Beurs

Beurs in Voorthuizen
Op zaterdag 2 juni 2012 is de eerstvolgende boeken- en papierbeurs van de Documentatiegroep '40-'45 van 9.00-12.00 u. in Voorthuizen samen met de vereniging van kranten- en tijdschriftverzamelaars ( VKTV)
Kijk voor meer informatie onder Vereniging.
Voor andere (externe) activiteiten, zie Persberichten.

Terugblik '40-'45

Inhoud van de Terugblik van deze maand

 

Deze maand in Terugblik

 

mei 2012

  • Van de redactie

    Rotterdamse studenten die omkwamen bij het verzet in WO II

  •  

  • Duitse militaire rangen en standen

  •  

  • Burger in de frontlijn - Rotterdam 1940


  • Boekendienst

 

OnlangsVerschenen

 

Nieuws


  • Recensies

 

Verenigingsnieuws

 

  • Leden ontvangen maandelijks  Terugblik'40-'45.

     

     

Lees meer...

Inloggen

Japanse zelfmoordaanvallen in de Pacific

drs. J. Verbeek, april 1996

Ons oud-lid J. Verbeek zond ons een
uitvoerig en gedetailleerd artikel over de Japanse zelfmoordaanvallen in
de Pacific. Hij behandelt hierin niet alleen de kamikaze-vliegtuigen, maar
ook de kamikaze-duikboten. Omdat het artikel te lang is om het in een keer
te publiceren, brengen wij het in vier afleveringen.


Een integraal onderdeel van de Japanse
verdedigingsdoctrine werd gevormd door zelfmoordaanvallen. Zelfmoordaanvallen
kwamen bij alle krijgsmachtdelen voor. Het gevaarlijkst voor de landingsvloot
en de ondersteunende oorlogsschepen waren de zelfmoordaanvallen vanuit
de lucht en van over en onder water.

De Japanners hanteerden hierbij een strikte
doelprioriteit: de aanvallen vanuit de lucht werden primair op de vliegkampschepen
en grotere ondersteunende oorlogsschepen gericht, terwijl de over- en onderwateraanvallen
zich richtten op de kleinere ondersteunende oorlogsschepen en nog niet
ontladen grotere landingsschepen (bij voorkeur LST's). Het doel hiervan
was om de geallieerde slagkracht te verminderen en te verhinderen dat het
bruggehoofd met zwaar materieel versterkt zou worden. De luchtaanvallen
werden gewoonlijk op grotere afstand uit de kust uitgevoerd, nog voor dat
de eigenlijke landing was begonnen.

KAMIKAZE EN OHKA

Reeds eerder in de oorlog hadden Japanse
piloten incidenteel zelfmoordaanvallen uitgevoerd, door zich met hun Vliegtuig
op een oorlogsschip te storten, doch sedert de Zeeslag rond de Golf van
Leyte werden dit soort aanvallen georganiseerd uitgevoerd. Op 20 oktober
1944, werd op de Filippijnen de 1e Shimpu van de Marine opgericht, die
tot taak had om de Amerikaanse Vliegkampschepen te neutraliseren in de
Operatie Sho. Aanvankelijk voerden de vrijwillige piloten hun fatale missie
uit in hun organieke diensttoestellen (o.a. de Mitsubishi A6M Reisen (Zero),
uitgerust met een bom van 250 kilogram en de Yokosuka D4Y Suisei duikbommenwerper).
Later werden de als Kamikaze in te zetten vliegtuigen speciaal aangepast
door het weglaten van de defensieve bewapening, de boordschutter etc. De
Suisei duikbommenwerper werd in de Kamikaze-versie aangeduid met D4Y4,
waarvan er 296 stuks gebouwd werden. De eerste aanvallen geschiedden op
25 en 26 oktober t 944 rond de Filippijnen, waarbij het vliegkampschip
USS st. Lo tot zinken werd gebracht en de USS Kitkun Bay, de USS Kalinin
Bay en de USS White Plains zwaar werden beschadigd. De Escort Carrier Santee
werd licht beschadigd. Hoewel deze scheepsverliezen zwaar wogen, was de
inzet van Kamikazes toch geen doorslaand succes, aangezien de Amerikaanse
luchtstrijdkrachten in de voorafgaande maanden praktisch alle vliegvelden
in de Filippijnen hadden geneutraliseerd, waarbij een groot aantal inzetbare
vliegtuigen verloren waren gegaan, en waarbij de voor de Kamikazeoperaties
benodigde verkenningsvliegtuigen werden vernietigd. Voorts werd de luchtverdediging
van de scheepsverbanden versterkt. Hierop verbeterden de Japanners de tactiek
door de toepassing van groepsgewijze aanvallen onder gebruikmaking van
de dode hoeken van het luchtdoelgeschut aan boord van schepen en de afleiding
door andere vliegtuigen, die tegelijkertijd met de kamikazevliegtuigen
een conventionele aanval uitvoerden. Na de initiële successen van
de kamikazepiloten van de marineluchtvaartdienst organiseerden ook de luchtstrijdkrachten
van het Leger kamikaze-eenheden. Vanwege het eenmalige gebruik van voor
zelfmoordaanvallen aangewezen vliegtuigen, werden door de luchtstrijdkrachten
van het Leger bij voorkeur verouderde vliegtuigen of trainingsvliegtuigen
gebruikt, die werden volgestouwd met bommen en allerlei explosieven en
net voldoende brandstof kregen om hun doelen te bereiken Doorgaans waren
deze toestellen te traag en te weinig wendbaar om hun missie naar behoren
uit te voeren.

In de zomer van 1944 deed vaandrig Mitsuo
Ohta, die werkzaam was als vlieger bij de 405e Kokutai transportvliegtuigen,
het voorstel om speciaal ten behoeve van de suïcidale kustverdediging
een door een raket- of straalmotor aangedreven zelfmoordvliegtuig of -bom
te ontwikkelen. In augustus 1944 waren de plannen voldoende uitgewerkt
en konden de proefnemingen beginnen. Vooruitlopend op de testresultaten
voerde de Marine het wapen in als MXY 7 ten behoeve van de kustverdediging.
Technische gegevens MXY 7 Ohka
























 


 

model 11



 

model 22



 

model 43B



 

spanwijdte in meters    



 

5,12



 

4,12



 

9



 

lengte in meters



 

6,066



 

6,88



 

8,16



 

hoogte in meters



 

1,16



 

1,15



 

1,15



 

vleugeloppervlak



 

6 m2



 

4 m2



 

13 m2



 

leeg gewicht



 

440 kg



 

545 kg



 

1150 kg



 

geladen gewicht



 

2140 kg



 

1450 kg



 

2270 kg



 

springlading



 

1200 kg



 

600 kg



 

800 kg



 

snelheid m.p.h.



 

403



 

276



 

345



 

vliegbereik NM



 

20



 

70



 

150



    

  De MXY 7 Ohka was gebouwd van met doek bekleed
triplex en niet strategische metaallegeringen, waarbij het ontwerp was
afgestemd op gedeconcentreerde massaproduktie in onderdelen door niet technisch
geschoold personeel. Eind september 1944 waren de eerste 10 exemplaren
gereed. De testvluchten duurden tot en met januari 1945, doch ondertussen
waren er in de periode van september 1944 tot en met maart 1945 755 stuks
gefabriceerd. Hiervan werden 155 stuks gebouwd door Dai-lchi Kaigun Koku
Gijitsusho in Yokosuka en 600 stuks door Dail-chi Kaigun Kokusho te Kasumigaura.'
Het wapen moest vanwege het geringe vliegbereik van slechts 37 kilometer
door een zware bommenwerper in het doelgebied gebracht worden. Als moedervliegtuig
werd een gemodificeerde Marine Type 1 aanvalsbommenwerper Model 24J (G4M2e)
gebruikt. De voortstuwing van de Ohka geschiedde door drie Type 4Mk. 1
Model 20 vaste brandstof raketten, met een gezamenlijke stuwkracht van
800 kilogram gedurende een brandtijd van 8 10 seconden. Het wapen was vanwege
de grote snelheid en de geringe trefbaarheid vrij succesvol, aangezien
een zware springlading van 1200 kilogram op het doel gebracht werd. De
piloot werd door pantserplaten beschermd tegen het eventuele afweervuur.

