Crashes in Wijnandsrade, Zuid-Limburg
door E.H. Brongers, december 1997 INLEIDING Bovenstaande titel vereist wellicht enige toelichting. Nadat ik in mei 1984 bij het NATO-hoofdkwartier AFCENT te Brunssum werd geplaatst, vond ik een woning in het dorp Wijnandsrade, thans behorend tot de gemeente Nuth. De plaatselijke heemkundevereniging verzocht mij in 1994 onderzoek te verrichten naar hetgeen er tijdens de Tweede Wereldoorlog in Wijnandsrade was gebeurd. Er bleek zich daar meer te hebben afgespeeld dan men voor een toch wat afgelegen dorp zou verwachten. Het resultaat werd onder meer vastgelegd in een boek dat in 1995 door de genoemde heemkundevereniging werd uitgegeven. Het onderzoek had zich mede gericht op twee Britse bommenwerpers, die in september 1940 resp. september 1944 binnen het grondgebied van de toenmalige gemeente Wijnandsrade neerstortten. Door contacten met overlevende bemanningsleden en familieleden van de omgekomen luchtmachtmillitairen, ontstond een gedetailleerd beeld van wat zich vòòr, tijdens en na de rampen afspeelde. DE EERSTE CRASH. In de voor de Britten kritieke periode van wat wordt genoemd ‘De Slag om Engeland’ had de Royal Air Force uiteraard de handen vol aan de verdediging van het Britse eiland. De bombardeervloot bleef echter doelen in Duitsland en de bezette gebieden aanvallen, ook om het moreel van het thuisfront hoog te houden. Dergelijke operaties waren in die periode nog klein van omvang. Bij één van die vluchten werden de bewoners van het in Zuid-Limburg -nabij Nuth- gelegen dorpje Wijnandsrade voor het eerst met de luchtoorlog geconfronteerd. Dat gebeurde in de nacht van 2 op 3 september 1940. Op last van ‘Bomber Command’ van de Royal Air Force waren vanaf de basis Hemswell in Lincolnshire acht tweemotorige bommenwerpers van het type Handley Page Hampden opgestegen, alle van No. 144 Squadron. Doel was het bombarderen van de petrochemische ‘Leuna’ fabrieken te Ludwigshafen, op de linker Rijnoever. Als laatsten startte om 21.25 uur Britse tijd de Hampden met het nummer P4370. Het toestel had een vierkoppige bemanning, bestaande uit de vlieger: Pilot Officer (=tweede luitenant) R.S.A. CHURCHILL, de navigator: Pilot Officer I.C. KIRK en twee radiotelegrafisten, tevens boordschutter: de sergeanten A.C.H. EDMEADS en A.E. WALKER. De route werd zodanig gekozen dat bekende, door veel luchtafweergeschut verdedigde plaatsen als Antwerpen, Brussel, Luik en Aken werden vermeden. Aanvliegend tussen Aken en Luik op een hoogte van ongeveer 3350 meter zag men in de verte zoeklichten de lucht aftasten: één helwitte bundel met daaromheen een aantal zwakkere. Ze schenen aanvankelijk in westelijke richting, terwijl de Hampden een noordoostelijke koers volgden. Niet ver van Maastricht, zwenkte plotseling het sterke zoeklicht en ving de Britse bommenwerper in zijn bundel. Ook de andere zoeklichten richtten zich nu op het vliegtuig. Met wilde vliegbewegingen trachtte Pilot Officer Churchill aan het licht te ontsnappen; helaas zonder succes. Ondertussen bleef de luchtafweer zwijgen. Dat was geen goed teken, want doorgaans gebeurde dat slechts indien er nachtjagers in de lucht waren! De vrees werd bewaarheid, want plotseling riep sergeant Walker: ‘Er zit een Messerschmitt op onze staart!’, waarop Churchill schreeuwde; ‘Schiet de bastaard dan neer!’ Beide boordschutters -Walker en Edmeads- openden met hun mitrailleurs het vuur op de aanvallende Duitse jager, een Messerschmitt-109 die -naar later bleek- werd gevlogen door Feldwebel Paul Gildner. Het vuur van de Duitser was echter nauwkeuriger en doodde al bij de eerste aanval zowel Edmeads als Walker. De geur van kruit vulde het vliegtuig en de plotselinge zwenkende vliegbewegingen van de piloot deden ook Pilot Officer Kirk naar zijn mitrailleur grijpen. Maar vóór hij dat kon doen kreeg hij een schampschot op zijn hoofd. Churchill zei later dat hij hem had horen roepen; ‘Ik ben getroffen’. Kirk raakte korte tijd buiten bewustzijn, maar kwam spoedig weer bij zijn positieven. In zijn later opgemaakt verslag schreef hij onder meer: ‘Onze Hampden slingerde stuurloos door de lucht. Veronderstellend dat ik de enige overlevende was, probeerde ik mij door de nauwe toegang een weg naar de cockpit te banen om daar de besturing over te nemen. Ik stootte mijn hoofd aan iets en raakte wederom bewusteloos. Dat moet niet langer dan enkele ogenblikken zijn geweest. Ik wam bij in een kluwen van verwrongen metaal en kabels. Ik trachtte mij met behulp van mijn voeten uit de warboel terug te trekken. Ik moest beslissen tussen overleven of sneuvelen. Met mijn mitrailleurkolf vernielde ik alles wat ik kon: instrumenten, bommenrichttoestel enz. en gooide alle papieren, codeboeken en mijn wapen naar de achterkant van de romp. Dat was namelijk de meest kwetsbare plaats van een neerstortend vliegtuig. Neerstorten was nu voor de P4370 onvermijdelijk geworden. Ik gespte mijn parachute om, opende het ontsnappingsluik en dook in de luchtstroom van de propellers, waar ik in volledige duisternis terecht scheen te komen. Mijn parachute opende zich nog net op tijd om me in de kruin van een boom te laten belanden’. Hoe was het ondertussen Pilot Officer Churchill vergaan? Volgens zijn verslag werden de beide boordschutters al bij de eerste aanval gedood. De volgende vernielde de besturingsinstrumenten en zette de linker motor en de benzinetanks in vlammen. Kogels kletterden tegen de achterzijde van de pantserplaat die hem in de rug beschermde. Het richtingsroer en de vleugelkleppen gehoorzaamden niet meer. Churchill besloot toen het toestel via het cockpitdak te verlaten. Maar ook daarbij ging er iets mis: ‘Enkele seconden later zat ik muurvast, met mijn hoofd en schouder buiten het toestel. Na enig geworstel schoot het dak plotseling open en werd ik door de luchtstroom, minus laarzen, in het donker tegen de staart van de Hampden gezogen, waarbij ik enkele botten in mijn voet brak. Als gevolg van de klap tuimelde ik als een trapeze-acrobaat door de lucht, totdat de parachute zich met een ruk ontvouwde. Ik kan mij niet herinneren aan het touw te hebben getrokken, maar ik ben blij dat ik het heb gedaan, want ik maakte een nogal zware landing, met gesprongen trommelvliezen en een gebroken enkel.’ Het zwaar getroffen vliegtuig stortte met de twee dodelijk gewonde boogschutters neer en boorde zich omstreeks 00.45 uur met een enorme klap diep in de grond. Dat gebeurde bij het toen reeds aanwezige tracé van de huidige autoweg Heerlen-Eindhoven (A76), noordoost ten oosten van Wijnandsrade. De sergeanten Edmeads en Walker waren in het vliegtuigwrak verbrand en werden tijdelijk in Wijnandsrade begraven. Bij oprgraving konden ze aanvankelijk niet worden geïdentificeerd. Dat lukte pas nadat Kirk en Churchill inlichtingen hadden gegeven. Sergeant-radiotelegrafist en boordschutter Anthony Charles Henry EDMEADS was 22 jaar oud toen hij stierf. Hij was een zoon van Charles Frederick John- en Alice Edmeads uit Swindon, Wiltshire Engeland. Sergeant-radiotelegrafist en boordschutter Albert Eric WALKER bereikte de leeftijd van 24 jaar. Hij was een zoon van Albert en Lily Walker uit Charlemont, West Bromwich, Staffordshire in