerde Kerk beziet de aspiraties van broeder Van Geelkerken met argusogen. In ’34 wordt hij in De Bilt uitgesloten van het Heilig Avondmaal. Hij verhuist naar Utrecht en tot zijn grote ergernis staat de tuchtmaatregel op zijn attestatiepapieren. Dick Kaajan, archivaris bij het Algemeen Rijksarchief, wiens grootvader op dat moment predikant was in Utrecht, vertelt dat Kees zich bij de pastorie heeft gemeld om over de kwestie te praten. De woordenwisseling eindigt in slaande ruzie en dr. Kaajan wijst hem resoluut de deur.

Van Geelkerken stuurt onverwijld een bezwaarschrift naar de synode. ,,Ik ben me niet bewust dat ik beginselen uitdraag, strijdig met Gods Woord en de gereformeerde belijdenis.” Nu was er al een synodecommissie (met o.a. prof.dr. K. Schilder en dezelfde Kaajan) bezig met de vraag hoe om te gaan met NSB-sympathisanten onder het kerkvolk. Het bezwaarschrift kan echter niet in behandeling worden genomen, omdat Kees de voorgeschreven procedure niet had gevolgd. De commissie spreekt uiteindelijk uit dat een lidmaatschap van de kerk niet verenigbaar is met dat van de NSB. Maar Kees is op dat moment al vertrokken naar Zeist, waar hij niet van plan is zich weer bij de kerk te melden. Dat wil heel wat zeggen voor de telg uit de bijzonder meelevende familie, zegt Dick Kaajan. Kees’ vader is op dat moment wel lid in Zeist.

In 1935 haalt de NSB als nieuwkomer 8 procent bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten. ‘Wat zullen we met dit gebouw moeten doen, als we aan de macht zijn?’ dagdroomt Kees de ambtenaar een keer hardop vanachter zijn bureau in het grote provinciehuis. De opmars is begonnen.

In de aanloop naar, en vooral ook tijdens de oorlog schetst Van Geelkerken in bloemrijke bewoordingen het wenkend perspectief van een sterk nationaal-socialistisch Nederland dat zijn partijtje meeblaast in het groot-Europa. In zijn speeches betuigt hij zijn onvoorwaardelijke steun aan het nationaal-socialisme en roept hij op tot verschuldigde eerbied voor Hitler-Duitsland. Zijn geloofsovertuiging lijkt de kameleontische Kees te hebben afgezworen.

Een kleuter
In de loop van de oorlog verwildert Van Geelkerken, zegt de Leidse historicus Bart van der Boom, die een biografische schets over Van Geelkerken publiceerde. ,,Hij is beland in een wereld waar hij niet in past. Een kleuter in de grote-mensenwereld. Hij heeft macht en aanzien, maar zijn vijanden zijn niet te tellen.” Hij is meegezogen in de stroom; hij kon niet meer terug, zegt een familielid. Ja, erkent Van der Boom, maar voegt er in een adem aan toe: ,,Hij was veel te ijdel en te zeer gesteld op zijn status, dan dat hij zijn verlies zou nemen en eruit zou stappen. Binnen de organisatie, als geüniformeerd leider was hij iemand, daarbuiten zou hij een eenvoudig ambtenaartje zijn.” Na de breuk met Mussert daalt zijn ster snel.

Op de dag na de bevrijding wordt Van Geelkerken opgepakt. ‘Gereformeerd, niet praktizerend’, vermelden de arrestatiepapieren onder ‘kerkelijke gezindte’. De berechting laat jaren op zich wachten. In de gevangenis in Utrecht ontvangt hij bezoeken van ds. M. de Goede, predikant van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt), die nota bene zelf een actief verzetsman is geweest. Ook ARP-senator prof. dr. I.A. Diepenhorst bezoekt hem geregeld. Het valt hem op dat Kees ,,ook in die omstandigheden zijn waardigheid wist te behouden. Hij was een heer. Van het hele stelletje vond ik hem het meest geschikt”.

Op 5 mei 1946, na een jaar gevangenschap, schrijft Van Geelkerken een brief aan zijn vrouw. Hij heeft dan net een preek gelezen waaruit hij de woorden citeert: ,,Van Jezus Christus uit kunt gij alle andere idealen veroveren. Het ideaal van Jezus Christus levend in ons leven.” Hij vervolgt dan: ,,Daar heb je tegelijk de veroordeling van mijn hele leven, ook voor er van een NSB sprake was, want nu – na te zijn bekeerd – zie je eerst in, wat er aan je leven ontbrak en wel dit, dat je eerst alles moet toetsen aan Christus (…). Daarom lieveling, moet je, als de herinneringen die we beiden hebben, je bestormen, nooit vergeten, dat ons leven van die tijd fout was.”

Het inzicht is in de loop van het jaar gerijpt, schrijft de verloren zoon, in een deemoedige schuldbelijdenis, die blijkt geeft van een grondige bijbelkennis. ,,Ik heb daar gestaan en die Duitsers gesteund; niet in hun gruwelen, maar dan toch gesteund.”