Op 21 maart 1945 werd de MXY 7 Ohka voor
het eerst operationeel ingezet door de 721 e Kokutai, doch de bommenwerpers
werden onderschept en lieten hun Ohka's te vroeg los. Op 1 april 1945 werd
het Amerikaanse slagschip USS Virginia zwaar beschadigd en op 12 april
1945 werd de torpedobootjager USS Mannert L. Abele als eerste geallieerd
oorlogsschip door een Ohka voor de kust bij Okinawa tot zinken gebracht.
De Amerikanen gaven aan het wapen de codenaam 'Baka' (het Japanse woord
voor dwaas) 2

De effectiviteit van de inzet van de Ohka
werd belemmerd door het geringe vliegbereik en het langzame moedervliegtuig.
Hierop werd een verbeterde versie, de Ohka Model 22, ontwikkeld, die door
de snellere Marine bommenwerper Ginga (P1Y1) kon worden vervoerd. De meegevoerde
springlading werd teruggebracht tot 600 kilogram, zodat een groter vliegbereik
mogelijk was. De voortstuwing geschiedde door een TSU-11 straalmotor. Door
Dai-lchi Kaigun Koku Gijitinsusho werden 50 exemplaren van het Model 22
gebouwd. De massaproduktie zou geschieden door Dai-lchi Kaigun Kokusho
in ondergrondse fabrieken. De oorlog was echter afgelopen voordat de benodigde
ondergrondse fabrieken gereed gekomen waren .

Het Ohka Model 33 was een vergrote versie
van het Model 22. De voortstuwing geschiedde met een Ne-20 turbojet en
de meegevoerde springlading bedroeg 800 kilogram. Dit type moest naar het
doelgebied worden vervoerd door de Marine aanvalsbommenwerper Renzan (G8N1).
Aangezien de bouw van deze bommenwerper werd gestaakt, kwam de Ohka Model
33 evenmin in produktie.

Tenslotte werd een nog grotere versie ontwikkeld,
de Ohka Model 43A, die vanaf onderzeeboten moest opereren. De volgens het
gemodificeerde bouwprogramma 1942 gebouwde onderzeeboten van de 1 400 klasse
(Type STo)* waren uitgerust met een drukvaste vliegtuighangar voor de onderbrenging
van drie torpedobommenwerpers, welke met behulp van een catapult werden
gelanceerde De Ohka 43A zou hiertoe worden uitgevoerd.

*In 1945 waren 3 stuks gereed en waren
14 stuks in aanbouw of in planning met opklapbare vleugels. De Ohka Model
43B was praktisch identiek aan de Ohka Model 43A en was bestemd voor de
verdediging van de kusten van het Japanse moederland. Deze versie zou worden
gelanceerd met behulp van startraketten of catapults vanuit grotopstellingen

Van de vier onderscheiden versies werden
in totaal 852 stuks gebouwd, te weten 755 stuks van Ohka Model 11, 50 stuks
van het Model 22, 45 stuks van het Model K-1 en 2 stuks van het Model 43
K-1 KAI.

Voor de effectieve vernietiging van grote
gepantserde slagschepen en vliegkampschepen bleek de springlanding van
de Ohka Model 11 echter te gering, vooral als gevolg van het geringe penetratievermogen
De Japanners waren op de hoogte van diverse Duitse wapenontwikkelingen
en zagen met name grote perspectieven in de zogenaamde Mistel-ontwerpen.
In 1945 verwierven de Japanners onder andere het patent van dit ontwerp,
een combinatie waarbij een met een zware springlading voorziene Junkers
Ju-88 bommenwerper door een Messcherschmidt Me 109 naar het doel werd gevlogen
en daar losgelaten. De springlading in de Ju 88 werkte als een holle lading
en was daarmee bij uitstek geschikt voor het penetreren van de pantserdekken
van kapitale schepen.4 Het is echter niet meer tot de inzet van Japanse
mistels gekomen. aangezien de onderzeeboten met de blauwdrukken onderweg
naar Japan verloren gingen.

 

http://www.documentatiegroep40-45.nl/imgsrc/kamik.gif" width="410" height="676"> 

De inzet van kamikaze-vliegtuigen bleek
bij gebrek aan beter redelijk succesvol, hetgeen door de volgende cijfers
uit officiele Amerikaanse bron wordt bevestigd 5 Tijdens de Filippijnen-campagne
werden 722 kamikaze-vliegtuigen ingezet, die in totaal 6 Amerikaanse oorlogsschepen
vernietigden en een onbekend aantal schepen beschadigden, zijnde 42% van
de geleden scheepsverliezen. Rond Iwo Jima brachten 24 kam kamikazevliegtuigen
van de Marine één oorlogsschip tot zinken en beschadigden
ze verder 3 schepen Deze aantallen representeren respectievelijk 50% en
10% van de Amerikaanse scheepsverliezen. Bij de operatie tegen Okinawa
werden 850 kamikazevliegtuigen van het Leger en 1050 van de Marine ingezet,
die 26 oorlogsschepen tot zinken brachten en 164 beschadigden. Deze aantallen
representeren respectievelijk 72% en 44% van de Amerikaanse scheepsverliezen.
De ratio van het ingezette aantal kamikaze-vliegtuigen versus het aantal
vernietigde, respectievelijk beschadigde schepen bedroeg bij de Filippijnen
1:120 (onder voorbehoud in verband met het ontbreken van gegevens over
het aantal beschadigde schepen), bij Iwo Jima 1:6 en bij Okinawa 1:10.
Uit deze cijfers kan worden geconcludeerd dat kamikaze-aanvallen vanuit
de lucht voldoende succesvol waren, om de inzet van relatief grote aantallen
vliegtuigen te rechtvaardigen. Een vergelijking van de Japanse vliegtuigverliezen
bevestigt dit beeld. Bij Okinawa representeerden de kamikaze-vliegtuigen
ongeveer 24% van de geleden vliegtuigverliezen. De conventionele luchtaanvallen
waren verantwoordelijk voor het tot zinken brengen van 2 en het beschadigen
van 61 oorlogsschepen (respectievelijk 5% en 16% van de totale Amerikaanse
scheepsverliezen). Daarnaast werden in totaal 72 Amerikaanse vliegtuigen
in luchtgevechten neergeschoten. Daarbij gingen in totaal 2255 Japanse
vliegtuigen verloren. Van de Ohka's werden in totaal 298 stuks ingezet,
waarvan er slechts vier het doel troffen (door Ohka's werden met zekerheid
onder andere de torpedobootjager USS Mannert L Abele tot zinken gebracht
en het slagschip USS Virginia en de torpedobootjager USS Stanley zwaar
beschadigd). Het voortijdig neerschieten van de langzame moedervliegtuigen
was de voornaamste oorzaak van dit geringe resultaat.

FUKUYURU, UJINA EN HEIHON

    

     Dicht onder de kust opereerden snelle zelfmoord-motorboten met explosieve ladingen en zelfmoord-zwemmers tegen de vijandelijke landingsboten6.   Deze laatsten, de Fukuyuru, voerden een zeemijn op een vlot van bamboe-palen of een vliegtuigbom in een drijvende waterdichte kist met zich mee en activeerden de mijn of bom in de nabijheid van een schip met behulp van het ontstekingsmechanisme van een handgranaat.
    