Engeland. Beiden werde op 12 september 1940 herbegraven in het militaire gedeelte van de algemene begraafplaats aan de Tongerseweg te Maastricht, waar ze tot op de huidige dag liggen (Rij 3, de graven 138 resp. 139). Een erewacht van de Luftwaffe bewees hen de laatste eer; een hoffelijke traditie die de Duitsers in de periode van hun overwinningen -zoals in 1940- nog handhaafden. We zullen thans bezien hoe het de twee overlevenden verder verging. Pilot Officer Kirk wist zich uit de boom waarin hij terecht gekomen was los te maken en verborg allereerst zijn parachute onder een brug. In de duisternis kon hij geen levende ziel ontdekken, waarop hij besloot om navigerend op de sterren naar het westen te lopen. Even voor zonsopgang ontmoette hij een boer die hem meenam naar zijn woning om hem daar te verzorgen. Het was de boerderij van de familie Severens, niet ver van kasteel Rivieren. Veel tijd werd hen niet gegund. Terwijl de hulpvaardige Severens het bloed van Kirks bloed waste, werden ze door een Duitse patrouille verrast. Die bracht de officier naar Maastricht, waar hij langdurig door de Duitsers werd verhoord. Daarbij vernam hij ook dat de sergeanten Edmeads en Walker het ongeluk niet hadden overleefd en dat zijn collega Chruchill het toestel nog tijdig had kunnen verlaten. Vervolgens werd Kirk voor geneeskundige behandeling overgebracht naar het z.g. Hoofdlazaret, gevestigd in het klooster van de paters Jezuiëten aan de Tongersestraat te Maastricht. Bewaard gebleven dagrapporten van de chef-arts der lazaretten Dr. P. Leith geven nauwkeurig weer wat er daarna gebeurde. De volgende citaten zijn er aan ontleend; daarbij zijn medische termen door gangbare Nederlandse woorden vervangen: ‘3 september 1940 (…) Vandaag steeg de bezetting met een gewonde. Het was de Pilot Officer I.G. Kirk uit Aokland, Nieuw Zeeland (…) Veel vertelde deze man niet; hij was zeer gesloten en achterdochtig. Niemand vertrouwde hij ook maar iets toe van zijn belevenissen van de afgelopen nacht. Hij werd ‘s nachts door enkele Duitse officieren binnengebracht, waarna hij werd onderzocht door de inwonende internist, Dr. Beukers. De vliegenier had een schampschot op de kruin van zijn hoofd en een lichte hersenschudding. Daar de Duitsers de zaak niet vertrouwden werd hij voorlopig op een brancard ondergebracht in de Duitse ‘Nachtstube’, totdat hij in de morgen door een chirurg zou worden onderzocht. In de loop van de dag stond de piloot nogal in de belangstelling. Vroeg in de morgen kwam al een officier van de FLAK, die hem had neergeschoten (zo vertelde hij) met het bericht dat hij de piloot op transport moest stellen naar Eindhoven. Inmiddels was Kirk even door de leidende chirurg gezien en ook door de neuroloog. Besloten werd de wonden uit te snijden en te hechten, hetgeen onder plaatselijke verdoving gebeurde. Gedurende de opratie werd hij bewaakt door een Duitse soldaat van de wacht. Vanwege zijn hersenschudding werd de patiënt niet transportabel geacht. Op last van de Duitsers mocht hij zich met niemand onderhouden en werd daartoe in een afzonderlijke kamer ondergebracht, waar een Duitser dag en nacht de wacht hield. Deze wachtpost moest er op toezien dat een en dezelfde dokter en dezelfde verpleegster hem verzorgden, liefst een verpleegster die geen Engels sprak. Ook kwamen enkele Duitse officieren gedurende de nacht naar Kirk. Zij kwamen van de ‘Kommandantur’. De een was een ‘Hilfarzt’, de ander een ‘Stabarzt’. Er kwam telefoon uit Den Haag en ook uit Oberursel, dat overbrenging noodzakelijk was. Ondanks alles bleef hij dankzij zijn hersenschudding bij ons in bed. Een tweede gewonde uit hetzelfde vliegtuig, die een verstuikte voet had en ook vandaag zou worden overgebracht naar Maastricht, hebben wij nooit gezien (…). 