Van der Boom is uiterst sceptisch over de religieuze ommezwaai: ,,Ik heb het altijd als vrij opportunistisch gezien. Mussert is geëxecuteerd en Van Geelkerken heeft op dat moment alle reden om aan te nemen dat hem hetzelfde lot wacht. Hij is niet de eerste die met zo’n onzekere toekomst tot inkeer komt en zich tot de Here wendt.” Het familielid, dat Van Geelkerken ook tijdens gevangenschap bezocht, is er daarentegen zeker van: ,,Na de oorlog was Cornelis nog geloviger dan hij voor de oorlog al was.”

Tijdens de vele honderden verhoren – hij wordt vaak als getuige in andere processen opgeroepen – erkent Van Geelkerken zijn fouten, maar hamert tegelijkertijd op zijn integere motieven. Zo geeft hij bijvoorbeeld toe te hebben samengewerkt met de Duitsers, maar hij houdt vol dat hij daarbij het oog had op een achterliggend doel, het belang van Nederland. ,,Het is hem vaak verweten dat hij niet tijdig op zijn schreden terug is gekeerd, maar uiteindelijk heeft hij die weg terug toch gevonden”, zegt zijn verdediger mr. Mathuisen als het proces zijn afronding nadert. ,,Deze Van Geelkerken is een andere, dan die van zes jaar geleden”, erkent ook een journalist die het proces heeft gevolgd.

Kerkenraad
Vlak voordat het definitieve vonnis wordt geveld, gelast de rechtbank-president een onderzoek naar de mens Van Geelkerken. En dan gebeurt het onwaarschijnlijke en opzienbarende: de voltallige kerkenraad van de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) richt zich in een brief tot de rechtbank, om het voor broeder Van Geelkerken op te nemen. De pikante episode is weinig bekend; we vinden het origineel van de brief tijdens onderzoek in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag.

Nadat omstandig is aangegeven dat de kerkenraad op geen enkele wijze wil intreden in de procesgang, beschrijft opsteller ds. H.J. Schilder uitvoerig hoe de kerkenraad na een grondig onderzoek ,,tot de overtuiging kwam, dat (…) hier sprake kon zijn, ja was, van een concrete schuldbekentenis en overtuigden wederkeer, die hem deden besluiten Van Geelkerken als een broeder in de volle kerkelijke gemeenschap te ontvangen”. Al in 1947 heeft Van Geelkerken zich onder kerkelijk opzicht en tucht geplaatst.

De kerkenraad gaat niet over ??n nacht ijs en vraagt zich af, of Van Geelkerken geen bijbedoelingen zou kunnen hebben met zijn bekering. Dat is geenszins het geval, is de conclusie. Als ultiem argument voert H.J. Schilder aan dat het ,,reeds voor een buitenstaander” toch opmerkelijk moet zijn dat Van Geelkerken zich uitgerekend meldt bij een kerkgemeenschap, ,,welke zo scherp zich tegen de NSB en haar leer had gesteld en onder haar leidende figuren de felste publieke en principiële oppositie kende uit de tijd zowel voor als tijdens de bezettingsdagen”.

Ter illustratie noemt hij de redevoeringen die prof. dr. K. Schilder tegen de NSB heeft afgestoken. ,,Is in zulke kerken een oppervlakkige behandeling van een bekering als de onderhavige reeds onwaarschijnlijk – evenmin voor de hand liggend is het feit dat iemand als Van Geelkerken juist daar de ook voor hem wettige gemeenschap der kerk zocht.”Ds. H.J. Schilder meldt verder uit eigen ervaring, hoe Van Geelkerken in de pastorale gesprekken in de gevangenis ,,nimmer een algemene betuiging van schuld uitsprak, doch immer een gespecificeerde en concrete. In het eerste geval zou zij van weinig waarde zijn, daar zulk een algemene erkentenis van ‘verkeerd te hebben gehandeld’ gemakkelijk genoeg is, zeker wanneer de geschiedenis een keer ten ongunste der nationaal socialistische leiding genomen heeft. In het andere geval echter moet iemand blijk geven van gronden en motieven die hem zo doen spreken. Met name is hem (Schilder, red.) opgevallen, dat de schuld werd aangewezen als gelegen in de verheerlijking der totalitaire staatsgedachte, welke – zoals Van Geelkerken thans erkent – een hoogmoedig vergrijp is tegen de verhoogde Jezus Christus, als de enige wien (door zijn Vader) een totalitaire macht in de hemel en op aarde is gegeven.”

In de slotpassage van de brief wijst Schilder erop dat hij er niet over kan oordelen in hoeverre Van Geelkerken de doodstraf, dan wel een andere straf verdient. ,,Evenwel, voorzover het in juridische zin mogelijk blijkt met deze overwegingen rekening te houden, acht hij het zijn plicht deze ter Uwer kennis te brengen. Indien immers een schuldige zich gebogen heeft onder het hoogste goddelijke recht, rijst de vraag of de rechter, die in naam van deze God spreekt, hem nog in dezelfde mate van zwaarte onder de rechtsuitspraak moet doen doorgaan.”