    

     

     
       
         
       
     
http://www.documentatiegroep40-45.nl/imgsrc/kamikaze2a.jpg" width="478" height="360">

     

    

    



     In de geallieerde inlichtingenpublikaties zijn twee aanvallen door Fukuyuru beschreven7.  Op 7 januari 1945 werd USS LCI (G) 404 tussen de eilanden Eil Malk en Urukthapel bij slecht weer aangevallen door ongeveer 40 Fukuyuru, die een bamboevlot met zich mee voeren, waarop één of meerdere vliegtuigbommen waren geladen en die het schip vanuit alle richtingen naderden. De uitkijk sloeg alarm, waarna het vlot en het merendeel van de Fukuyuru met geweervuur konden worden uigeschakeld. Eén van de Fukuyuru wist het schip ongedeerd te naderen en dook onder de achterzijde, waar hij een springlading tot ontploffing bracht. Hoewel de aangerichte schade aanzienlijk was en onder andere het roer geheel werd vernield en de commandant gewond raakte, bleeft het schip op de waterdichte compartimenten drijven. Op 10 januari 1945 werd USS Frederick Funstion (APA 89) in de Golf van Lingayen (Filippijnen) eveneens door Fukuyuru aangevallen, welke aanval met succes kon worden onderschept. Een laatste vorm betrof geïmproviseerde gevechtszwemmers, bestaande uit 'drenkelingen', die van booby-traps waren voorzien en niet zozeer een schip tot doel hadden, maar gericht waren op nieuwsgierige of op souveniers beluste geallieerde matrozen. Dit soort acties vertoont overeenkomst met soortgelijke handelingen op het land en werden uitgevoerd door niet speciaal getrainde zwemmers, die gewoonlijk geheel gekleed waren en voorzien van een zwemvest. Hoewel met name bij duisternis en slechte zichtomstandigheden gevaarlijk, waren de aanvallen met zelfmoordzwemmers niet van doorslaggevende aard.

    

     Zelfmoord-motorboten werden zowel door de Marine, als door het Leger ingezet, waarbij de beide krijgsmachtdelen verschillende types gebruikten, hetgeen in de gevolgde tactiek weerspiegeld werd. De aanvalsboten werden, voorzien van hun dieptebommen of springlading, in goed gecamoufleerde bomvrije werken en kunstmatige tunnels gereed gehouden op strategische plaatsen langs de kust, waar een vijandelijke landing of scheepsverzamelpunt verwacht kon worden.

     Van tevoren waren de meest optimale routes van en naar de doelgebieden in kaart gebracht, met een indicatie van de vaartijd bij een gegeven snelheid8. De aanvalsboten stonden op houten stellingen, terwijl een rolbaan van betonplaten of rails een snelle tewaterlating binnen 5 minuten mogelijk maakte. De tewaterlating geschiedde met de hand door een ploeg van 24 man; hiervoor werden geen lieren gebruikt. De tunnels boden ruimte voor de opstelling van 1 à 2 of meer aanvalsboten en soms ook voor onderhoud. De tunnels waren meestal op aanzienlijke afstand van de kust aangelegd om hun kwetsbaarheid voor scheepsbeschietingen te verminderen. De triplex boten waren zeer kwetsbaar, in enkele gevallen vernielden tijdens de beschietingen afgebrokkelde rotsdelen van het plafond de gestalde boten.

    


    

     

     
       
         
       
       
         
       
     
http://www.documentatiegroep40-45.nl/imgsrc/kamikaze2b.jpg" width="400" height="246">
Aanvalsboot van het type Ro (Heihon)
            van een groepscommandant die is uitgerust
met een
            radarinstallatie van het type Tase Mark 2.

     

    

    



     Het Leger gebruikte aanvalsboten van de typen Re (Ujina) en Ro (Heihon), die waren bewapend met twee dieptebommen van 120 kilogram. De beide dieptebommen waren elk aan een zijde van de stuurkuip met een kabel aan een stalen beugelconstructie bevestigd. Het was mogelijk om de dieptebommen met de hand los te laten of door middel van een ingenieuze automatische constructie, bestaande uit een uitstekende stang, die bij het dicht voorbijvaren langs het doel de schakels van de bevestigingskabels opende. 9 Bij een bij Kerama Retto aangetroffen variant waren de (aaneengelaste) dieptebommen op een rek aan de achterzijde van de boot bevestigd (mogelijk betrof dit een ramvariant voor zelfmoordmissies).10  Hoewel de aanvalsboten in principe geen zelfmoordwapens waren -een veroverde plankaart gaf bijvoorbeeld ook een retour of vluchtroute aan- bestond de mogelijkheid om de dieptebommen in een ramkoers te activeren, terwijl overigens de tijdsafstelling van de buis van de dieptebommen zò krap was bemeten, dat een onbeschadigde terugkeer van de kleine boten vrijwel uitgesloten was.11  De boten werden aangedreven door een 70 Pk Nissan of 60 Pk Toyota motor. De maximum snelheid bedroeg 20-22 knopen. De aanvalsboten naderden hetzij in sluipvaart (soms zelfs roeiend), hetzij op vol vermogen, van achteren het vijandelijk doel en wierpen hun dieptebommen langszij varend op ongeveer één meter afstand van het schip af. Veelal werd deze operatie door een aantal aanvalsboten tegelijk uitgevoerd, gewoonlijk drie aanvalsboten per doel, zodat meerdere dieptebommen onder het doel explodeerden. De leidende aanvalsboot wierp zijn dieptebommen onder de boeg van het schip, de volgende boten op kwetsbare punten langs de romp, waarna de aanvalsboten zich op volle snelheid weer verwijderden. Bij hun nadering probeerden de aanvalsboten zich tussen de geallieerde schepen te begeven, zodat op hen uitgebracht vuur ook de eigen schepen zou treffen.

    
    


     

     
       
         
       
       
         
       
     
http://www.documentatiegroep40-45.nl/imgsrc/kamikaze2c.jpg" width="489" height="200">
Opstelling van twee bemande
            torpedo's in een kunstmatig aangelegde grot op het eiland Faneu.

     

    

    


    

     Aangezien de aanvallen bij voorkeur onder dekking van de duisternis of bij slecht zicht werden uitgevoerd, was de boot van de groepscommandant uitgerust met een radarinstallatie Type Tase Mark 2 met een waarnemingsbereik van 400 tot 5000 meter. Vanwege het feit dat de radarapparatuur vrijwel alle laadruimte innam, namen deze boten geen deel aan de eigenlijke aanval.12   De met een radar-installatie uitgeruste aanvalsboten van de groepscommandanten werden door de geallieerden voor het eerst waargenomen bij Luzon (Filippijnen). Gewoonlijk hadden de aanvalsboten een bemanning van één of twee man, doch het was mogelijk nog zes passagiers (gevechtszwemmers) met kleefmijnen mee te nemen. Als bewapening werd dikwijls een mitrailleur meegevoerd, terwijl met behulp van meegevoerde rookpotten een nevelscherm gelegd kon worden. De bemanningsleden van de aanvalsboten waren zeer goed opgeleid en waren bijzonder bedreven in het benaderen van de doelschepen vanuit dode hoeken (die per scheepstype aanzienlijk verschilden), waar zij niet onder vuur genomen konden worden.

    

     Noten

     6.  Japanese coastal and island defence. In: 11 Army Group Weekly intelligence Review,no.22, 2 March                     1945, p. 10-12

     7.  Suicide attacks by swimmers. In: W.I.P.O.A.. Vol. 1 No. 30. 5 February 1945, p. 49

     8.  Suicide Boats in the Ryukyus. In: W.I.P.O.A., Vol. 1 No. 39, 9 April 1945. P. 6 geeft een op 28 maart 1945 in een grot voor zelfmoordboten op Tokashiki Shima buitgemaakte Japanse kaart weer met vaarroutes, vaartijdplanning, mogelijke doelgebieden etc.