6 september 1940 (…) De Engelse vliegenier Kirk (…) werd vandaag afgehaald per ambulance door een zekere dokter Kraus, nadat de Duitse Stabarzt onder protest hem transportabel had verklaard. Velen hadden om het bezit van deze vliegenier gestreden: Eindhoven, Den Haag, Overursel en nu werd hij overgebracht naar een kamp in Wiesbaden, naar ik meen. Dat hij gezond en wel in Duitsland was aangekomen bleek later wel, teon hij een briefkaart naar de chef-arts schreef om hem te bedanken voor alle goede zorgen. Verder schreef hij dat hij het in Duitsland goed had (…) 7 september 1940 (…) Al heel vroeg in de morgen telefoon uit Oberursel om naar de gezondheidstoestand van de gisteren afgehaalde Kirk te informeren. De daar aanwezige officier, luitenant Hoffman, was over het verloop van de zaak niet te spreken en gaf als zijn mening dat men Kirk niet had mogen afvoeren (…). 9 september 1940 (…) Een Duitse vliegenier kwam vanuit Brussel voor een vriend informeren, of het mogelijk was dat zijn vriend Kirk was neergehaald. Zonder dat wij enige informatie hadden ingewonnen in Engeland, hebben wij het vermoeden dat Kirk de piloot was, of anders een vooraanstaand vliegenier. Niet alleen de belangstelling voor hem wijst in die richting, maar ook de speciale behandeling (afzondering). Dit in tegenstelling tot andere geallieerde officieren van land- en luchtmacht, die zich vrij mochten bewegen binnen het klooster en zelfs konden ontsnappen (…) Tot zover deze citaten. Waarom de Duitsers zo’n belangstelling voor Kirk hadden is niet duidelijk. Een krijgsgevangene van uitzonderlijke waarde kan hij niet geweest zijn. Wellicht ook heeft de arts de betekenis van de drukte rond de gewonde officier wat overschat. Kirk was eerst naar Wiesbaden getransporteerd. Daar schreef hij de eerder genoemde briefkaart aan Dr. Leith. Later volgde overplaatsing naar het krijgsgevangenkamp ‘Stalag Luft III’ bij Sagan in Silezië, waar hij tot het einde van de oorlog verbleef. Hij ontmoette er ook de andere overlevende van de vliegtuigramp. Deze laatste, Pilot Officer Churchill had zich na zijn landing eveneens van zijn parachute ontdaan. Met een verstuikte voet -zijn mededeling over een gebroken enkel is onjuist- ging hij in het nachtelijk duister op zoek naar hulp. Dat kostte vrij veel tijd en eerst bij het aanbreken van de dag bereikte hij strompelend een woning, waar hij gastvrij werd ontvangen. De moeder en twee dochters hadden hem naar zijn zeggen ‘voedsel, drank en sympathie’ gegeven en zijn voet in een bad gedaan. Het door hem bedoelde huis lag in het tot Wijnandsrade behorende gehucht Brommelen en werd bewoond door de familie Jongen. De vader in het gezin, Jan Hubert Jongen, (… 1966) was ‘s nachts wakker geschrokken door de klap waarmee het vliegtuig neerkwam. Hij kleedde zich onmiddelijk aan en spoedde zich als eerste naar de onheilsplek, om te zien of er nog iets te redden viel. De restanten van de machine brandden als een fakkel en het geknetter van exploderende munitie was in de wijde omtrek te horen. Dichterbij komend, werd de tocht door deze explosies en de helse hitte steeds moeilijker. Op handen en voeten trachtte hij nog te naderen, maar tenslotte moest de levensgevaarlijke poging worden opgegeven. Terugkerend vond hij een trommel, die naar hij dacht touw bevatte. Vervolgens ontmoette Jongen een tweetal marechaussees van de Brigade Hoensbroek, die eveneens op weg waren