Zware straf
De grote vraag is uiteraard welke rol deze brief heeft gespeeld in het proces. ,,Geen enkele”, veronderstelt historicus Van der Boom. De ontlastende verklaringen over Kees’ betrokkenheid bij de vrijlating van ds. Overduin en tekenaar Jo Spier uit Dachau, zijn inzet voor enkele met deportatie bedreigde Joden, evenmin. ,,Hij heeft de zwaarst uitvoerbare straf gekregen”, zegt Van der Boom. De rechtbank oordeelt doodstraf gerechtvaardigd, maar dat die wordt omgezet in levenslang, heeft hij Van Geelkerken volgens Van der Boom te danken aan de net aangetreden koningin Juliana, die af wilde van de executies.

In 1959 komt Van Geelkerken vervroegd vrij en poogt de draad van zijn leven op te pakken. ‘Kees de Prater’ kan als vertegenwoordiger aan de slag bij een medicijnenbedrijfje in Soest. Erg kerkelijk was hij toen niet, vertelde mevrouw Van Geelkerken ooit aan Van der Boom. Maar evenmin liet hij zich in met de clubs van oud-NSB’ers. ,,Hij had er een streep onder gezet”, zegt Van der Boom, ,,maar onduidelijk is of hij dat deed omdat hij er nu zoveel spijt van had, of omdat hij er niet aan herinnerd wilde worden dat het op een enorme mislukking was uitgelopen. Ik denk dat de mislukking veel meer op hem drukte, dan het feit dat de NSB zich had laten meeslepen in een weerzinwekkende gedachtengang.”

Na zijn pensionering leiden de Van Geelkerkens een teruggetrokken bestaan in een huisje in Lunteren, ver buiten de bebouwde kom. De zelfgekozen eenzaamheid in het niemandsland valt de gezelligheidsmens erg zwaar, daarom overweegt hij nog een emigratie naar Duitsland, waar hij als onbekende een nieuw bestaan kan opbouwen. Maar voor hij de plannen ten uitvoer kan brengen, wordt hij geveld door een hartaanval.

De teraardebestelling in Lunteren, op 2 april 1976, wordt druk bezocht. Omdat ook allerhande ex-NSB-volk is toegestroomd, houdt de politie een oogje in het zeil. ,,Dominee”, had Van Geelkerken bij zijn leven nog gezegd met het oog op zijn begrafenis, ,,spreek maar veel over God en weinig over Kees.” Zoveel zelfkennis had-ie inmiddels wel.Dit artikel is geschreven, mede op basis van een uitzending die Wim Eikelboom en Koos van Noppen maakten voor het EO-programma De Ochtenden, maandag 6 mei, radio 1, 11.00 uur.(4 mei 2002)

Gepost op

Oud zeer

Kincaid was korporaal van het 7e Bataljon, The Argyll and Sutherland Highlanders, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zijn eenheid verdedigde andere Britse troepen tijdens de evacuatie van Duinkerken. De toen 21-jarige soldaat werd op een gegeven moment door Duitse troepen beschoten. „Ik voelde dat ik in mijn nek was geschoten, maar dacht dat de kogel er weer uit was gekomen.” De Duitsers namen de gewonde Kincaid krijgsgevangen en brachten hem naar een ziekenhuis, waaruit hij wist te ontsnappen. Nadat hij in Nederland opnieuw gevangen was genomen, verbleef hij vijf jaar in een krijgsgevangenenkamp in Beieren.

Kincaid heeft overigens van zijn arts het advies gekregen de kogel gewoon in zijn nek te laten zitten, omdat hij er de afgelopen zestig jaar toch geen last van heeft gehad.

Gepost op

Joodse gemeenschap werkt aan digitaal monument

In oktober 2003 zal op internet een digitaal archief worden gepresenteerd. Hierin komen de biografieën van de ruim honderdduizend joden te staan die tijdens de oorlog zijn opgekomen. Het project wordt gefinancierd door de Nederlandse verzekeraars, die een schenking van ruim 2 miljoen euro hebben gedaan. De verzekeraars maken hiermee een gebaar naar de joodse gemeenschap. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben de verzekeraars veel geld verdiend aan joodse polissen.

Archiefwerk
Het archiefwerk wordt verricht door het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam. Er werken op dit moment vijftien mensen aan de verwerking van alle informatie. ,,Nederland kende op Polen na de grootste jodenvernietiging van Europa: 87 procent van de joodse bevolking overleefde de Duitse bezetting niet. Van elk joods gezin komt een biografie en een zo gedetailleerd mogelijke beschrijving van hun leven op de site te staan.”

De informatie over de overledenen wordt geworven uit oude archieven van de burgerlijke stand en inventarissen die Nederlandse politieambtenaren voor de Duitsers hebben gemaakt. Van 5000 joden is de biografie op dit moment al klaar.

Bron: Sp!ts