     9.  Suicide Motor Boats. In: W.O.W.I.R. Vol. 1, No. 33, 26 February 1945, p. 12-15

     10. Suicide Boats in the Ryukyus. In: W.I.P.O.A. Vol. 1, No. 39, 9 April 1945, p. 7.

     11. Suicide Boats in the Ryukyus. In: W.I.P.O.A. Vol. 1, No. 39, 9 April 1945, p. 8.

     12. Radar Lead Boat for Suicide-Boat Attacks. In: The O.N.I. Weekly, Vol. IV, No. 17 April 25, 1945, p. 1415, 1416

   SHINYO

     De aanvalsboten van de Marine werden aangeduid met de term Shinyo. Het oorspronkelijke concept ging uit van een kleine éénmans aanvalsboot met een krachtige buitenboordmotor. Aangezien er geen geschikte buitenboordmotoren voor massaproductie beschikbaar waren, moest men teruggrijpen op een model met een inwendig geplaatste motor. Rond 1937 waren de ontwerpers van de Japanse Marine gestart met de ontwikkeling van snelle motortorpedoboten, waarbij de rompvorm was geïnspireerd op Engelse, Italiaanse en Amerikaanse modellen. In 1941 beschikte de Japanse Marine over zes 18-meter torpedoboten, waarvan de aanbouw in grote aantallen net vóór het uitbreken van de Pacific-oorlog was begonnen. De Shinyo was in maart 1944 ontworpen waarbij de (verkorte) rompvorm werd afgeleid van de bestaande motortorpedoboten. Deze aanvalsboot werd ingevoerd als Type 1 Shinyo. Van dit type werden door de marinewerf te Yokosuka zes stuks gebouwd met een stalen romp, terwijl er twee exemplaren met een houten romp werden gebouwd te Tsurumi.

     Op 27 mei 1944 vond de eerste proefvaart plaats, waarna de boegvorm werd gewijzigd. Aangezien de aanmaak van mallen en dergelijke voor de fabricage van stalen rompen zeker zes maanden in beslag zou nemen en er een tekort was aan staal en geoefende vaklieden/metaalbewerkers werd toen geopteerd voor de toepassing van een houtconstructie. Het Type 1 Model 1 werd in juli 1944 uitgebreid getest, waarbij nog diverse wijzigingen in het ontwerp werden aangebracht. Zo werd de versnellingsbak weggelaten en de springlading naar achter verplaatst. Een ballast werd in het achterschip aangebracht om een meer optimale gewichtverdeling te verkrijgen, zodat de boot ook bij kleinere vaarsnelheden nog voldoende zeewaardig werd.

     De voortstuwing geschiedde met een standaard Toyota KC-6-cylinder automotor, goed voor een snelheid van 23 knopen.
    


    

     

     
       
         
       
       
         
       
     
http://www.documentatiegroep40-45.nl/imgsrc/kamikaze3a.jpg" width="435" height="273">
Zij- en bovenaanzicht van de Shinyo
            Type 1

     

    

    



    

     De Shinyo werd in grote aantallen gebouwd met een maandproductie van 400-600 stuks. De bouw geschiedde op marinewerven, maar ook bij particuliere werven en autofabrieken, terwijl grote aantallen van een iets afwijkend type werden gebouwd door de 1e Marine Reparatie Afdeling in Shanghai, de 101e Marine Reparatie in Singapore en de 102e Marine Reparatie Afdeling in Soerabaya en Batavia.

     Op basis van de ervaringen van de operationele inzet bij de Filippijnen en Iwo Jima werd het Type 1 verbeterd door het aanbrengen van een beschermingsconstructie aan de boeg en voor de schroef, om onbeschadigd over balkversperringen en torpedonetten te kunnen varen. Om ondersteuningsvuur tijdens de nadering af te kunnen geven was aan weerszijde van de stuurkuip een dubbele raketlanceerinrichting voor 12 cm raketten aangebracht. Aanvankelijk waren deze raketlanceerinrichtingen onder een vaste elevatiehoek opgesteld, doch later werd een verbeterde lanceerinrichting aangebracht, die met de hand geëleveerd kon worden. De raketten bevatten een springlading van Type 98 springstof en een brandkartetslading. Het maximum schootsbereik bedroeg ongeveer 1800 meter. De brandkartetskogels bestreken een oppervlak van 182 bij 36 meter en waren bedoeld om het afweervuur van de doelschepen te elimineren of in effect te verminderen. 13

     De geringe snelheid van de Shinyo aanvalsboot van 23 knopen werd als een belemmering ervaren in het tactisch gebruik, zodat de ontwerpingsinspanningen gericht werden op de realisatie van snellere modellen. Reeds in de aanvang van het Shinyo-programma was in maart 1944 het type 2 ontworpen. Deze boot was uitgevoerd als draagvleugelboot en werd ontworpen door Y. Otsu, een burger ingenieur, die werkzaam was bij het Marine Onderzoeks Instituut. De romp van deze houten boot met een lengte van 6 meter werd gebouwd door de Yokohama Jachtwerf, terwijl de draagvleugelconstructie werd gebouwd door de Marinewerf Yokusuka. De voortstuwing geschiedde door de standaard Toyota automotor met een vermogen van 67 Pk. Bij de proefvaart in augustus 1944 bleek het ontwerp instabiel en niet aan de eisen te voldoen. De gedachte snelheid van 30 knopen werd bij lange na niet gehaald en het ontwerp bleek te complex voor massavervaardiging. De verdere ontwikkeling van het Type 2 werd daarop gestaakt. 14

     Vervolgens werd getracht de topsnelheid van het bestaande ontwerp te vergroten door de automotor te vervangen door een straalaandrijving. Een straalaandrijving had bovendien een gunstiger verhouding van gewicht ten opzichte van het geleverde vermogen. De eerste beproeving werd rond oktober 1944 uitgevoerd door de Mitsubishi scheepswerf. Deze versie werd aangeduid met Type 6 en was voorzien van de standaard romp van het Type 1 Model 1, welke aan de onderzijde extra was versterkt. Het ontwerp van de RO-straalmotor was ontleend aan de soortgelijke ontwerpen voor de Type 93-torpedo en de Kaiten Type 2. De brandstof voor de straalmotor bestond uit een combinatie van waterstofperoxyde, waterstofhydraat en kerosine. Bij de eerste proefvaart haalde het Type 6 een snelheid van 50 knopen, waana de motor en het pijpensysteem oververhit raakten en de boot in brand vloog en zonk. Het vaarbereik bedroeg 3000 meter en werd in 100 seconden afgelegd. Vanwege het enorme gewicht van de brandstofvoorraad (ongeveer 900 kilogram, zijnde de helft van het totale gewicht van de operationele boot) kon een vaarbereik van 3500 meter, af te leggen in 120 seconden niet bereikt worden. Op basis van de bereikte resultaten werd in december 1944 het gewijzigde Type 6 Model 1 beproefd. Met dit model hoopten de ontwerpers 4500 meter af te kunnen leggen met een snelheid van 100 knopen. Bij een snelheid van 70 knopen werd het vaartuig echter oncontroleerbaar op de golven en sloeg het over de kop. Ook de gewijzigde rompvorm van het daarop ontworpen Type 6 Model 2 voldeed niet. Hoewel de toepassing van draagvleugels nog werd overwogen oordeelden de Marine-officieren negatief over het project. Als gevolg van de hoge snelheid en de moeilijke bestuurbaarheid was de met een straalmotor aangedreven Shinyo te gevaarlijk, terwijl het opleiden van Shinyo-zelfmoordschippers naar hun mening te lang zou duren. Het werk aan de Shinyo Type 6 werd hierop gestaakt. 15