naar het wrak. Ze hadden op de brug over het spoor bij Terlinden gestaan en het toestel zien neerstorten. De door vader Jongen meegenomen trommel werd door hen in beslag genomen. Deze bleek overigens geen touw, maar een band mitrailleurpatronen te bevatten. Langzamerhand kwamen er steeds meer mensen op straat. De heer Jongen had nu geen tijd meer om zich met de zaak bezig te houden. Hij werkte bij de Staatsmijn Emma, had vroege dienst en vertrok om 05.00 uur naar Treebeek. Ongeveer een kwartier later werd er aan de voordeur van zijn huis gebeld. Mevrouw Jongen keek van boven uit een raam en zei tegen haar bijna 15-jarige zoon (Jan Jozef Jongen): ‘Ik geloof dat er een piloot voor de deur staat!’ Ze had het goed gezien. Toen ze open deed zag ze een man in een vliegeroverall. Hij had geen laarzen aan en liep op sokken. Eén enkel was sterk opgezwollen. Hoewel ze elkaar niet konden verstaan, trad moeder Jongen ogenblikkelijk handelend op. Ze bracht de strompelende vliegenier naar de keuken en zette hem op een stoel. Vervolgens gaf ze haar oudste dochter Geertruda opdracht de fiets te pakken en haar man op de Staatsmijn Emma te waarschuwen. Ze moest zeggen dat hij onmiddelijk thuis moest komen omdat de tweede dochter Maria zo ziek was! De vlieger werd daarna de trap opgeholpen om hem voorlopig op het bed van zoon Jan te laten rusten. Hierdoor kreeg ze gelegenheid om het ouderlijk bed op te maken en van schone lakens te voorzien. Ze vond dat de gastvrijheid gebood de bezoeker de beste slaapkamer te geven. Ondertussen was vader Jongen thuisgekomen. Die wist niet zo snel wat hij met het geval aan moest en ging om raad vragen bij de hoofdonderwijzer van de Lagere School te Wijnandsrade, de heer Hendrik A. Baggen. Laatsgenoemde hoorde het verhaal aan en dacht dat het het beste was om hen de beiden bekende marechaussee Sanger in te lichten. Deze woonde in Hoensbroek. Baggen voegde er nog aan toe: ‘Kijk uit voor je gezin!’ Deze waarschuwing had waarschijnlijk betrekking op een op 17 augustus 1940 uitgegeven bekendmaking van de ‘Wehrmachtsbefehlshaber’ Christiansen, waarbij hulpverlening aan geallieerde vliegers werd geboden en in bepaalde gevallen zelfs met de doodstraf werd bedreigd. Jongen deed wat hem aangeraden was en korte tijd later arriveerde de marechaussee Sanger met nog twee collega’s per motorfiets bij zijn huis. De mannen gingen naar binnen, bezagen de situatie en vertrokken weer. Voor de familie Jongen bleef de conversatie met de Britse vlieger uiteraard een lastige zaak. De Engelsman had zijn naam op een (bewaard gebleven) stukje papier geschreven: RICHARD SYDNEY ALBION CHURCHILL. Hij demonstreerde geen last van zenuwen te hebben, door er op te wijzen dat hij een hem aangeboden kopje koffie zonder trillen in zijn opgeheven hand kon houden. Churchill vertelde later dat hij van een van de dochters een landkaart kreeg. Hij had toen het plan opgevat om met een boot de kust te bereiken en naar Engeland te ontsnappen. Zijn toehoorders begrepen slechts dat hij vroeg waar de Maas lag en of er een boot beschikbaar was. Voorts zei Churchill dat hij geprobeerd heeft om aan de familie duidelijk te maken dat hij zou vertrekken, zodra het donker werd. Hij benadrukte daarbij dat ze niets aan de Duitsers moesten vertellen. Volgens de Pilot Officer was hij er door de taalmoeilijkheden kennelijk niet in geslaagd, deze boodschap over te brengen. Vervolgens was hij weer naar bed gebracht. Bij zijn ontwaken zag hij twee Duitsers met getrokken pistool naast zijn bed. Wat was er gebeurd? Vijandelijke militairen hadden inmiddels de omgeving