     Ondertussen werd er op de Marinewerf Yokusuka gewerkt aan het ontwerp van de Shinyo 7, welke aangedreven werd door raketten van hetzelfde type als die bij de Ohka werden toegepast. De voortstuwing bestond uit 10 raketten, die elk gedurende 10 seconden werkten. De ontwerper S. Makino werkte aan een automatisch ontstekingsmechanisme voor de raketten, doch het in februari 1945 beproefde model was uitgerust met een handontsteking met tien afvuurknoppen. Het minimale vaarbereik van 3500 meter moest met een snelheid van 70 knopen worden afgelegd. Bij de beproeving kwam de schipper niet verder dan de derde afvuurknop, toen het scheepje zich met een snelheid van ongeveer 60 knopen in de golven boorde. Na deze mislukking werd ook het werk aan het Type 7 verder gestaakt.16


    

     

     
       
         
       
       
         
       
     
http://www.documentatiegroep40-45.nl/imgsrc/kamikaze3b.jpg" width="400" height="245">
Zij- en bovenaanzicht Shinyo Type 7

     

    

    



     De aanvalsboten van de divisiecommandant, aangeduid met Type 5, waren groter en bewapend met twee raketwerpers en één 13 mm mitrailleur. De aanvalsboot Type 5 was voorzien van eenzelfde boegspringlading als het type 1 Model 1. De boten ten behoeve van de divisiecommandant waren voorzien van twee Toyota automotoren, die zorgden voor een maximum snelheid van 25 knopen, terwijl door de inbouw van twee extra hulptanks de actieradius aanzienlijk werd vergroot. De bemanning bedroeg 2 man, die beschikten over een radio-installatie.

     Rond augustus 1944 werd de eerste proefvaart met het Type 5 uitgevoerd.17  Ten behoeve van de eskadercommandant werd uit het Type 5 de grotere Shinyo Type 8 ontwikkeld. In juni 1945 werd het Type 8 succesvol beproefd, waarna een voorserie van 6 stuks werd gebouwd. De aanvalsboot van de eskadercommandant was bestemd en ingericht voor de bevelvoering over verschillende divisies Shinyo Type 1 Model 1 aanvalsboten, die elk onder bevel stonden van een divisiecommandant in een Shinyo Type 5. Het Type 8 werd aangedreven door drie Toyota automotoren, waarmee een maximum snelheid van 23 knopen haalbaar was. De bemanning bestond uit drie personen, die beschikten over draagbare radio's en een krachtige radio-telefoon voor de communicatie met (verkennings) vliegtuigen. Het Type 8 was niet bestemd voor het daadwerkelijk zelf uitvoeren van zelfmoormissies en beschikte derhalve niet over een boeglading. Wél werden er voor offensieve doeleinden twee 28 cm Type 5 torpedo's meegevoerd. De Shinyo Type 8 was uitgerust met twee 12 cm granaatwerpers. Waar het Leger haar bevelsboten voorzag van radarapparatuur, ontwikkelde de Marine een infra-roodgeleidingssysteem, waarbij de (bevelvoerende) Shinyoboten een vanaf een hoog punt op de wal uitgezonden infrarode richtstraal naar het doel volgden. Een speciale ontvanger met signaallampjes in de stuurkuip gaf aan of de aanvalsboot nog op koers lag. Met dit systeem hoopte men het gebrek aan waarneming van de laag op zee gelegen Shinyo's te compenseren. Als gevolg van technische onvolkomendheden is het infra-roodgeleidingssysteem nooit verder gekomen dan initiële proefnemingen.18

     Een laastste ontwikkeling in de aanvalsboten was de door Lt. Commandeur Nakajima, van het Technische Onderzoeks Instituut van de Marine, ontworpen afstand bestuurbare Shinyo. Deze boot had een lengte van 4 meter en was uitgerust met een raketvoortstuwing, die met een brandduur van 10 seconden het vaartuigje een topsnelheid van 100 knopen moest geven. Bij de eerste proefnemingen sloeg het onbemande bootje over de kop en ging het verloren. Het idee werd echter niet verlaten en Nakajima werkte daarna nog aan een verbeterd prototype. De sturing van de onbemande Shinyo zou geschieden door een infra-rood-apparaat, dat de warmte-uitstraling van het doelschip van de omgeving moest onderscheiden. Het was voorzien dat een Shinyo stuurman het bootje in de buurt van het doel bracht, waarna hij tijdig van boord ging, na de infrarode doelzoeker in werking te hebben gesteld. Afgezien van de nautische problemen, die voortkwamen uit de combinatie raketvoortstuwing/rompvorm, vormde het gebrek aan onderscheidend vermogen van de infrarode doelzoeker een probleem, dat niet meer voor het einde van de oorlog kon worden opgelost.

    


    

     

     
       
         
       
     
http://www.documentatiegroep40-45.nl/imgsrc/kamikaze3c.jpg" width="450" height="200">

     

    

    



     De aanvalsboten van de Marine waren georganiseerd in Shinyotai en pasten een agressieve ramtechniek met minder overlevingskansen voor de opvarende toe. In het boegcompartiment van de aanvalsboten van de Marine was een zware springlading van 270 kilogram Type 98 springstof aangebracht. De boeglading kon op drie manieren worden ontstoken, namelijk het sluiten van een electrisch contact bij het treffen, direct met een afvuurknop of met een percussiedetonator. Het bemanningslid bracht de aanvalsboot zo heimelijk mogelijk in aanvalskoers, vuurde indien hij ontdekt was enkele raketten af en zette in volle vaart de ramkoers in om op ongeveer 90 meter afstand de aanvalsboot te verlaten, na het roer te hebben vastgezet. Bij het rammen van het doel volgde de explosie. De aanvalsboot van de Marine was ongeveer even groot als die van de landmacht, maar was sneller. Vanwege hun kwetsbaarheid werden de houten aanvalsboten door de Marine minder effectief geacht dan de onderwater opererende Kaitens, doch waren eenvoudiger in grote hoeveelheden te bouwen.

     De Marine Shinyo werden bij de Corregidor (Filippijnen) voor het eerst tegen de geallieerden ingezet. Op Corregidor waren 6 Shinyo-eenheden gelegerd, elk bestaande uit ongeveer 150 man met 30 boten. Het was oorspronkelijk de bedoeling om meer dan 300 Shinyo-boten op Corregidor te legeren, doch als gevolg van transportverliezen en het verloren gaan van 30 boten bij een ongeluk waren er uiteindelijk maar 100 boten beschikbaar.

     De inzet van de aanvalsboten bleek in de Filippijnen succesvol, waarbij gedurende één aanval in de Golf van Lingayen een L.C.I. tot zinken werd gebracht en 8 schepen, waaronder torpedobootjagers en L.S.T.'s zwaar werden beschadigd.20 Gedurende de geallieerde landingsoperaties bij Kerama Retto ter voorbereiding van de aanval op Okinawa waren meer dan 700 aanvalsboten beschikbaar.21 Ondanks de inzet van een groot aantal aanvalsboten in de wateren rond Okinawa bleven de Amerikaanse scheepsverliezen als gevolg van deze aanvallen beperkt tot één gezonken en 7 beschadigde oorlogsschepen.22 Deze verliezen representeerden respectievelijk 2,7% en 16% van de geleden totale scheepsverliezen.

    

     wordt vervolgd.


    



     Noten

    

     13. Rocket Armed Suicide Boats. In: W.I.P.O.A., Vol. 1, No. 43, 7 May 1945, p. 3 - 7

     14. Japanese Suicide Craft. U.S. Naval Technical Mission to Japan, Intelligence Targets Japan (DNI)    of 4 Sept. 1945. Fascicle S-1, Target S-02. January 1946. p. 12, 13

     15. Japanese Suicide Craft. U.S. Naval Technical Mission to Japan, Intelligence Targets Japan (DNI)    of 4 Sept. 1945. Fascicle S-1, Target S-02. January 1946. p. 12 - 18

     16. Japanese Suicide Craft. U.S. Naval Technical Mission to Japan, Intelligence Targets Japan (DNI)    of 4 Sept. 1945. Fascicle S-1, Target S-02. January 1946. p. 18

     17. Japanese Suicide Craft. U.S. Naval Technical Mission to Japan, Intelligence Targets Japan (DNI)    of 4 Sept. 1945. Fascicle S-1, Target S-02. January 1946. p. 12, 14

     18. Japanese Suicide Craft. U.S. Naval Technical Mission to Japan, Intelligence Targets Japan (DNI)    of 4 Sept. 1945. Fascicle S-1, Target S-02. January 1946. p. 18, 21, 22

     19. Japanese Suicide Craft. U.S. Naval Technical Mission to Japan, Intelligence Targets Japan (DNI)    of 4 Sept. 1945. Fascicle S-1, Target S-02. January 1946. p. 18, 22

     20. Suicide Boat Forces. In: Allied Land Forces S.E.A. Weekly intelligence Review, No. 33, 18 May    1945, p. 6-8.

     21. W.O.W. I.R., No. 93, 30 May 1945, p. 18.

     22. The Campaigns of the Pacific War. United States Strategic Bombing Survey (Pacific), Naval Analysis Division, p. 331

 KAITEN

    

    

     De Marine hechtte voor de kustverdediging een grote waarde aan de in 1944 ontwikkelde bemande zelfmoordtorpedo's, de Kaiten (afgeleid van het woord Kiaten igyo). De Kaiten werden bestuurd door vrijwilligers van 18-20 jaar oud, die een speciale opleiding van drie maanden volgden. De opleiding van de vrijwilligers gebeurde op het eiland Otsujima bij de marinebasis Kure. De vrijwilligers genoten na het voltooien van de opleiding tal van privileges en kregen de rang van vaandrig. Voorts was er de belofte dat na het succesvol uitvoeren van een missie een familie een bedrag van 10.000 Yen zou worden uitgekeerd. Voor de opleiding werd gebruik gemaakt van geblindeerde Shinyo aanvalsboten, die uitsluitend met behulp van periscoopwaarneming en een kompas moesten worden bestuurd.

    

     Reeds in de winter van 1942/43 vingen de luitenants-ter-zee Nishina en Kuroki aan met de ontwikkeling van bemande torpedo's. Het plan voor de Kaiten werd aanvankelijk door de Marine praktisch onuitvoerbaar geacht vanwege een op dat moment aanwezige terughoudendheid ten aanzien van specifieke zelfmoordwapens. De eerste exemplaren van de Kaiten Type 1 werden pas in februari 1944 op de marinewerf te Kure gebouwd en bestonden grotendeels uit onderdelen van de Type 93 Model 3 torpedo. Voor de beproeving was de Kaiten voorzien van een ballast in plaats van de gevechtskop. De Kaiten Type 1 bestond uit een gevechtskop, een voorcompartiment met onder meer de lucht- en ballasttanks, de stuurcabine en het achtercompartiment, bestaande uit het voortstuwingsgedeelte van deType 93 torpedo. De meegevoerde springlading was met 1550 kilogram ongeveer drie maal zo groot als die van de gewone Type 93 torpedo en werd voldoende geacht voor het buiten gevecht stellen of tot zinken brengen van een vliegkampschip of slagschip. De springlading werd geactiveerd door het Type 2 aanvuurpistool of een elektrische mijnontstekingsinrichting, die vanuit de stuurcabine werd ingeschakeld. De Kaitenschipper beschikte voor waarneming over een intrekbare periscoop met een lengte van 70 cm. De lucht in de stuurcabine werd met behulp van sodium peroxyde gezuiverd.
    


    

     

     
       
         
       
       
         
       
     
http://www.documentatiegroep40-45.nl/imgsrc/kamikaze4a.jpg" width="538" height="124">
Doorsneetekening
            van een Kaiten, type 1

     

    

    

Aangezien de Kaiten Type 1 door een moederonderzeeboot naar het doel vervoerd zou worden, was een bodemluik aangebracht, zodat de schipper de stuurcabine vanuit de onderzeeboot kon betreden. Een tweede toegangsluik bevond zich aan de bovenzijde van de stuurcabine.

     Later werd het bodemluik weggelaten. Het ontwerp van de Kaiten Type 1 was afgestemd op een maximale duikdiepte van 100 meter, doch vanwege de dan optredende lekkages was de praktische maximale duikdiepte beperkt tot 60 meter. De moederduikboot kon derhalve niet op een grotere diepte dan ongeveer 60 meter opereren, wilden de meegevoerde Kaitens niet door lekkage onbruikbaar raken.

     De operationele duikdiepte van de zelfvarende Kaiten bedroeg 35 meter, terwijl de aanval op ongeveer 5 meter diepte werd uigevoerd. De vaarsnelheid kon door de schipper worden bepaald en bedroeg maximaal 30 knopen.23 De bovenwatersnelheid bedroeg slechts 5 knopen, aangezien bij hogere snelheden de schipper vanuit zijn lage positie niets kon waarnemen als gevolg van overslaand water. De normale kruissnelheid bedroeg 12 knopen.

    

     De Kaiten kon op diverse manieren naar het doelgebied gebracht worden, namelijk met een onderzeeboot, een kruiser of torpedobootjager (nooit in de praktijk toegepast), aangepaste landingstransportschepen, of vanaf het land. De volgende onderzeeboten waren uitgerust voor het meevoeren van Kaiten:

    

     I- 363, 366, 367  5 Kaiten

     I- 36, 47, 53, 58  6 Kaiten

   (aanvankelijk 4 stuks)

     I- 156, 157, 158, 162 2 Kaiten

    

     De Kaiten waren met een klampring op het dek van de onderzeeboot vastgezet en rustten op houten blokken. Alvorens de Kaiten te betreden werd de stuurcabine met lucht vanuit de moederonderzeeboot schoongeblazen om eventueel aanwezige dampen van carbon tetrachloride te verwijderen. Het loslaten geschiedde op periscoopdiepte (ongeveer 9 meter), waarbij de Kaitenschipper telefonisch de laatste instructies over doel, koers en snelheid medegedeeld werd. De navigatie-officier van de moederduikboot gaf de koers op, die de Kaitenschipper moest volgen om het doel te bereiken. Als de Kaiten zich op het dek vóór de commandotoren van de onderzeeboot bevond, dan startte de Kaitenschipper vóór het loslaten de motoren, om een aanvaring met het moederschip te voorkomen. Gewoonlijk werd de Kaiten tot op 6 à 7000 meter van het doel gebracht. Alvorens de definitieve aanval in te zetten kwam de Kaiten op ongeveer 1000 meter van het doel op periscoopdiepte om de eindkoers en aanvalsdiepte te bepalen. Indien de Kaiten het doel miste, draaide de schipper de Kaiten om, teneinde opnieuw een aanval uit te voeren. In geval de Kaiten vanaf het land opereerde, dan werden ze gereed gehouden in kunstmatige grotten, waarvan de opening uitkwam op een haven of baai. Ter bescherming waren de openingen gewoonlijk van zee afgekeerd. Voor het transport vanuit de grot naar de waterkant werd een op rails lopende transportwagen gebruikt, waarbij de Kaiten te water werd gelaten met behulp van een speciale lanceergoot.