afgezocht. Daarbij liepen ze ook een keer om het huis van de familie Jongen, zonder aan te bellen of iets te vragen. ‘s Middags omstreeks 15.00 à 15.30 uur kwamen tenslotte de door de marechaussee ingelichte Duitsers de officier-vlieger ophalen. Hij werd van zijn bed gelicht en -ondersteund door twee Duitse militairen- in een gereed staande open auto gehesen. Churchill meldt dat hij daarna rechtstreeks en zonder stoppen naar het hospitaalblok van een krijgsgevangenkamp te Oberursel nabij Frankfurt is gebracht. Daar werd hij enkele dagen -zonder succes- ondervraagd. Van het internationale Rode Kruis vernam hij officieel dat zijn beide boordschutters gesneuveld waren en het feit dat Pilot Officer Kirk in leven was. Tenslotte belandde ook hij in het krijgsgevangenschap Stalag Luft III in Silezië, waar hij Kirk weer ontmoette. Beiden kregen tijdens hun gevangenschap te horen dat zij bevorderd waren tot Flight Lieutenant (= Eerste Luitenant). Op 24 maart 1944 nam Churchill deel aan de grote ontsnappingspoging die als de ‘Great Escape’ de geschiedenis zou ingaan. Via een gegraven tunnel ontsnapten ongeveer 70 man. Slechts een drietal slaagde er in om uiteindelijk Engeland te bereiken. Daarbij was ook Bob van der Stolk, bijgenaamd ‘Oorlogsvlieger van Oranje’. Vijftig man werden door de vijand achterhaald. Tegen alle oorlogsregels in werden ze door de Gestapo (Geheime Staats Polizei) op wrede wijze verhoord en tenslotte terechtgesteld. Churchill behoorde tot de weinigen die na zijn arrestatie in het krijgsgevangenenkamp kon terugkeren. Waarom hij werd gespaard weten we niet. Er is wel verondersteld dat zijn naam hem het leven heeft gered. Wellicht hebben de Duitsers iets bijzonders in hem gezien en de mogelijkheid niet uitgesloten dat hij familie was van de Britse premier Winston Churchill. Zowel Churchill als Kirk keerden na hun bevrijding door het Sovjetleger behouden in Engeland terug. DE TWEEDE CRASH Ruim vier jaar na het neerstorten van de Hampden kwam wederom een Brits toestel bij Wijnandsrade neer. Het dorp was toen al enkele dagen door de Amerikanen bevrijd. In die tijd vonden bombardementen op Duitsland op grote schaal plaats. In de nacht van zaterdag 23 op zondag 24 september 1944 was onder meer de stad Neuss het doel van niet minder dan 549 zware bommenwerpers van de types Lancaster en Halifax. In totaal verloren de geallieerden in die nacht 20 Lancasters en 2 Halifaxes. Die laatste twee kwamen in de provincie Limburg terecht: één bij Wijnandsrade; de andere bij het gehucht Moesel nabij Weert. Het toestel dat bij Wijnandsrade neerstortte was een Handley Page Halifax III van Nr. 10 Squadron met het serienummer M2574W. Om 19.25 uur Engelse tijd was het opgestegen vanaf de ‘Melbourne-base’ in Engeland. Commandant en vlieger was Flying Officer G.R.G. KITE van de Royal Canadian Air Force (RCAF). Ook zijn navigator, Pilot Officer G. CHORLEY was een Canadees. De overige leden van de zevenkoppige bemanning behoorden tot de Royal Air Force. Dat waren de Flight Sergeants (= seregeanten-majoor) H.J. MALING (bommenrichter en 2e navigator), A.G.T. SAUNDERS (radiotelegrafist), V. SIMMONDS, F.P. MANNION (beiden boordschutter) en Sergeant J.Mc. GIVERON (boordmecanicien). Na aan het bombardement op Neuss te hebben deelgenomen, werd het toestel op de terugvlucht -in de omgeving van Krefeld- al spoedig aangevallen door een Messerschmitt-110 nachtjager. Deze werd gevlogen door Hauptmann (=kapitein) Ernst-Wilhelm MODROW, die in deze nacht twee bommenwerpers neerhaalde. Hij was een ‘expert’ die in totaal 33 nachtelijke overwinningen