    

     

     
       
         
       
       
         
       
     
http://www.documentatiegroep40-45.nl/imgsrc/kamikaze4b.jpg" width="520" height="140">
Doorsneetekening
            van een type 2 Kaiten

     

    

    



     Na de verloren slag rond de Marianen werd aan de bouw van Kaitens de hoogste prioriteit gegeven, terwijl de werving van vrijwilligers ter hand werd genomen. In totaal werden 330 stuks Kaiten Type 1 vervaardigd en in operationeel gebruik genomen.24

     Op basis van de ervaringen met de Kaiten Type 1 werd het Type 2 ontwikkeld. Het Type 2 werd, in tegenstelling tot het uit componenten van de Type 93 torpedo bestaande Kaiten Type 1, van aanvang af ontworpen als bemande zelfmoordtorpedo. De firma Nagasaki-Heiki K.K. te Nagasaki, die onderdeel uitmaakte van het Mitsubishiconcern, stelde in aansluiting op de wens van de Japanse Marinestaf, in april 1944 voor om waterstofperoxyde te gebruiken als zuurstofbron voor de aandrijving van de nieuw te ontwikkelen Kaiten. Deze firma was op dat moment reeds betrokken bij de experimenten met de R.S.-raket en vliegtuigstartraketten, welke waterstofperoxyde als brandstof gebruikten. Deze experimenten vonden plaats op basis van technische gegevens van Duitse ontwikkelingen op dat gebied. De Duitse hulp bestond voornamelijk uit tekeningen en foto's van onderdelen van de voor vliegtuigen ontwikkelde raketmotor, waaronder de pomp voor de aanvoer van waterstofperoxyde en hydrazine hydraat, de regelkleppen, de verbrandingskamer, de sproeiers en algemene gegevens over de met behulp van waterstofperoxyde aangedreven torpedo. Voor zover bekend is er echter geen exemplaar van een dergelijke torpedo in Japan aangekomen.25  De Japanse Marinestaf formuleerde voor de te ontwikkelen Kaiten de volgende eisen: een snelheid van 50 knopen, een vaarbereik van ongeveer 50 kilometer en een operationele duikdiepte van 91 meter. Later moesten deze eisen als gevolg van ontwerpproblemen echter worden verlaagd. In mei 1944 besloot de Technische Dienst van de Marine in Tokyo, dat de Torpedo Dienst een grotere rol moest spelen bij de tot standkoming van het nieuwe Kaiten-ontwerp. De kapitein-luitenant H. Kawase van de Kure Torpedo Dienst werd benoemd tot projectleider met de opdracht om alle benodigde informatie over de toepassing van waterstofperoxyde aandrijfsystemen te verzamelen. Hij zocht daarop contact met de firma Nagasaki Heiki K.K., waar de ingenieurs Fukuda en Mukugi juist aagevangen waren met de eerste experimenten met de R.S.-raket. Voor de toepassing als torpedo-aandrijving werden beproevingen uitgevoerd met een Type 95 torpedogenerator. Door middel van een gereguleerd kleppensysteem werden achtereenvolgens hydrazine hydraat, waterstofperoxyde, brandstof en water aangevoerd, welke een goed lopende reactie gaven, die resulteerde in een constante opwekking van oververhitte stoom onder druk. Het eerste Kaiten 2 ontwerp van Nagasaki Heiki K.K. had een gewicht van 18,1 ton, bij een waterverplaatsing van 16,1 ton. De lengte bedroeg 14,50 meter, bij een diameter van 1,52 meter. De maximum snelheid bedroeg 35 knopen, het vaarbereik 80 kilometer. Het voortstuwingsvermogen bedroeg 1000 Pk en de brandstofvoorraad was voldoende voor een maximale vaarduur van 80 minuten op volle kracht. De aandrijving geschiedde in dit nooit gebouwde ontwerp door twee Type 93 torpedomotoren. De ontwikkeling van de torpedovoorststuwing op basis van waterstofperoxyde werd daarop overgenomen door de Kure Torpedo Dienst, onder leiding van Kawase in nauwe samenwerking met de hoofdontwerper voor torpedo's in Kure commandeur Hori. De experimenten in Kure vonden in de open lucht plaats, waarbij het bedieningspersoneel werd beschermd door een pantserplaatconstructie van 7,62 cm dikte. Om de juiste mengverhouding en brandstofsamenstelling te bepalen werden allereerst proeven in open bakken uitgevoerd, waarna de gecontroleerde verbranding werd beproefd in een Type 94 torpedogenerator. De geconcentreerde  waterstofperoxyde (80%) werd vloeistof 'A' genoemd en het hydrazine hydraat (80%) vloeistof 'B'. Om de ontbinding van de waterstofperoxyde door het hyrazine hydraat te bevorderen werd potassium cuprocyanide als katalysator toegepast. Vervolgens werd het ontwerp van de brandstoftanks ter hand genomen. De waterstofperoxyde en het hydrazine hydraat werden uit de tanks naar de generator gestuwd door het inlaten van zeewater tijdens de vaart. Aangezien het zeewater een ontbindende werking had op de waterstofperoxyde werd een vloeibare tussenscheidingslaag van alfamonochloornaftaleen van ten m
     Tussen januari en maart 1945 werden ondertussen vijf exemplaren van de Kaiten Type 4 gebouwd. Het Type 4 was een poging om de in de Type 93 Model 3 torpedo gebruikte gasopwekkingsinstallatie te gebruiken voor de aandrijving van de voortstuwingseenheid No. 6. In plaats van waterstofperoxyde werd een mengsel van kerosine en zuurstof gebruikt. Hierdoor kon het gewicht van de benodigde brandstofvoorraad worden teruggebracht en de springlading van de gevechtskop worden verzwaard tot 1800 kilogram, waarbij het totale gewicht van de Kaiten Type 4 nog 200 kilogram minder bedroeg dan de Kaiten Type 2. Waar de ontwerpspecificaties van een snelheid van 40 knopen uitgingen, bleek de Kaiten Type 4 bij proefvaarten niet meer dan 20 knopen te lopen, terwijl de constante aanvoer van gassen voor de aandrijving van de voortstuwingseenheid problematisch bleek. De verdere ontwikkeling van de Kaiten Type 4 werd hierop gestaakt, aangezien de Kaiten Type 1 in de praktijk bleek te voldoen en er prioriteit moest worden gegeven aan de massavervaardiging van dit type. 27

     Als noodmaatregel werd daarop het ontwerp van de elektrisch aangedreven Kaiten Type 10 ter hand genomen. Hierbij kon er gebruik worden gemaakt van reeds aanwezige grote hoeveelheden accu's en Type 92 torpedo-componenten. De Type 92 torpedo werd hiertoe middendoor gesneden, waarna een stuurcabine werd aangebracht. De afmetingen van de Kaiten Type 10 bedroegen ongeveer éénderde van die van de Kaiten Type 1 en de meegevoerde springlading bedroeg slechts 300 kilogram. De operationele vaarsnelheid bedroeg 7 knopen waarmee een afstand van 3500 meter kon worden afgelegd. De Kaiten Type 10 was alleen met een bovenluik uitgerust en werd uitsluitend vanaf het land ingezet. In 1945 werd de produktie van dit model ter hand genomen, waarbij er vermoedelijk minder dan zes exemplaren werden gebouwd, als gevolg van produktiemoeilijkheden bij het waterdicht aaneenbouwen van de torpedohelften en de stuurcabine.28

     Strikt genomen géén echte Kaiten was de op het tot de Truk groep behorende eiland Faneu aangetroffen, mogelijk lokaal ontwikkelde, bemande torpedo op basis van de Type 90 torpedo. Voor de bestuurder was in het midden van de torpedo een opbouw aangebracht, welke tijdens de vaart boven water bleef. De torpedo werd door de bestuurder in sluipvaart naar het doel gebracht, waarna hij de aanvalskoers instelde en zijn stuurcabine verliet, nadat hij er zeker van was dat de torpedo het doel zou treffen. De gewijzigde torpedo Type 90 had bij een snelheid van 3 tot 4 knopen een vaarbereik van 8000 meter en 1000 meter, indien de torpedo op de maximale snelheid van 5 tot 6 knopen voer. Een zelfde ontwerp op basis van de type 96 torpedo had bij een vaart van 3 tot 4 knopen een vaarbereik van 2500 meter en 500 meter bij 5 tot 6 knopen.

     Vanwege het geringe vaarbereik werden de bemande torpedo's van dit ontwerp uitsluitend vanaf het land toegepast bij de toegangen tot de Truk lagune. Op het eiland Faneu was in december 1944 begonnen met de aanleg van een grotopstelling voor twee exemplaren. De bemande torpedo's zouden met behulp van een transportwagen op rails te water worden gelaten. Vóór de uitvaartopening zou een passage in het koraalrif worden gemaakt met behulp van springstof. Ten tijde van de Japanse capitulatie waren deze werkzaamheden echter nog niet afgerond. Ook op het eiland Dublon werden deze bemande torpedo's aangetroffen.29

    

     Er was voorts in augustus 1945 een groot aantal mini- onderzeeboten beschikbaar, welke waren bewapend met torpedo's. Het betrof de Koryu, een 5-mans onderzeeboot, waarvan er 100 beschikbaar waren en de Kairyu, een kleiner model met 2 bemanningsleden, waarvan 300 exemplaren gereed waren en die in massa werd gefabriceerd. Deze werden eveneens voor de kustverdediging van het Japanse moederland ingezet, waarbij de Kairyu werd gemodificeerd voor het uitvoeren van zelfmoordmissies en daartoe werd voorzien van een springlading van 500 kilogram in de boeg.

     Het effect van de ingezette Kaitens bleef in de praktijk achter ten opzichte van de hoge verwachtingen. Dit werd veroorzaakt door het feit dat de Kaiten door middel van een moederonderzeeboot naar het doelgebied getransporteerd werd. Hierdoor deelde de Kaiten, voor zover nog niet losgekoppeld, het lot van de onderzeeboot. Indien deze werd ontdekt, of voortijdig werd vernietigd, dan kwam er van de Kaiten operatie niets terecht. 30

    

     Een handicap hierbij vormde het geringe aantal beschikbare voor het gebruik van Kaiten geconverteerde onderzeeboten en het verlies van een aantal daarvan bij de uitvoering van operaties. Zodoende kon een meer kans op succes biedende groepsaanval weinig worden toegepast. Een dergelijke aanval, die op 27 maart 1945 werd ondernomen tegen de Amerikaanse landingsvloot bij Okinawa liep uit op een mislukking aangezien niet minder dan 150 torpedobootjagers de vloot beschermden en de Japanse moederonderzeeboten met hun Kaiten dit scherm niet wisten te penetreren. Hierop werd besloten om de Kaiten op punten, waar een amfibische aanval kon worden verwacht, te stationeren op de Japanse eilanden zèlf. De laatste grootschalige inzet van Kaiten geschiedde in samenhang met de in april 1945 uitgevoerde operatie Kikusui, een vergeefse zelfmoordaanval van praktisch de gehele op dat moment resterende Japanse vloot tegen de Amerikaanse invasievloot in de wateren rond Okinawa, waarbij ook het slagschip Yamato werd ingezet en verloren ging. In totaal claimden de Japanners met hun Kaiten het tot zinken brengen van 40 geallieerde oorlogsschepen. Acht onderzeeboten van de I-klasse en 900 manschappen gingen hierbij verloren. De daadwerkelijke geallieerde verliezen waren echter veel geringer: slechts de USS Tanker Mississinewa, de Destroyer Escort USS Underhill en het vrachtschip SS Canada Victory gingen verloren als gevolg van de inzet van Kaiten.31

    


    

     

     
       
         
       
     
http://www.documentatiegroep40-45.nl/imgsrc/kamikaze4c.jpg" width="366" height="190">

     

    

    



     BANZAI-AANVALLEN

     Te land kwamen in de praktijk twee soorten zelfmoordaanvallen voor, namelijk de geplande zelfmoordaanval, waarvoor bepaalde troeponderdelen, de Kirikomi Tai, werden aangewezen en waarbij volgens plan een optimaal gebruik werd gemaakt van terreinomstandigheden, concentratiemogelijkheden en verrassing van de tegenstander. Deze acties waren erop gericht om lokaal een bepaalde tactische beslissing te forceren, de tegenstander te schokken, eventueel aanwezige (vlammenwerper-) tanks of luchtdoelkanonnen uit te schakelen en overigens zoveel mogelijk personele verliezen toe te brengen door een reguliere aanval, zij het met een verwachte fatale uitkomst voor de uitvoerenden. Een tweede vorm was de ongecoördineerde zelfmoordaanval in een als verloren beschouwde geïsoleerde positie, waarbij mogelijkheden om zich tactisch terug te trekken ontbraken. De effectiviteit van deze soort zelfmoordaanvallen was veel geringer dan de gecoördineerde zelfmoordacties. Op geïsoleerde eilanden kwam de tweede soort aanvallen het meeste voor, terwijl in situaties waar de mogelijkheid tot terugtrekken bestond, de eenheden, die de zelfmoordaanval moesten uitvoeren, zorgvuldig in een positie werden gebracht waar het onttrekken aan de actie feitelijk onmogelijk was. Overigens werd ook het achterwege laten van zelfmoordaanvallen herhaalde malen uitdrukkelijk in de operatieplannen opgenomen, om 'verspilling' van krachten als gevolg van niet gecoördineerde zelfmoordacties te voorkomen.32

    

     Een laatste vorm van zelfmoord met een militair doel, was het vrijwillig achterblijven van gewonden, die waren voorzien van een handgranaat om zich bij het naderen van nieuwsgierige of behulpzame geallieerde (hospitaal-) soldaten op te blazen, waarbij mogelijk ook de vijand werd getroffen.

    

     Noten

     23 Japanese suicide Craft. U.S. Naval Technical Mission to Japan. Intelligence Targets Japan  (DNI) of 4 Sept. 1945. Fascicle S-1, Target S-02. January 1946. p. 22-24.

     24 Japanese Torpedo's and Tubes. Article 1 - Ship and Kaiten Torpedoes. U.S. Naval Technical  Mission to Japan. . Intelligence Targets Japan (DNI) of 4 Sept. 1945. Fascicle 0-1, Target 0- 01. April 1946. p. 322, 323.

     25 Japanese Torpedo's and Tubes. Article 1 - Ship and Kaiten Torpedoes. U.S. Naval Technical  Mission to Japan. Intelligence Targets Japan (DNI) of 4 Sept. 1945. Fascicle 0-1, Target 0- 01. April 1946. p. 332.

     26 Japanese Torpedo's and Tubes. Article 1 - Ship and Kaiten Torpedoes. U.S. Naval Technical  Mission to Japan. . Intelligence Targets Japan (DNI) of 4 Sept. 1945. Fascicle 0-1, Target 0- 01. April 1946. p. 332 - 380.

     27 Japanese suicide Craft. U.S. Naval Technical Mission to Japan. Intelligence Targets Japan  (DNI) of 4 Sept. 1945. Fascicle S-1, Target S-02. January 1946. p. 27.

     28 Japanese suicide Craft. U.S. Naval Technical Mission to Japan. Intelligence Targets Japan  (DNI) of 4 Sept. 1945. Fascicle S-1, Target S-02. January 1946. p. 27. en  Japanese  Torpedo's and Tubes. Article 1 - Ship and Kaiten Torpedoes. U.S. Naval Technical  Mission to Japan. Intelligence Targets Japan (DNI) of 4 Sept. 1945. Fascicle 0-1, Target 0- 01. April 1946. p. 415 - 417.

     29 Japanese Defenses on Truk Atoll, Caroline Islands. CINC-PAC-CINCPOA Bulletin 3-46, 15  march 1946, p. 114, 115

     30 Barker, A.J. Suicide Weapon. p. 115-121.

     31 Barker, A.J. Suicide Weapon. p. 159.

     32 Japanese Monograph No. 40, p. 118, 271.

Forum

Facebook

Twitter