op zijn naam zou krijgen. In de Halifax had men de Duitse belager niet gezien. Dat is verklaarbaar, want in 1943 was voor de Messerschmitt-110 nachtjager een speciale bewapening aangebracht, die ‘Schräge Musik’ werd genoemd. Deze bestond uit twee naar boven vurende 2 cm snelvuurkanonnen die met een hoek van 70 tot 80 graden achterin de cockpit waren aangebracht. Dat maakte een aanval op de onderzijde en in de dode hoek van de geallieerde nachtbommenwerpers mogelijk. De Halifax werd zodanig getroffen dat Kite zijn bemanning opdracht gaf het vliegtuig zo snel mogelijk te verlaten. Men bevond zich toen nog boven door de Duitsers bezet gebied. Zelf bleef hij op zijn plaats om te trachten een noodlanding te maken achter het nabijgelegen Amerikaanse front. Tijdens het dalen raakte de machine echter enkele boomtoppen, plofte neer en brandde zich als het ware in de grond nabij de boerderij Brommelerhof, op ongeveer 2 km ten oosten van Wijnandsrade. Op dat moment bevond zich -behalve Kite- ook de radiotelegrafist Saunders nog in het toestel. Beiden kwamen om het leven. Alle overige bemanningsleden konden zich met hun parachutes redden. In de Brommelerhof, bewoond door de familie Snijders, hoorde men het lawaai van het neerstortende vliegtuig. Mevrouw Snijders had eens voorzichtig uit een raam gekeken. Kennelijk aan de verkeerde zijde van het huis, want ze zag op dat moment niets bijzonders. De volgende morgen -aldus de heer C.J.M. Snijders- was de omgeving door Amerikaanse militairen afgezet. De beide gesneuvelden waren al geborgen. Het waren Flying Officer George Robert Graham KITE, 22 jaar en zoon van George R. en Janette B. Kite in Rapid City, Manitoba in Canada; voorts Flight Sergeant Alexander Gray Thomas SAUNDERS, eveneens 22 jaar oud en zoon van Thomas T. en Jemina Saunders uit Bailieston, Lanarkshire in Schotland. Ze rusten op de militaire begraafplaats te Leopoldsburg in België, in de graven 7.E.19 en 7.E.20. Hoewel de bommenwerper in de bevrijde zone was neergekomen, kwamen de uit de machine gesprongen bemanningsleden allen in door de Duitsers bezet gebied terecht. De staartschutter, Flight Sergeant Mannion, beschreef zijn belevenissen als volgt: ‘Na ons doel Neuss te hebben gebombardeerd, keerden we terug. Kort daarna was er een hevige knal in de richting van de voorzijde van het vliegtuig en een andere achter mijn positie in de achterste mitrailleurkoepel. Het moet zeer ernstig zijn geweest, daar George Kite onmiddelijk bevel gaf om uit het toestel te springen. Zijn exacte woorden klinken nog in mijn oren:â€Hé jongens, er uit!†vervolgens hoorde ik George heel kalm praten en antwoord geven op een vraag van de navigator Chorley. Hierna hielden de stemmen op en ik kreeg geen antwoord over de intercom. Ik had moeilijkheden met het openmaken van de deuren in de achterste mitrailleurkoepel; ze klemden. Na wat voor mij een eeuwigheid scheen, slaagde ik er in de koepel te laten draaien en de deuren te openen. Ik dacht toen de laatste man aan boord te zijn, deed mijn parachute om, ontdeed mij van mijn helm, sprong uit de koepel en verloor vallende mijn vliegerlaarzen. Ik weet niet waar de anderen landden, maar ik bereikte de grond bij een dorp of gehucht, waarvan ik mij de naam niet herinner, maar ik geloof dat die begon met de letter W. Er stond tamelijk veel wind en het was zeer donker. Het was een moeilijke landing waarbij ik letsel aan mijn knie en rug opliep; ik heb daar sinds die tijd voortdurend moeilijkheden mee.’ Flight Sergeant Maling bevond zich geheel vóór in het toestel. Ook hij vermeldt het kalme gedrag van de vlieger George Kite, die hen al veilig door 32 operationele vluchten had geleid. Voorts schreef hij: ‘De uiterst linker motor stond in brand en ik herinner mij een of twee kleine explosies ergens beneden in de romp (…) Ik maakte het luik in de neus van het toestel open en was de eerste die er uit sprong. Alex Saunders, onze telegrafist, stond vlakbij mij en ik veronderstelde dat hij mij zou volgen. Mijn enige gedachte op dat moment dat er buiten ongeveer 500 viermotorige vliegtuigen waren en dat ik op mijn weg omlaag 2000 propellers uit de weg moest gaan!’ Gelukkig maakten de propellers geen gehakt van hem en even later landde hij veilig in een suikerbietenveld. Overigens was het voor zowel Mannion als Maling de eerste maal van hun leven dat zij een parachutesprong maakten! Alle overlevenden werden door de Duitsers gevangen genomen. Flight Sergeant Frank Mannion vertelt hier zijn verdere belevenissen. ‘Ik werd krijgsgevangen gemaakt en opgesloten in de kelder van een gebouw bij het dorpsplein. Hoog in een wand bevond zich een traliewerk, precies boven straatniveau. Door te bukken konden de mensen mij zien, maar ik het plein niet. Er kwam veel lawaai uit een kelder naast de mijne. Eerst dacht ik dat het een grote hond was, maar later bleek het een varken te zijn. Ik was nog in het bezit van mijn ‘Royal Air Force-Ontsnappingspakket’ dat achter de voorzijde van mijn battle dress was opgeborgen en niet was opgemerkt. Er was een kleine opening tussen de vloer en de wand en ik slaagde er in de map met vreemd geld enz. uit het pakket te halen en in de holte te laten verdwijnen. Dikwijls vraag ik mij af wat er mee gebeurd is. Terwijl ik in de kelder was, kwam een afdeling Duitse pantsertroepen het plein op en een oudere officier kwam binnen om mij te zien; ik denk uit nieuwsgierigheid. Hij was heel vriendelijk en aardig. Daarna bracht men mij onder gewapend escorte met een legervoertuig naar Krefeld en per trein naar Düsseldorf. Daar werd ik op een vliegveld in een beveiligde cel gestopt. De volgende nacht werd ik weer vervoerd en terwijl we door Düsseldorf reden, loeiden de luchtalarmsirenes. Mijn bewakers brachten me in een schuilkelder met vele burgers. Ik droeg mijn uniform en men kon duidelijk zien wie ik was, maar gelukkig scheen niemand dat op te merken (…). Enkele dagen later ontmoette ik H.J. Maling en we brachten samen de rest van de oorlog door…’ Het toestel bij de Brommelerhof werd op 25 september vrijgegeven. Een ieder die dat wilde kon er bij en het eventueel ‘slopen’. Van dat laatste werd een grondig gebruik gemaakt. Zo werden de motoren door een oud-ijzerhandelaar uit Spekholzerheide meegenomen. De heer Snijders had onder meer twee wasmanden vol mitrailleurpatronen, die eerst enkele maanden later door militairen werden opgehaald. Op de Brommelerhof bevinden zich thans nog een wiel en een driebladige propeller van de verongelukte Halifax. BRONNEN Brongers E.H. ‘Wijnandsrade in de Tweede Wereldoorlog’; Wijnandsrade 1995. Jongen J.J. ‘Verslag van oorlogsherinneringen in Wijnandsrade; niet uitgegeven; z.j. Leith, Dr. P. Dagrapporten Hoofdlazaret Maastricht 1940 Pütz R ‘Duel in de wolken’ -de luchtoorlog in de gevarendriehoek Roermond-Luik-Aken; Amsterdam 1994 Walker M ‘His last raid 2/3 Sept. 1940’; studie; Trividale Warley; niet uitgegeven; z.j. Voorts: Brieven van en interviews met F.P. Mannion te Glessop, H.J. Maling te Braintree en M. Walker te Trividale (allen U.K.). Correspondentie met P. Luyten te Maastricht en G.J. van Meegen te Eijsden. Interviews met J.J. Jongen en C.J.M. Snijders te Wijnandsrade.


